Mattheus 16:1-4
Wij hebben hier Christus' gesprek met de Farizeeën en Sadduceeën, mensen, die onder elkaar onenig waren, gelijk blijkt uit Handelingen 23:7, 8, maar toch eensgezind waren in hun' tegenstand tegen Christus, omdat Zijne leer zowel de dwalingen en ketterijen omverwierp van de Sadduceeën, die het bestaan ontkenden van geesten en van een toekomenden staat, als den hoogmoed, de tirannie en geveinsdheid veroordeelde der Farizeeën, die de grote voorstanders waren van de overleveringen der ouden. Christus en het Christendom worden van alle zijden tegengestaan. Wij hebben hier te letten op
I. Hun eis, en de bedoeling, die zij er mede hadden:
1. Hun eis was een teken van den hemel, zij begeerden, dat Hij hun dit zou tonen, voorgevende, dat zij zeer gaarne overtuigd wilden worden- terwijl dit er in werkelijkheid verre vandaan was, daar zij slechts naar voorwendsels zochten, om in hun ongeloof te volharden. Wat zij zeiden te begeren was, Een ander teken dan zij reeds gezien hadden. Zij hadden ene grote menigte van tekenen gezien, ieder wonder, door Christus gewrocht, was een teken, want niemand kan de tekenen doen, die Hij deed, zo God met hem niet is. Maar dit is hun niet genoeg, zij moeten een teken hebben naar hun eigene keuze, zij verachtten de tekenen, die den nood verlichten van de kranken en bedroefden, en bleven aandringen op een teken, dat aan de nieuwsgierigheid der hovaardigen voldeed. Het is voegzaam, dat de blijken der Goddelijke openbaring gekozen worden door de wijsheid van God, niet door de dwaasheid en de grillen van mensen. Het teken, dat gegeven wordt, is volkomen genoeg voor een onbevooroordeeld verstand, maar niet bestemd om ene ijdele luim te bevredigen. En het is een blijk van de bedrieglijkheid van het hart, als men denkt, dat middelen en voorrechten, die wij niet hebben, wel ene goede uitwerking bij ons zouden teweegbrengen, terwijl wij die, welke wij hebben, veronachtzamen. Indien wij Mozes en de profeten niet horen, dan zou er geen invloed ten goede op ons geoefend worden, al ware het ook, dat iemand van de doden opstond. Het moet een teken wezen van den hemel. Zij wilden ten bewijze Zijner zending wonderen hebben, zoals er bij de wetgeving op Sinaï plaats hadden, donderslagen en bliksemen, en de stem der woorden, waren het teken van den hemel, dat zij verlangden, terwijl toch die tekenen der verschrikking niet in overeenstemming waren met de geestelijke en troostvolle bedeling des Evangelies. Het woord komt nu meer nabij ons, Romeinen 10:8, en dus ook de wonderen, en zij verplichten ons niet, om op zulk een afstand te blijven, als dezen, Hebreeën 12:18.
2. De bedoeling er mede was Hem te verzoeken, niet door Hem te worden onderwezen, maar Hem te verstrikken. Indien Hij hun een teken van den hemel toonde, zij zouden het toeschrijven aan een verbond met den overste van de macht der lucht, indien Hij, gelijk zij wel veronderstelden, het niet deed, dan zouden zij dit als reden kunnen opgeven waarom zij niet in Hem geloofden. Thans verzochten zij Christus, gelijk Israël Hem heeft verzocht, 1 Corinthiërs 10:9. En let nu op hun boze verdorvenheid: toen zij tekenen van den hemel ontvingen, verzochten zij Christus, zeggende: "Zou God ene tafel kunnen toerichten in de woestijn?" Nu Hij hun ene tafel had toegericht in de woestijn, verzochten zij Hem, zeggende: Kan Hij ons een teken van den hemel tonen?
II. Christus' antwoord op dien eis, opdat zij in hun ogen niet wijs zouden zijn, antwoordt Hij deze zotten naar hun dwaasheid, Prediker 26:5. In Zijn antwoord. 1. Veroordeelt Hij hun voorbijzien van de tekenen, die zij hadden, vers, 2, 3. Zij zochten naar de tekenen van het koninkrijk Gods, terwijl dit koninkrijk reeds onder hen was. De Heere was aan deze plaats, en zij hebben het niet geweten. Aldus hebben hun ongelovige voorouders, toen de wonderen hun dagelijks brood waren, gevraagd: "Is de Heere in het midden van ons of niet?" Om dit nu duidelijk te doen uitkomen wijst Hij hen op hun bekwaamheid en schranderheid in andere dingen, inzonderheid in hun kennen van de tekenen met betrekking tot het weer. Gij weet, dat als de hemel des avonds rood is, dit een teken is van fraai weer, terwijl een rode hemel des morgens op vuil weer duidt. Uit waarneming en ervaring zijn algemene regels af te leiden, waarnaar men gemakkelijk kan voorspellen welk weer er waarschijnlijk komen zal. Als tweede oorzaken beginnen te werken, kunnen wij gemakkelijk raden wat er de uitkomst van zal zijn, zo eenvormig is de natuur in hare bewegingen, en zo zeer blijft zij zich gelijk. Wij hebben de wetenschap niet van de overwegingen der dikke wolken, Job 37:16, maar wij kunnen wel iets bespeuren en leren van haar aanzien of voorkomen. Dit strekt echter geenszins tot aanmoediging of verdediging van de dwaze voorzeggingen betreffende het weer lang te voren, van hen, die den hemel waarzeggen, die in de sterren kijken, die naar de nieuwe manen voorzeggen, Jesaja 47:13. waarmee zwakke en dwaze lieden zich laten bedriegen. Over het algemeen zijn wij er zeker van, dat zaaiing en oogst, koude en hitte, niet zullen ophouden. Maar wat de bijzonderheden betreft, voordat wij door barometers de onmiddellijke tekenen en voorboden bespeuren van weersverandering, komt het ons niet toe de tijden en gelegenheden te weten. Het zij ons dan genoeg, dat het weer zal wezen zoals het Gode belieft, en wat Gode belieft, moet ons niet mishagen. Hun dwaasheid en domheid ten opzichte van de belangen hunner ziel: "Kunt gij de tekenen der tijden niet onderscheiden?" Ziet gij niet, dat de Messias gekomen is? De scepter was van Juda geweken, Daniël's weken waren juist afgelopen, en toch gaven zij daar geen acht op. De wonderen door Christus gewrocht, en het vergaderen des volks tot Hem, waren duidelijke vingerwijzingen, dat het koninkrijk der hemelen nabij was gekomen, en dat dit de dag hunner bezoeking was. Merk nu op: Ten eerste, dat er tekenen der tijden zijn, door welke wijze en oprechte mensen in staat zijn voorspellingen te doen op zedelijk gebied, en in zoverre de handelingen van Gods voorzienigheid leren verstaan, om er hun maatregelen naar te nemen en te weten, wat Israël behoort te doen. Ten tweede, dat vele mensen bekwaam genoeg zijn in andere dingen, maar op de goede gelegenheden, die hun geboden worden, niet kunnen of willen letten, geen acht er op geven, dat weer en wind hun gunstig zijn, Jeremia 8:7, Jesaja 1:3. Ten derde, dat het ene grote geveinsdheid is, als wij op de tekenen, die God geeft, geen acht slaan, maar uitzien naar tekenen van onze eigene vinding.
Voorziet gij niet, dat het verderf over u komen zal, omdat gij Hem verwerpt? Gij wilt het Evangelie des vredes niet aannemen, kunt gij dan niet duidelijk bemerken, dat gij u hiermede een onvermijdelijk verderf berokkent? Het is het bederf van zeer velen, dat zij niet bespeuren wat het einde zal wezen van hun Christusverwerping.
2. Hij weigert hun enig ander teken te geven, vers 4, gelijk Hij dit ook te voren en in dezelfde bewoordingen had geweigerd, Hoofdstuk 12:39. Zij, die volharden in dezelfde ongerechtigheid, moeten dezelfde bestraffing verwachten. Hier, gelijk dáár, noemt Hij hen een overspelig geslacht, omdat, terwijl zij zich als de ware kerk en bruid Gods voordeden, zij trouwelooslijk van Hem afweken, en hun verbond met Hem verbraken. De Farizeeën waren een geslacht, dat rein in zijne ogen is, den weg hebbende ener overspelige vrouw, die zegt gene ongerechtigheid te hebben gewrocht, Prediker 30:12, 20. Hij weigert aan hun begeerte te voldoen. Christus wil niet, dat men Hem de wet voorschrijft, wij bidden en ontvangen niet, omdat wij kwalijk bidden. Hij verwijst hen naar het teken van Jonas, den profeet, dat hun nog gegeven zal worden, Zijne opstanding van de doden, en Zijne prediking aan de Heidenen door de apostelen, deze tekenen werden bewaard als de laatste en grootste blijken en bewijzen van Zijne Goddelijke zending. Hoewel de grillen der hovaardigen niet ingewilligd zullen worden, zal toch het geloof der ootmoedigen worden ondersteund, en het ongeloof van hen, die omkomen, zonder verontschuldiging blijven, en alle mond gestopt worden. Die rede werd plotseling afgebroken, hen verlatende, ging Hij weg. Christus zal niet lang verwijlen bij hen, die Hem verzoeken. Hij trekt zich rechtvaardiglijk terug van hen, die met Hem willen twisten. Hij verliet hen als onherstelbare verlorenen, Laat hen varen. Hij liet hen over aan hen zelven, liet hen in de handen van hun eigene raadslagen, liet hen over aan het goeddunken van hun eigen hart.