15. En zij, de krijgsknechten, die het geld genomen hadden, deden zoals zij geleerd waren en verspreidden de hen ingegevene leugen onder het volk. En dit woord, dat de discipelen `s nachts waren gekomen en het lijk van Jezus uit het graf hadden gestolen, terwijl zij sliepen, is verbreid bij de ongelovige Joden, die zich tegen de getuigenis van Zijn opstanding verhard hebben, tot op de huidige dag, waarop ik, Mattheüs, dit schrijf en is het nog heden, nu wij, de Christenen van deze tijd, het lezen.
Onder de bewijzen van de machteloosheid van de zonde om de raad van God te verhinderen en eigen schande te dekken, geven wij een eerste plaats aan het schijnbaar arme, maar wezenlijk rijke bericht van het gebeurde met de Romeinse soldaten bij het graf van de Heer.
1) De latere verschijningen van de Opgestane, zolang de discipelen nog te Jeruzalem waren, gaat Mattheüs voorbij en hij verplaatst ons in de volgende afdeling meteen in Galilea. Tussen deze en de volgende afdeling komen niet minder dan 5 verschijningen voor, die wij ons eerst zullen voorstellen, voordat wij onze Evangelist verder lezen.
2) Nog in de loop van de paasdag, waarschijnlijk tegen 3 uur in de middag (ten tijde van het avondoffer), openbaart Jezus Zich aan Simon Petrus (Lukas 24:34, 1 Corinthiërs 15:5). Hij had het meest behoefte aan troost onder alle discipelen. Na zijn val liet hij zich waarschijnlijk Simon noemen en was hij een priester gelijk, die zijn priestergewaad heeft afgelegd, omdat hij het ontwijd heeft, of een officier, die zijn degen heeft afgegeven, omdat hij de militaire waardigheid heeft geschandvlekt; Jezus alleen kon hem de erenaam Petrus teruggeven. Jezus' handelwijze met hem is zonder twijfel verborgen gebleven. Want nadere bijzonderheden worden nergens bericht; zij werkte echter uit dat hij weer onder de discipelen werd opgenomen en in zijn tegenwoordige stemming was dit meer dan genoeg genade voor hem.
3) Ongeveer in diezelfde tijd gaan twee uit de grotere kring discipelen, waarvan de ene Kleopas heet, naar Emmaus. Reeds de oudere schriftuitleggers hebben vermoed dat de andere de Evangelist Lukas zelf geweest is, die in Lukas 24:13-35 (vgl. Mattheus 16:12, 13) het voorval vertelt. De Opgestane komt bij hen en openbaart Zich daarna bij het avondeten; zij gaan vol vreugde nog op die avond naar Jeruzalem terug, waar zij ongeveer om 8 uur bij de apostelen aankomen en bij degenen, die bij hen zijn. Hier vernemen zij het bericht van de verschijning, die Simon Petrus gedurende hun afwezigheid had, waarop zij hun eigen ondervinding berichten.
4) Terwijl men in deze kring van apostelen en discipelen over Hem spreekt, treedt Jezus midden onder de Zijnen, overtuigt ze na Zijn groet van Zijn lichamelijke verschijning, deelt hen de gave mee van Zijn Heilige Geest (de kracht daarvan werd hun pas op Pinksteren ten deel) en met deze gave de macht om op aarde de zonden te vergeven, zoals Hij zelf die bezeten heeft (Lukas 24:36-43. Johannes 20:19-23). Hierbij was echter Thomas niet tegenwoordig. De discipelen nu, nadat met de daarop volgende donderdag (21 nisan = 13 april) het Joodse Pasen ten einde was, keren niet dadelijk van Jeruzalem naar Galilea terug. Zij willen de dag van de herinnering aan hetgeen acht dagen geleden gebeurd was, nog op de schouwplaats van deze grote gebeurtenissen zelf met elkaar doorbrengen en aan de andere kant zal het door Christus' Geest geleide gevoel hen hebben gezegd dat zij nog niet geheel gereed waren om terug te keren, terwijl nog één onder hen, Thomas, tevoren tot het geloof bekeerd moest worden.
5) Op zondag 16 april (24 nisan), die in het jaar 1871 nauwkeurig overeenkwam met de zondag Quasimodogeniti, heeft de verschijning plaats, die ook Thomas tot het geloof brengt (Johannes 20:24, ). Nu pas gaan de discipelen van Jeruzalem naar Galilea en voldoen daardoor aan het bevel van de engel aan de vrouwen in Vers 7 en aan de aanwijzing van de Heere aan Maria Magdalena in Vers 10; zij keren terug tot hun bezigheid en dit geeft aanleiding, dat
6) Jezus aan zeven van Zijn discipelen, waarvan Simon Petrus, Thomas, Nathanaël en de beide zonen van Zebedeüs met name genoemd worden, aan de zee van Tiberias verschijnt. Daar verkondigt Hij aan Petrus zijn marteldood, aan Johannes een zacht heengaan (Johannes 21:1 vv. ). Wat Hij met de beiden, die Hem na de maaltijd in de eenzaamheid volgen nog verder heeft gedaan, wordt niet verteld. Men kan echter denken dat Hij door hen de grote verzameling bestelde, waarvan wij in de volgende afdeling lezen en daar ook als plaats voor deze verzameling de berg bestemde, waarvann in Vers 16 sprake is. Evenzo is over de dag zowel van de zo-even genoemde zesde als van de later volgende zevende verschijning nergens een aanwijzing gegeven. Wij zullen echter wel niet mistasten, wanneer wij de beide aondagen, waarvan de ene in het jaar 30 na Christus op de 23ste (Misericordias Domini) en de andere op 30 april (Jubilate) viel, daarvoor aannemen - op de 2de en 3de zondag na pasen (zie Johannes 10:12, ; 16:16, ) was een gepaste stof voor de prediking, eerst de verschijning aan het meer Genesareth (Johannes 21:1, ) en dan de verschijning op de berg (Mattheus 28:16 vv. ). Terwijl wij op de beide genoemde zondagen die twee verschijningen konden behandelen, zouden de verschijning aan Jakobus en de laatste openbaring in Jeruzalem (zie het chronologisch overzicht bij Hoofdstuk 20:19 voor de beide zondagen op 7, 14 mei (Cantate en Rogate) geschikt zijn. Dit was niet zonder reden, omdat toch de zondag zeer snel het bewustzijn van de Christelijke gemeente als "dag van de Heere" verkreeg (Handelingen 20:7. 1 Kor. 16:1 v. Openbaring 1:10), zodat hij ten slotte geheel in de plaats van de Oud Testamentische sabbat kwam en het gebod in Exodus 20:8, zonder bedenking daarop kan worden overgebracht. Het feit, dat Christus op een zondag is opgestaan, is niet toereikend om het recht van de kerk te verklaren, dat zij in de plaats van de door God geheiligde en gezegende sabbatdag, voor welke inzetting wij een bepaald schriftwoord hebben, de eerste dag van de week heeft gesteld. De andere reden die men opgeeft, dat ook op een zondag de ter rechterhand van God verhoogde Christus Zijn Geest over de discipelen uitgestort en de kerk gesticht heeft, de Christelijke kerk dus op die dag als het ware haar geboortedag viert, rust op een chronologische dwaling, de eerste pinksterdag viel integendeel op een zaterdag (27 mei). Door de laatste gebeurtenis zou de eerste weer van kracht beroofd zijn; het zou als een bewijs kunnen gelden dat de kerk geen recht had gehad van de Oud-Testamentische sabbatdag af te zien, wanneer zij het Oud-Testamentische sabbatgebod wilde vasthouden. Men weet inderdaad niet goed wat gegronds men er tegenin kan brengen, wanneer de dwepende pruikenmaker Johannes Tennhardt te Neurenberg (overl. 1720) in zijn tijd de Christelijke zondag de nazondag noemde en het verplaatsen van de dag van de Heere voor een hoofdmisdaad van de kerk verklaarde. Zo heeft ook in het jaar 1850 de beantwoorder van een prijsvraag over de Christelijke zondagviering proberen te bewijzen dat alle onheil in de kerk voortkwam van het verplaatsen van de sabbat op zondag. Men heeft het tot hiertoe eigenlijk niet verder gebracht dan dat men zegt: "De woorden: u zult de feestdag heiligen, zijn voor ons een kerkelijk gebod, d. i. een instelling, die de Christelijke gemeente zichzelf gegeven heeft, maar gegeven ten gevolge van haar innigste behoefte. " Die stelling is moeilijk vast te houden tegenover de zo moeilijke vraag: waarop rust de verplichting om de zondag heilig te houden? Waarmee kan ik hem, die deze niet eert, bewijzen dat hij zondigt? Wanneer het Oud-Testamentische gebod daarop niet mag worden toegepast, een Nieuw-Testamentisch niet bestaat, waarmee wil men dan die verplichting handhaven? Wij moeten - het is duidelijk - de zaak anders aanvatten en dan hebben wij reeds bij Hoofdstuk 12:8 gezien, hoe de Heere een verandering van de Joodse sabbatdag in de Christelijke zondag heeft aangegeven: het gebod van de viering zelf behoudt Hij, want Hij is niet gekomen om te ontbinden maar om te vervullen. Over de bepaling van de dag is Hij echter Meester, omdat de Vader Hem macht heeft gegeven over alle vlees. Nu heeft de Vader tevoren de nieuwe dag bepaald, omdat Hij op Zondag de Zoon des mensen op de derde dag heeft opgewekt. Nadat echter deze, de Zoon des mensen krachtig bewezen is te zijn de Zoon van God naar de Geest, van de heiligmaking, heeft Hij de Zondag geheiligd en gezegend daardoor, dat Hij in de loop van 40 dagen tot Zijn hemelvaart altijd juist op die dag Zich onder Zijn discipelen openbaarde en met hen sprak van het rijk van God. Dit deed hij op geen andere dag dan op een zondag. Zo vaak een zondag kwam, trad Hij ook geheel uit Zijn verborgen leven te voorschijn en openbaarde Hij Zich levend aan de Zijnen. Hoe diep het bewustzijn hiervan in de kerk leefde blijkt daaruit, dat men in de oudste Christelijke tijd ook de terugkomst van de Heere op een zondag verwachtte. Hoe weinig reden men heeft om onze voorstelling over het dateren van de bijzondere verschijningen van de Herrezene te betwijfelen, blijkt daaruit dat Hij, die zegt: "Ik ben dood geweest en zie Ik ben levend in alle eeuwigheid", aan Johannes juist op een zondag verschijnt en Hem de openbaring geeft, om aan Zijn knechten te tonen wat snel gebeuren zal. Men zal zich echter nog beter overtuigen dat inderdaad de verschijningen van de Opgestane alleen op de zondag pasten, voor die dag ten minste enigermate een uitwendige noodzakelijkheid waren, wanneer wij ons duidelijk hebben gemaakt, wat dit vertonen, zoals het in Handelingen 1:3 genoemd wordt, eigenlijk betekent.
Over de natuur van het opstandingslichaam van Jezus schijnen de Evangelische berichten, zoals zij voor ons liggen, twee juist tegenover elkaar gestelde voorstellingen aan de hand te geven. Nu eens laat de Opgestane Zich betasten en aanraken, eet en drinkt en dat geeft de gedachte dat Hij door de opstanding in hetzelfde lichamelijke leven is teruggekeerd, dat de dood Hem aan het kruis ontnam. Dan weer komt Zijn lichamelijkheid voor als een bovennatuurlijke, niet gebonden aan de perken van ruimte. Hij treedt onder Zijn discipelen met gesloten deuren, is opeens daar, zonder dat men Hem heeft zien komen en verdwijnt even plotseling weer, zonder dat men weet waar Hij is heengegaan en dit dringt tot het besluit, dat Hij een ander, hoger leven is ingegaan, waaruit Hij slechts in voorbijgaande verschijningen Zich aan de Zijnen openbaarde. Gewoonlijk probeert men deze schijnbare tegenspraak daaruit te verklaren, dat de Opgestane Zich gedurende de 40 dagen tot Zijn hemelvaart in de toestand van overgang, op de grenzen van twee werelden bevonden heeft en die ten gevolge gelijktijdig het beeld van die beide werelden, zowel dat van de aardse als dat van de hemelse wereld, in Zich heeft gedragen. Maar tegen deze opvatting, als had het lichaam van Jezus Zich gedurende die periode in een proces bevonden van toenemende verheerlijking of verandering, in een proces dat op paasmorgen begon en op de dag van de hemelvaart werd voleindigd, spreekt reeds Zijn eigen woord in Lukas 24:26 : "Moest niet de Christus al deze dingen lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan?" Dit woord sluit elke tussentoestand uit en stelt de overgang uit de staat van lijden in die van de heerlijkheid voor als een plotselinge. Wanneer Paulus in 1 Corinthiërs 15:51, de verandering van degenen, die bij de terugkomst van de Heere nog op aarde en in hun lichamen zijn, als zaak van een ogenblik, als iets zeer plotselings beschrijft; wanneer dat ook waar is van hen die tevoren (1 Thessalonicenzen 4:1; ;, ) uit de staat van de dood zijn opgewekt, zodat deze meteen uit de graven tevoorschijn treden met de nieuwe lichamen, zoals die voor het rijk van de heerlijkheid passen - hoe komt men er dan toe om bij Christus, die toch de Eerstgeborene uit de dood is en wiens beeld zij dragen, die de toekomstige opstanding deelachtig worden, een langzamerhand verheerlijkt worden van Zijn lichaam te veronderstellen? Nee, aan Hem, die in alle dingen moest voorgaan (Colossenzen 1:18) moest eerst die verandering gebeuren, die de Apostel bedoelt, als hij schrijft: "Dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. " Reeds bij Zijn uitgaan uit het graf moest Hij aangedaan zijn met dat lichaam, waarin Hij later ten hemel is gevaren en Zich geplaatst heeft ter rechterhand van God. Daar moest Hij een geheel anders georganiseerd lichaam meebrengen, dan zij vroeger aan Hem hadden bevonden. Het "in gedaante gevonden als een mens" gold gedurende de uren van de aardse dag van de Heere; ook het "huis van Zijn tabernakel (2 Corinthiërs 5:1). Hij had honger en Hij at, Hij had dorst en Hij dronk, Hij werd slaperig en sliep, Hij werd moe en Hij rustte uit. Hij had dus gedurende die tijd dat stoffelijk lichaam, dat Paulus met de uitdrukking "ons aardse huis" bestempelt. In die 40 dagen komt ons daarentegen een ander beeld voor. Men ziet Hem niet komen, maar verschijnen; men ziet Hem niet gaan, maar verdwijnen. Zijn lichaam is aan de fysische wetten en perken op geen enkele manier meer onderworpen. Niet daarvoor is Hij uit de dood levend geworden, om een door de dood slechts afgebroken leven weer op te nemen en voort te zetten, zoals dit het geval was bij hen, die Hij in de dagen van Zijn vleeswording uit de dood had opgewekt. Integendeel, nadat het twaalfde uur voor Hem was geslagen, nadat Hij Zijn aards leven had geëindigd, heeft Hij de opstanding, die beter is dan de zuiver herstelling van het vorige leven (Hebreeën 11:35), verkregen en een lichaam ontvangen, zoals dit de kinderen van de opstanding eigen is, die niet weer tot een later sterven bestemd zijn, die niet sterven kunnen (Lukas 20:36). Wanneer de herrezen Christus daarom meteen een verheerlijkt, hemels, een geheel geestelijk lichaam had, dat volgens zijn wezen onzichtbaar was, aan geen bepaalde plaats gebonden en zonder behoefte aan aards voedsel, hoe komt het dan dat Hij toch gezien en Zijn stem gehoord wordt, dat Hij Zich laat betasten en zelf de discipelen daarop opmerkzaam maakt, dat Hij vlees en been heeft, dat Hij hen op de tekenen van Zijn worden wijst, als hadden zich deze in een snel proces van natuurlijke genezing gesloten, dat Hij met hen wandelt en voor hun ogen spijs geniet? Dat alles toch zijn eigenschappen en werkzaamheden van een materiëel, zinnelijk, aards leven. Zo'n lichaam heeft echter de herrezene en in het hemelse verplaatste, zoals wij tevoren beweerd hebben, niet meer gehad: hoe is deze openbare tegenspraak op te lossen? Die tegenspraak verdwijnt meteen en wordt vanzelf opgeheven, wanneer wij aan het geestelijke en verheerlijkte leven van de Heere de macht toekennen om terug te treden op de lagere trap, die het vroeger heeft ingenomen, zodra Hij openbaar zou worden, Zich dus zichtbaar, hoorbaar en tastbaar te maken, vlees en been aan Zich te dragen en voedsel tot Zich te nemen. Een man, die sinds lang heeft afgelegd wat van een kind was, kan toch zich wel in liefde en nederbuigen begeven in de voorstellingen en begrippen van een kind en wel zo geheel, als was hij nog een kind. Hoe zou de Heiland, die reeds tot Zijn heerlijkheid was ingegaan, niet tot diezelfde toestand hebben kunnen neerdalen, die Hij moest innemen, zouden de discipelen Hem terugzien, zoals Hij hen beloofd had (Johannes 16:16)? Zien moesten zij Hem toch, om van Zijn opstanding overtuigd te worden; zij moesten met Hem eten en drinken, nadat Hij van de dood was opgestaan (Handelingen 10:41); hun handen moesten Hem betasten (1 Johannes 1:1), wanneer zij getuigen van Zijn opstanding voor de wereld zouden worden. Hij moest in Zijn eigen gedaante voor hun ogen heengaan, hen met de hen bekende stem aanspreken, Zich hen ter betasting aanbieden en voor hen voedsel tot Zich nemen - dat is een neerdalen tot menselijke behoeften, evenals wanneer engelen in Abrahams tent ingaan en zich laten onthalen (Genesis 18). Toch is dit weer in zoverre daarvan onderscheiden, als de Herrezene niet slechts zo'n lichaam aan de discipelen toont zoals mensen hebben, een lichaam, waardoor men kan opstaan en wandelen, zich kan neerzetten en eten, maar Hij laat hen juist hetzelfde lichaam aanschouwen, waarin zij Hem vroeger hebben gezien en dat de doorboring van de handen en de voeten en de steek met de lans heeft ondergaan, zodat Hij tot hen kan zeggen: "Ik hen het zelf" (Lukas 24:39). Hij neemt niet, zoals men de zaak wel heeft opgevat, Zijn reeds afgelegd lichaam tot het bepaalde doel van de verschijning voor enkele korte tijden op voorbijgaande manier aan, om het daarna meteen weer af te leggen - wat was er dan van dit reeds afgelegde lichaam ten slotte geworden, toen met de dag van de opname in de hemel de tijd ten einde was dat de Herrezene Zich aan de Zijnen levend vertoonde? Zou de ten hemel varende hen iets laten vallen, zoals Elia zijn mantel, toen de Heere hem in een onweer naar de hemel haalde? - Hij hecht integendeel alles aan het begrip van verschijning: Jezus treedt daarin in en treedt daaruit ook weer terug. Zijn lichaam is steeds slechts een en hetzelfde lichaam, dat verschijnt en hetzelfde, dat in het onzichtbare terugtreedt; maar dit een lichaam komt overeen met de wet van de verschijning, zodra de Heere bedoelt om Zich aan de Zijnen bekend te maken en houdt op zichtbaar en tastbaar te zijn, zodra de Heere Zich weer in Zijn heerlijkheid terugtrekt. Daarom kan men bijvoorbeeld bij de verschijningen in Lukas 24:15 en Johannes 20:19 eigenlijk niet zeggen, dat Jezus langzamerhand tot de discipelen is gekomen, of dat Hij door de deuren tot hen gekomen is; Hij was integendeel hen meteen nabij, zoals Hij hen de hele tijd van de 40 dagen voortdurend nabij gebleven is en de plaats van hun verblijf ook de Zijne was, want omwille van hen heeft Hij nog zo lang op aarde vertoefd. Dit nabij zijn is echter gewoonlijk verborgen achter het dichte voorhangsel van Zijn hoger, onstoffelijk wezen. Pas met de ogenblikkelijke verschijning wordt het voorhangsel in de hoogte getrokken. Jezus geeft Zich aan Zijn materiële lichamelijkheid terug en wordt zo opeens zichtbaar, hoorbaar en tastbaar, totdat Hij dan net zo plotseling uit de ogen verdwijnt, omdat nu het voorhangsel voor de ogen valt. Volgens het hierboven opgemerkte hebben de bijzondere verschijningen steeds op een zondag en wel alleen daarop plaats gehad. Dat heeft zijn betekenis voor alle tijden van de kerk en geeft aan de zondag zijn eigenaardig karakter, dat hem onderscheidt van de dagen van de week, dat hem tot rustdag voor de Nieuwtestamentische gemeente verheft en hem tot de geheiligde en gezegende dag van de Heere maakt. "Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding van de wereld", zegt de Heere bij die verschijning op de berg in Galilea aan meer dan 500 discipelen (1 Corinthiërs 15:6). Wat echter op gewone dagen omsluierd, hoewel zeker aanwezig is, dat wordt op zondag, hoewel niet zichtbaar meer, toch duidelijk openbaar en alleen hij, die deze tastbare levensbetoning van de ter rechterhand van God verhoogde Mensenzoon aan zijn hart heeft ervaren, voor die is ook Zijn bestendige tegenwoordigheid in het dagelijks leven gewaarborgd. Bij Zijn hemelvaart, om dit hier tegelijk te zeggen, verschijnt de Heere aan de discipelen voor de laatste maal. Ook daar is het, zoals het begrip van de verschijning dit eist, een stoffelijk lichaam, waarin Hij met de discipelen verkeert. Zij moeten Hem juist zo ten hemel zien varen als zij Hem gezien hebben, opgestaan uit de dood en zij moeten bij ervaring weten, waarheen Hij van hen is gegaan. Slechts een stoffelijk wezen kan zich de mens voorstellen en het voorwerp moet overeen komen met de organen van de waarneming en daarom is het een voortgaande en zichtbare verheffing, die in de hemelvaart plaats heeft een verheffing, die de Heere door de wonderkracht van Zijn wil bewerkt. Evenals Hij eens op het water wandelde (Hoofdstuk 14:25, ), verheft Hij Zich in de lucht. Zodra het ogenblik van de verschijning voorbij is, zodra Hij aan de blikken van de discipelen is onttrokken, houdt het begrip van beweging volgens de wetten van ruimte vanzelf op; de Heere is met Zijn geestelijk lichaam onmiddellijk reeds aan het doel - aan een etherisch lichaam, dat niet onderworpen is aan de wet van de zwaarte en de Herrezene geschikt zou hebben gemaakt om Zich in de lucht op te heffen, is hier zeker niet te denken. Van de hemelvaart af is Hij vervolgens, wanneer wij van het bijzondere geval met Paulus (Handelingen 9:3 vv. ; 26:13, 1 Corinthiërs 15:8) afzien, waar evenees van een zichtbare, feitelijke openbaring van de Herrezene gesproken wordt, omdat het daar te doen is om een roeping tot het apostelambt, die alleen onmiddellijk van Hem kon uitgaan, slechts een visionair aanschouwen, wat nog in het Nieuwe Testament voorkomt, slechts een zien in de geest en alleen een aanschouwen van de verheerlijkte Christus (Handelingen 7:55. Openbaring 1:10, ). Pas aan het einde van de tijd, zal Hij, wiens leven nu verborgen is in God, uit Zijn onzichtbaarheid te voorschijn treden, Zich dus weer in een zichtbaar lichaam vertonen en dan ook de kentekenen van Zijn lijden aan Zich dragen (Handelingen 1:11. Openbaring 1:7).
II. Vers 16-20. Het wederzien in Galilea, dat de Opgestane aan de ruimere kring van Zijn discipelen reeds op de eerste paasmorgen had laten aanzeggen (Vers 7, 10), was gedurende de daarop volgende drie weken nu zover voorbereid, dat op de derde Zondag na Pasen ten slotte de gewenste uur kwam. In deze zou Hij Zich aan allen, die in de hoop van dit wederzien naar Galilea waren gegaan, in een grote vergadering op een berg openbaren. Deze openbaring, die onder de verschijningen van de Heere de zevende plaats inneemt, wordt overigens door geen andere Evangelist bericht. Voor Mattheüs was zij volgens het gezichtspunt dat hij bij de vervaardiging van zijn Evangelie had, van zo'n groot gewicht en zo'n grote betekenis, dat hij de overige verschijningen of slechts als nevenzaken behandelt, of geheel en al voorbij gaat, maar deze met bijzondere nauwkeurigheid beschrijft. In het bijzonder deelt hij nauwkeurig mee het beslissende woord van Christus, waardoor Hij Zijn gemeente van de Joodse volkskerk afscheidt en een nieuw sacrament ter inwijding instelt; daarmee besluit hij zijn Evangelie.