18. Zie, wij gaan nu op naar Jeruzalem tot het feest, opdat vervuld wordt, wat Ik reeds een half jaar geleden u heb aangekondigd (
Hoofdstuk 16:21;
17:22 v. ) en de Zoon des mensen zal na verloop van acht dagen door het verraad van een uit uw midden aan de overpriesters en schriftgeleerden, die reeds Zijn dood besloten hadden (
Johannes 11:47, ), overgeleverd worden en zij zullen Hem ter dood veroordelen (
Hoofdstuk 26:47, ). 19. a) En zij, de overpriesters en schriftgeleerden, zullen Hem aan de heidenen overleveren, opdat de Romeinse landvoogd het over Hem uitgesproken vonnis van de dood volvoert (
Hoofdstuk 27:1, ). Het zal een overlevering zijn, om Hem te bespotten en te geselen en tekruisigen, zodat Hij langs deze weg de dood vindt. En op de derde dag na de kruisiging zal Hij wegens het lijden van de dood met eer worden gekroond (
Hebreeën 2:9) en weer opstaan.
a) Lukas 23:1. Johannes 18:28, 31; Handelingen 3:13.
Wij staan hier aan het begin van de lijdensgeschiedenis; de kerk heeft daarom zeer goed gekozen, wanneer zij het hoofdstuk van Lukas, dat met onze plaats parallel is, tot het Evangelie voor de Zondag Quinquagesimae of Esto mihi bestemd heeft, want deze Zondag is het portaal, dat tot in de lijdenstijd leidt. Voordat wij echter verder gaan met de verklaring van deze plaats, voegen wij hierbij het slot van het chronologisch overzicht, dat bij Hoofdstuk 9:34; 19:2 slechts voor de vijf eerste hoofdstukken kon gegeven worden.
Nadere Gebeurtenissen in het jaar 30 na Christus tijdsbepaling
ZESDE AFDELING
Begin van de lijdenstijd tot de begrafenis van Jezus (Een tijdsruimte van 9 dagen).
30 mrt dond. Navraag naar Jezus te Jeruzalem. De bekendmaking van het lijden bij de tocht naar Jericho: Johannes 11:55-57. Mattheus 20:17-19. Lukas 18:31-34.
De moeder van de zoon van Zebedeus: Mattheus 20:20-28. Markus 10:35-45.
$harmon$ 98 Aankomst te Jericho en genezing van twee blinden: Mattheus 20:29-34. Markus 10:46-52. Lukas 18:35-43.
$harmon$ 99 Het bezoek bij Zachéüs en de gelijkenis van de toevertrouwde ponden: Lukas 19:1-28.
31 mrt vrijd. $harmon$ 100 De zalving te Bethanië: Mattheus 26:6-13. Markus 14:3-9. Johannes 12:1-11.
2 apr. zond. $harmon$ 101 De intocht in Jeruzalem: Mattheus 21:1-11. Markus 11:1-11. Lukas 19:29-44. Johannes 12:12-19.
3 apr. maand. $harmon$ 102 Vervloeking van de vijgeboom en tweede reiniging van de tempel: Mattheus 21:12-17. Markus 11:12-19. Lukas 19:45-48 4 apr. Dinsd. $harmon$ 103 De verdorde vijgeboom. Vraag en wedervraag benevens een gelijkenis: Mattheus 21:18-32. Markus 11:20-33. Lukas 20:1-8.
Twee nieuwe gelijkenissen, van de boze wijngaardeniers en het koninklijk bruiloftsmaal: Mattheus 21:33-22:14 Markus 12:1-12. Lukas 20:9-19.
De Farizeeën en de didrachmen, de Sadduceeën en de opstanding: Mattheus 22:15-33. Markus 12:13-27. Lukas 20:20-40.
De vraag over de wet van de Schriftgeleerden en de vraag over het geloof van Jezus: Mattheus 22:34-46. Markus 12:38-37. Lukas 20:41-44.
Strafrede tegen de Farizeeën en Schriftgeleerden: Mattheus 23:1-39. Markus 12:38-40. Lukas 20:45-47.
Jezus aan de schatkist, De Grieken en de mededeling van Zijn dood: Markus 12:41-44. Lukas 21:1-4. Johannes 12:20-50.
De profetie over de toekomst: Mattheus 24:1-25, 46. Markus 13:1-37. Lukas 21:5-38
Laatste bekendmaking van het lijden van Christus en het besluit van de hogepriesters: Mattheus 26:1-5. Markus 14:1-2. Lukas 22:1-2.
5 apr. woensd. Verbond van Judas met de overpriesters: Mattheus 26:14-16. Markus 14:10-11. Lukas 22:3-6.
6 apr. dond. De toebereiding van de Paasmaaltijd: Mattheus 26:17-19. Markus 14:12-16. Lukas 22:7-13.
6-9 uur De viering van het Paasfeest en `s avonds de inzetting van het heilig avondmaal: Mattheus 26:20-29. Markus 14:17-25 Lukas 22:14-30. Johannes 13:1-32. 9-12 uur Gesprekken van Jezus met de `s nachts discipelen en het hogepriesterlijk gebed. Lukas 22:31-38. Johannes 13:33-17:26
7 apr. vrijd. De zielestrijd in Gethsemane: middernacht Mattheus 26:30-46. Markus 14:26-42. tot 1 uur Lukas 22:39-46.
De gevangenneming van Jezus: Mattheus 26:47-56. Markus 14:43-52. Lukas 22:47-53. Johannes 18:1-11.
1-3 uur Het verhoor en de veroordeling: Mattheus 26:57-68. Markus 14:53-65. Lukas 22:54 en 63-65. Johannes 18:12-14, 19-24.
De verloochening van Petrus: Mattheus 26:69-75. Markus 14:66-72. Lukas 22:54-62. Johannes 18:15-18, 25-27.
3-4 uur De tweede gerechtszitting bij de tempel en het verschrikkelijk einde van Judas: Mattheus 27:1-10. Markus 15:1. Lukas 22:66-71.
4-6 uur Het verhoor voor Pilatus, de Romeinse landvoogd: Mattheus 27:11-31. Markus 15:2-20. Lukas 23:1-25. Johannes 18:28-19:16
9-12 uur De kruisiging: Mattheus 27:32-44. Markus 15:21-32. Lukas 23:26-43. Johannes 19:17-27.
12-3 uur De dood: Mattheus 27:45-56. Markus 15:33-41. Lukas 23:44-49. Johannes 19:28-37.
De begrafenis en de wachters aan het graf: Mattheus 27:57-66. Markus 15:42-47. Lukas 23:50-56. Johannes 19:38-42.
ZEVENDE AFDELING
De opstanding en hemelvaart van Jezus Christus. (Een tijdsruimte van 40 dagen).
9 apr. zond. De opstanding en de eerste verschijning van de 5 uur opgestane: Mattheus 28:1-15. Markus 16:1-11. Lukas 24:1-12. Johannes 20:1-18.
namiddag De verschijning aan Simon Petrus en aan de 8 uur beide Emmaüsgangers: Mattheus 16:12-13. Lukas 24:13-35. 9, 16 apr. Twee verschijningen in de kring van de Apostelen: Lukas 24:36-43. Johannes 20:19-31.
23 apr. De verschijning aan het meer van Gennezareth: Johannes 21:1-25.
30 apr. De tweede openbaring in Galilea: Mattheus 28:16-20.
14 mei De laatste openbaring te Jeruzalem: Lukas 24:44-48. Markus 16:14-18.
18 mei De hemelvaart: Lukas 24:49-53. Markus 16:19-20.
Op de vroegere, bepaalde aankondigingen van Zijn lijden volgt nu de nauwkeurige kenschetsing daarvan. De ontwikkelde vorm van dit lijden is echter ten eerste, naar de geestelijke kant van het dubbele verraad, de dubbele verraderlijke verwerping en overlevering. Wat de eerste verbreking van de trouw aangaat, zo is het reeds aangewezen, dat die uit het midden van Zijn vereerders zelf zou komen en dat zij allen met elkaar het niet zullen verhinderen; de oorzaak wordt echter nog niet genoemd, het Passivum ("Hij zal overgeleverd worden") werpt er nog een sluier over. De tweede verbreking van trouw wordt beslist aangeduid als een daad van de overpriesters en schriftgeleerden d. i. van het Sanhedrin 2:4) en het volk van God zelf, in zoverre het door dit bestuur verdorven is: de kring van Zijn vereerders zal Hem aan het vijandige Sanhedrin verraden en prijsgeven; het Sanhedrin en het uitverkoren volk zullen Hem aan de heidenen verraden en overleveren. Daarnaar wordt ook de uiterlijke kant van Zijn lijden in twee delen verdeeld: de hoge raad zal Hem richten en veroordelen en wel ter dood veroordelen; de heidenen zullen de manier bepalen, waarop Hij zal gedood worden - bespotting, geseling, kruisiging. In de eerste aankondiging van het lijden van de dood, dat de hogepriester Hem zal bereiden (Hoofdstuk 16:21), ontbreekt nog het dubbele verraad en het kruis; in de tweede (Hoofdstuk 17:22, ) komt de gedachte van het verraad, maar slechts eenvoudig een overgeleverd worden in de handen van de mensen; hier daarentegen heeft zich het verraad tot een tweevoudig verraad gevormd - een dubbel verraad, een verraad van de valse vriend aan de vijanden en een verraad van het uitverkoren volk aan de heidenen komen vreselijk aan het licht. En zo ontvouwt zich ook het beeld van de dood tot een beeld van drievoudige vernietiging: de door bespotting vernietigde (gehouden voor een onmachtige dweper) zou nu ook gegeseld worden; de door geseling vernietigde (gehouden voor een gemene, onmachtige kwaaddoener) zou nu ook gekruisigd worden (gehouden voor een van de grootste misdadigers). Maar op de Messias, die door Zijn volk verraden en verworpen is, zullen al deze elkaar tegensprekende straffen neerkomen.
In de onmiddellijke nabijheid van de stad Jericho lag (daar, evenals bij Jozua 6:1, 2 Koningen 2:19 aangemerkt is, deze zich vroeger tot aan de bron Ain es Sultân in het noorden uitstrekte) de Quarantania-berg 2:16); het is aan zijn voet, dat Christus Zich hier aan de Karavanen van de pelgrims voor het paasfeest wil aansluiten; het is echter weer de woestijn van Quarantania, waar Hij 3 jaar terug (van 7 januari tot 15 februari in 27) 40 dagen en 40 nachten gevast heeft en daarop drie keer door de Duivel verzocht is geworden 4:1). Toen was de duivel van Hem geweken "een tijd lang" (Lukas 4:13); binnen 8 dagen van nu af (in de nacht van 6-7 April) zal hij Hem in een andere gedaante, in plaats van met de schuimende beker van de wellust met de kelk van het lijden in de hand naderen, om Hem weer te verzoeken (Hoofdstuk 26:36, ). Verder herinneren wij daaraan, dat aan de zuidwestelijke kant van deze berg tussen de wand van de klippen en het daarvoor liggende beekdal, dat in de vlakte van Jericho ligt, een weg leidt, die eens Elia, vergezeld door Eliza, van Bethel gegaan is, toen de Heere hem in een onweer in de hemel wilde opnemen (2 Koningen 2:4). Dat is toch een treffende toepassing op de woorden hier: "Op de derde dag zal Hij weer opstaan. " Wij zien hier duidelijk, dat het volstrekt niet onverschillig is, of men het zich bij het lezen van de Heilige Schrift door de historische, archeologische, geografische en chronologische punten, die daarbij in aanmerking komen, duidelijk gemaakt heeft of niet. Het is integendeel, evenals de lijdensgeschiedenis van zichzelf bekent: "Hoe nauwkeuriger ik mij met de tijdrekening bekend maak, hoe aanschouwelijker en levendiger mij de loop van de dingen wordt, zo veel te gemakkelijker moet het verstaan, zo veel te zekerder het echt historische karakter bijbelse boeken worden. " Ten slotte is hier nog aan te merken dat, wanneer Jezus nog niet op deze dag, op 30 maart, naar Jeruzalem kwam, maar pas op 2 april Zijn Koninklijken intocht in de stad hield, terwijl Hij gedeeltelijk bij Zachéüs te Jericho (Lukas 19:1, ) gedeeltelijk te Bethanië (Hoofdstuk 26:6, ) Zijn verblijf hield, toch degenen, die daar in de tempel naar Hem vroegen (Johannes 11:55, ), nog op deze dag een antwoord op hun vraag kregen, door de feestkaravaan, waaraan Hij Zich te Jericho aansloot. Met deze trok de Heere door naar Jericho en verrichtte in hun midden het wonder van de genezing aan de beide blinden (Vers 29, ) en omdat Hij nu ook dadelijk achter Jericho weer omkeerde, om aan het huis van Zachéüs af te stijgen, trok de feestkaravaan verder de 3-4 mijlen tot Jeruzalem en kwam zij daar `s avonds aan.
De Heere noemt Zijn eigen sterven een dood; de dood van de Zijnen noemt Hij een slaap. U hoort het Hem zeggen van het gestorven dochtertje van Jaïrus en van de gestorven Lazarus. Wat weer zal opstaan en wel voor dit leven, dat kan niet eigenlijk gezegd worden gestorven te zijn, maar te slapen. Maar Christus zou ook weer opstaan en nochtans noemt Hij Zijn dood geen slaap. Waarom niet? Omdat Hij de dood in zijn volle kracht, de eigenlijke dood, de dood die de vloek van God en de bezoldiging van de zonde is, zou ondergaan. En nu, wat Christus onderging, dat onderging Hij voor de Zijnen, voor allen die geloven en dat ondergaan zij zelf niet meer; daarom zullen zij, die Christus toebehoren, wel sterven voor de mensen, maar inslapen voor zichzelf en ontwaken voor en bij de Heer. Men zegt wel eens: Men moet door het kruis heenzien. Het kruis moet doorschijnend voor ons worden, zodat wij er de vreugde doorheen zien, want deze ligt achter het kruis; immers welke droefheden ons ook overkomen, ten einde er van is de blijdschap, zoals het einde van ons sterven het eeuwige leven zijn zal.
II. Vers 20-28. Juist nu, nu de Heere met duidelijke woorden Zijn reis naar Jeruzalem als een reis naar het lijden van de dood beschreven heeft, brengen de zonen van Zebedeüs door hun moeder de bede voor Hem, dat Hij hen de eerste plaatsen naast Zijn troon, welks oprichting nu toch niet lang meer duren kon, geven zou. Hij moet hen daarom een andere weg wijzen, dan die zij in hun gedachten volgens de manier van de rijken van deze wereld, alsof het in Zijn rijk ook naar gunst en willekeur ging, die ambten en waardigheden naar goeddunken geeft. Hij moet hen in gemeenschap brengen met Zijn lijden en sterven, wanneer zij eens met Hem heersen en richten willen. Evenals nu de overige discipelen boos werden over die beiden, als hadden zij iets als een roof willen wegnemen, waarop ook zij aanspraak hadden, moet Hij hen de aard en de inrichting van Zijn rijk doen begrijpen, waarin men slechts groot kan worden door te dienen. (Vergel. Markus 10:35-45).
EVANGELIE OP DE DAG VAN ST. JACOBUS: Vers 20-23
Door deze dag moet men de op 25 juli vallende gedenkdag van Jakobus de oudere, de broeder van Johannes, de evangelist 10:4) verstaan. Hij was een zoon van Zebedeus en Salóme, droeg met zijn broer tezamen de naam van Boanerges (zoon van de donder, Markus 3:17) en komt met deze voor in Lukas 9:51, als de vuurijveraar en vaker met Petrus en Johannes als een van de drie meest vertrouwde discipelen van de Heere (Lukas 8:51. Markus 13:3. Mattheus 17:1; 26:37). Later was hij opziener van de gemeente te Jeruzalem en werd in het jaar 44 na Christus door Herodes Agrippa onthoofd (Handelingen 12:1 v. ), zodat hij alle apostelen, als martelaars voor Christus in de dood, voorging; hij is waarschijnlijk die Jakobus, aan wie de verschijning van de opgestane Heer in 1 Corinthiërs 15:7 ten deel werd.