Lukas 22:21-38
Wij hebben hier Christus' gesprek met Zijne discipelen na het avondmaal, waarvan veel hier nieuw is, en in Johannes' Evangelie zullen wij nog andere bijvoegingen vinden. Wij behoren een voorbeeld aan Hem te nemen om ons gezin en onze vrienden met zulk een gesprek aan tafel te onderhouden en te stichten, als goed en nuttig is tot stichting, hetgeen tot genade kan strekken van de hoorders, maar inzonderheid als wij aan de tafel des Heeren zijn geweest, opdat wij door onze Christelijke gesprekken elkaar in een goede gemoedsstemming houden. De zaken, waarover Christus hier sprak, waren van groot gewicht, en betroffen de omstandigheden van het ogenblik.
I. Hij sprak met hen over hem, die Hem zou verraden, en onder hen tegenwoordig was.
1. Hij geeft hun te kennen, dat de verrader zich nu in hun midden bevond, dat hij een hunner was, vers 21. Door dit na de instelling van des Heeren Avondmaal te plaatsen, hoewel het in Mattheus en Markus er voor geplaatst is, schijnt het duidelijk, dat Judas het Avondmaal des Heeren heeft ontvangen, van dat brood gegeten en van dien beker gedronken heeft, want, nadat de plechtigheid voorbij was, zei Christus: Ziet, de hand desgenen, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel. Er zijn de zodanige geweest, die met Christus brood hebben gegeten. en Hem toch hebben verraden.
2. Hij voorzegt dat het verraad ten uitvoer zal worden gebracht, en het beoogde gevolg zal hebben, vers 22 :De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk besloten is, gaat heen naar de plaats, waar Hij verraden en overgeleverd zal worden, want Hij is door den raad en de voorkennis van God overgeleverd, anders zou Judas Hem niet kunnen overleveren. Christus werd niet heen gedreven naar Zijn lijden, maar is er blijmoedig heengegaan. Hij zei: Zie, Ik kom.
3. Hij dreigt den verrader: wee dien mens, door welken Hij verraden wordt. Noch het geduld der heiligen onder hun lijden, noch de raad Gods betreffende hun lijden, zal een verontschuldiging kunnen zijn voor hen, die de hand hebben in dat lijden, of die hen vervolgen. Hoewel God had bepaald dat Christus verraden zou worden, en Hij zelf er zich blijmoedig aan heeft onderworpen, is Judas' zonde of straf er toch niet minder om.
4. Hij verschrikt de overige discipelen, zodat zij zich zelven verdenken, door te zeggen dat het een hunner zal zijn, zonder hem echter te noemen, vers 23. Zij begonnen onder elkaar te vragen, zich zelven te ondervragen, zich zelven de vraag voor te houden, wie van hen het toch mocht zijn, die dat doen zou, die zich zo laaghartig zou betonen jegens zo goed een Meester. De vraag was niet: "Zijt gij het?" of "Is het die en die?" maar: Ben ik het?
II. Betreffende den strijd onder hen om den voorrang of de oppermacht.
1. Zie waarover de twist liep. Wie van hen scheen de meeste te zijn. Zodanige en zo herhaalde twisting onder de discipelen betreffende waardigheid en macht, voordat de Geest over hen was uitgestort, was een droevig voorteken van dezelfden strijd om en liefde tot oppermacht in de kerken, nadat de Geest wegens hun zonde van hen geweken zou zijn. Hoe onbestaanbaar is dit met hetgeen in het vorige vers staat. Zij onderzochten en vroegen wie de verrader zou zijn, en hier vragen zij wie de vorst of gebieder zal zijn. Kon zulk een voorbeeld van ootmoed, en zulk een voorbeeld van hoogmoed en ijdelheid, in dezelfde mensen gevonden worden, en dat wel op schier hetzelfde ogenblik? Dat is als zoet en bitter water, dat terzelfder tijd uit dezelfde bron voortkomt. Hoe is toch het bedrieglijke hart des mensen in tegenspraak met zich zelven!
2. Zie wat Christus zegt tot deze twisting. Hij heeft hen niet, gelijk te verwachten zou zijn, scherpelijk bestraft (Hij had hen om dezelfde zaak reeds zo dikwijls bestraft) maar op zachtmoedige wijze heeft Hij er hun de zonde en dwaasheid van aangetoond.
a. Het was zich gelijk te stellen met de koningen der volken, die op wereldse pracht en wereldse macht gesteld zijn, vers 25. Zij heersen over hun onderdanen, en zijn er steeds op uit om ook heerschappij te voeren over de vorsten, die in hun nabijheid wonen, hoewel zij even goed zijn als zij, als zij hen slechts minder sterk of machtig geloven. Het oefenen van heerschappij betaamt meer aan de koningen der volken, dan aan de dienstknechten van Christus. Doch merk op: zij, die deze heerschappij uitoefenen, de macht over hen hebben, het op zich nemen om den scepter te voeren en wetten uit te vaardigen, worden weldadige heren genoemd.
Euergetas, weldoeners, zij noemen zich zelven aldus, en hun vleiers noemen hen zo, en ook zij, die er zich toe zetten om hun eigen belang te dienen. Er wordt beweerd dat zij weldoeners geweest zijn, en dat zij deswege tot heerschappij voeren toegelaten zullen worden, ja dat zij, door heerschappij te oefenen, weldoeners zijn. Hoe zij ook zich zelven dienen, zij willen geacht worden hun land te dienen. Een der Ptolomei werd toegenaamd Euergetes, De Weldoener. Door dit nu op te merken geeft onze Heiland te kennen: a. Dat goed te doen veel meer eervol is dan een groot aanzien te hebben, want deze vorsten, die de schrik waren van de machtigen, wilden niet aldus genoemd worden, veel liever wilden zij de weldoeners der nooddruftigen heten, zodat naar hun eigen bekentenis, een weldoener van zijn land veel meer gewaardeerd wordt dan een heerser van zijn land, b. Dat goed te doen het zekerste middel is om groot te wezen, want anders zouden zij, die er naar streven om heersers te zijn, zich niet zoveel zorg en moeite geven om weldoeners genoemd te worden. Nu wilde Hij dat Zijne discipelen zouden geloven, dat het hun grootste eer zou zijn, om al het goed in de wereld te doen, dat zij kunnen. Zij zullen in waarheid weldoeners zijn van de wereld, door er het Evangelie te brengen. Laat hen zich naar dien titel waarderen, waarop zij recht hebben, en dan behoeven zij er niet over te twisten, wie hunner de meeste zal zijn-want zij zullen allen groter zijn, groter zegen voor de mensheid dan de koningen der aarde, die heerschappij over haar voeren. Indien zij datgene hebben, hetwelk blijkbaar de grootste eer is, namelijk weldoeners te zijn, laat hen dan het mindere, namelijk van heersers te zijn, verachten.
b. Het was zich ongelijkvormig te maken aan de discipelen van Christus, en ongelijkvormig aan Christus zelven, Doch gij niet alzo, vers 26, 27. "Het is nooit de bedoeling geweest, dat gij op een andere wijze zult heersen dan door de kracht der waarheid en genade, maar wèl dat gij zoudt dienen." Als kerkregeerders streven naar pracht en macht en zich staande houden door wereldlijke belangen en invloeden, dan verlagen zij hun ambt, en het is een voorbeeld van ontaarding, zoals bij Israël, toen zij een koning begeerden gelijk de volken, die rondom hen woonden, terwijl toch de Heere hun Koning was. Zie hier, wat de regel is, dien Christus aan Zijne discipelen heeft gegeven. "De meeste onder u, dat is de oudste, aan wie voorrang behoort gegeven te worden vanwege zijn leeftijd, die zij als de jongste, zowel ten opzichte van nederigheid van plaats (laat hem zich neerbuigen om bij de jongeren te zitten, en vrij en gemeenzaam met hen zijn), als ten opzichte van arbeid en werk. Wij zeggen: Juniores adlabores, seniores ad honores -Laat de jongen werken en de ouden ere ontvangen. Maar laat de ouden zich moeite geven, zowel als de jongen, hun leeftijd en hun eer, in plaats van hun rust en gemak te waarborgen, verplichten hen tot dubbelen arbeid. En hij, die de voornaamste, die voorganger is, ho hegoumenos -de president van het college of van de vergadering, hij zij als een, die dient, hoos ho diakonoon als de diaken, dat is de dienaar, laat hem zich neerbuigen tot het geringste en tot den zwaarsten dienst voor het algemene welzijn, indien dit nodig is. Wat het voorbeeld was, dat Hij zelf voor dien regel heeft gegeven: Wie is meerder, die aanzit of die dient? die dient of die gediend wordt? Nu was Christus onder hen juist als iemand, die aan tafel dient. Het was er zo ver af, dat Hij statigheid of voornaamheid vertoonde, of Zijn gemak nam, door diensten voor Zijn persoon van hen te eisen, dat Hij bereid was om hun elke dienst der vriendelijkheid te bewijzen, zoals bleek toen Hij hun de voeten heeft gewassen. Zullen dan diegenen den vorm en de houding aannemen van vorsten, die zich volgelingen noemen van Hem, die de gestalte eens dienstknechts heeft aangenomen?
c. Zij moeten niet staan naar wereldse eer en grootheid, omdat Hij hogere eer voor hen heeft weggelegd, eer van een anderen aard, een koninkrijk, een feestmaaltijd, een troon voor ieder hunner, waarin zij allen gelijkelijk zullen delen, zodat zij niet nodig zullen hebben om den voorrang te strijden, vers 28-30, Merk op: a. Dat Christus Zijne discipelen looft om hun getrouwheid jegens Hem, en dit was hun eer genoeg, zij behoeven naar geen grotere eer te staan. Het wordt gezegd als een lofspraak: "Gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in Mijne verzoekingen, gij zijt degenen, die Mij trouw ter zijde zijt gebleven, toen anderen Mij hebben verlaten en Mij den rug hebben toegekeerd." Christus had Zijne verzoekingen, Hij was veracht en verworpen door de mensen, gesmaad en gehoond, en Hij heeft het tegenspreken der zondaren verdragen. Maar Zijne discipelen bleven bij Hem, en zijn in Zijne benauwdheden benauwd geweest. Het was slechts weinig hulp, die zij Hem konden geven, weinig dienst, dien zij Hem konden bewijzen, evenwel, Hij beschouwt het als ene daad van liefde en vriendelijkheid jegens Hem, dat zij met Hem zijn gebleven, en Hij erkent dit en prijst hen er voor, hoewel het toch door de hulp was van Zijne genade, dat zij getrouw zijn gebleven. Christus' discipelen waren zeer gebrekkig in hun plichtsbetrachting. Wij zien hen schuldig aan velerlei vergissingen en zwakheden, zij waren onbevattelijk en vergeetachtig, en dikwijls hebben zij onbezonnen gehandeld, maar hun Meester ziet het alles voorbij en vergeet het: Hij verwijt hun hun zwakheid en tekortkomingen niet, maar geeft hun dit merkwaardig getuigenis: "Gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt." Aldus prijst Hij hen bij het scheiden, om te tonen hoe bereid Hij is, om ook de zwakke diensten vriendelijk op te nemen en te waarderen, van hen, wier hart oprecht is voor Hem. De beloning, die Hij hun zal toekennen voor hun trouw: "Ik verordineer-diatithemai, ik vermaak u, of Ik laat u na, een koninkrijk." Of wel: Zoals Mijn Vader Mij een koninkrijk heeft verordineerd, zo verordineer Ik u een koninkrijk, opdat gij moogt eten en drinken aan Mijne tafel. Versta dit: ten eerste. Van hetgeen voor hen gedaan zal worden in deze wereld. God heeft Zijn Zoon een koninkrijk gegeven onder de mensen, de Evangeliekerk, waarvan Hij het levende, levenwekkende, regerende Hoofd is. Dit koninkrijk verordineerde Hij Zijnen apostelen en hunnen opvolgers in de bediening van het Evangelie, opdat zij de vertroostingen en de voorrechten zouden genieten van het Evangelie, helpen zouden om ze aan anderen mede te delen door de Evangelieinzettingen, op tronen zouden zitten als dienaren en ambtsdragers der kerk, niet slechts verklarend, maar vermanend, de twaalf geslachten Israël's oordelende, die nog volharden in hun ongeloof, en den toorn Gods aankondigende over hen, het Israël des Evangelies, het geestelijk Israël, regerende door de ingestelde kerkelijke tucht, die met zachtmoedigheid en liefde wordt uitgeoefend. Dat is de eer, die voor u is weggelegd. Of, Ten tweede. Van hetgeen voor hen gedaan zou worden in de andere wereld, en ik houd het er voor, dat dit voornamelijk bedoeld is. Laat hen voortgaan met hun dienst in deze wereld, hun bevordering, hun verhoging, zal plaatshebben in de andere wereld. God zal hun het koninkrijk geven, waarin zij voorzeker zullen hebben:
1. De keurigste spijzen, want zij zullen eten en drinken aan Christus' tafel in Zijn koninkrijk, waarvan Hij had gesproken, vers 16, 18. Zij zullen delen in de blijdschap en de genietingen, die het loon waren van Zijn arbeid en Zijn lijden. Hun ziel zal volkomen verzadiging vinden in het zien en genieten van God, en zij zullen het kostelijkste gezelschap hebben in de volkomenheid der liefde, zoals aan een feestmaal.
2. De hoogste waardigheid. "Er zal niet slechts voor u aan de koninklijke tafel voorzien worden, zoals voor Mefiboseth aan David's tafel, maar gij zult verhoogd worden op den koninklijken troon, gij zult met Mij zitten in Mijn troon, Openbaring 3:21. In den groten dag zult gij gezeten zijn op tronen, als bijzitters van Christus, om Zijn oordeel over de twaalf stammen Israël's goed te keuren en er juichend mede in te stemmen. Indien de heiligen de wereld zullen oordelen, 1 Corinthiërs 8:2, hoeveel te meer dan niet de kerk!
III. Betreffende Petrus' verloochening van Christus, en in dit deel van het gesprek kunnen wij opmerken:
1. Hoe Christus in het algemeen aan Petrus kennis geeft van des duivels voornemen omtrent hem en de overige apostelen, vers 31. De Heere zei: Simon, Simon! let op hetgeen Ik u zal zeggen, ziet de Satan heeft ulieden zeer begeerd, u allen in zijne handen te hebben, om te ziften als de tarwe. Petrus, die voor hen allen de woordvoerder of mond placht te wezen om tot Christus te spreken, wordt hier tot hun oor gemaakt, en wat bedoeld is als een waarschuwing aan allen: (gij zult allen aan Mij geërgerd worden) wordt gericht tot Petrus, omdat hij voornamelijk er in betrokken was, daar de verzoeker het zeer bijzonder op hem gemunt had. Satan heeft u zeer begeerd. Waarschijnlijk had Satan de discipelen bij God beschuldigd, dat zij Christus uit vuil eigenbelang gevolgd waren, er niets anders mede op het oog hebbende als zich te verrijken en tot aanzien te komen in deze wereld, zoals hij ook Job had beschuldigd. "Neen", zegt God, "het zijn eerlijke, oprechte mannen". "Laat mij toe hen op de proef te stellen", zegt Satan, "en inzonderheid Petrus". Hij begeerde hen om hen te ziften, opdat hij zou kunnen tonen dat zij kaf en niet tarwe zijn. De moeilijkheden en benauwdheden, die nu over hen zullen komen, waren ziftend, zullen doen blijken wat er in hen is, maar dat was niet alles: Satan begeerde hen te ziften door zijne verzoekingen, hij poogde door deze beproevingen hen tot zonde te brengen, hen zo te ziften, dat de tarwe weggevaagd wordt, en er niets overblijft dan kaf. Merk op, dat Satan hen niet kon ziften, of God moest hem dit toelaten, Hij begeerde hen, zoals hij God om verlof vroeg Job te verzoeken en op de proef te stellen. Exêitêsato -"Hij heeft u gedaagd, heeft het ondernomen om u als een gezelschap van geveinsden aan de kaak te stellen, inzonderheid Petrus, die van u allen de ijverigste, de voortvarendste is." Sommigen opperen het denkbeeld, dat Satan verlof vroeg om hen te ziften als hun straf voor het strijden om den voorrang, in welken strijd Petrus wellicht het warmst is geweest. "Laat hen aan mij over om hen hierover te ziften."
2. De bijzondere bemoediging, die Hij met betrekking tot deze beproeving aan Petrus heeft gegeven. Ik heb voor u gebeden, want hoewel hij hen allen begeert, is het hem vergund zijn sterksten aanval op u te richten: gij zult het heftigst worden aangegrepen, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude, dat het niet volkomen en voor altijd zal ophouden. Indien in een ure van verzoeking het geloof staande blijft, dan kunnen wij wel vallen, doch niet worden weggeworpen. Het geloof zal de vurige pijlen van Satan uitblussen. Hoewel de gelovigen dikwijls falen en tekortkomen in hun geloof, zal het toch nooit geheel en voor altijd ophouden. Hun zaad, hun wortel blijft in hen. Het is om de bemiddeling, de voorbede van Jezus Christus, dat het geloof Zijner discipelen, hoewel soms droevig geschud en aan het wankelen gebracht, toch niet vernietigd is, indien zij aan zich zelven waren overgelaten, zij zouden falen, bezwijken, maar zij worden bewaard door de kracht Gods en het gebed van Christus. De voorbede van Christus is niet slechts algemeen voor allen, die geloven, maar ook voor bijzondere gelovigen (Ik heb voor u gebeden), hetgeen een aanmoediging is voor ons om voor ons zelven te bidden, en een drangreden om ook voor anderen te bidden.
3. Den last, dien Hij aan Petrus gaf, om anderen te helpen, als hij zelf door God geholpen zal zijn, Als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uwe broeders, als gij door Gods genade weder opgericht zijt, en tot berouw en bekering zijt gebracht, zo doe wat gij kunt om ook anderen op te richten, als gij bevonden hebt, dat uw geloof er voor bewaard is gebleven van op te houden, zo arbeid om het geloof van anderen te versterken en te bevestigen, als gij zelf genade van God zult hebben verkregen, zo bemoedig anderen om te hopen, dat ook zij barmhartigheid zullen verkrijgen. Zij, die in zonde zijn gevallen, moeten er van bekeerd worden, zij, die ter zijde zijn afgeweken, moeten terugkeren, zij, die hun eerste liefde hebben verlaten, moeten hun eerste werken doen. Zij, die door genade bekeerd zijn van zonde, moeten doen wat zij kunnen om hun broederen, die staan, te versterken, en hun val te voorkomen, Psalm 51:13-15, 1 Timotheus 1:13.
4. Petrus' verklaard besluit om Christus aan te kleven, wat het hem ook moge kosten, vers 33 :Heere! ik ben bereid, met U ook in de gevangenis en in den dood te gaan. Dat was een groot woord, maar ik geloof dat het niet meer uitdrukte, dan hij op dat ogenblik meende, en hij dacht dat hij het gestand zou doen. Judas heeft nooit zo geprotesteerd tegen zijn verraden van Christus, hoewel hij er dikwijls voor gewaarschuwd was, want zijn hart was even vast besloten om het kwaad te doen, als het hart van Petrus er tegen opkwam. Al de ware discipelen van Christus begeren oprechtelijk Hem te volgen, waar Hij ook heengaat en waar hen dit ook zou heenvoeren, al was het in een gevangenis, of al was het buiten de wereld.
5. Christus' uitdrukkelijke voorzegging, dat hij Hem driemaal zal verloochenen, vers 34 :"Ik zeg u, Petrus (gij kent uw eigen hart niet, maar gij moet voor een wijle aan uzelven worden overgelaten, opdat gij het zult leren kennen, en er nooit meer op zult vertrouwen), de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult verloochend hebben, dat gij Mij kent". Christus kent ons beter dan wij ons zelven kennen, en Hij kent het kwaad, dat in ons is en door ons gedaan zal worden, en waarvan wij zelf geen vermoeden hebben. Het is gelukkig voor ons, dat Christus beter weet dan wij, waar wij zwak zijn en waar Hij dus tot ons moet komen met Zijne genade, die ons genoeg is, dat Hij weet hoe ver de verzoeking de overhand zal hebben, en wanneer Hij dus het woord zal spreken: "Tot hiertoe zal zij komen, en niet verder."
IV. Betreffende den toestand van al de discipelen.
1. Hij beroept zich op hen omtrent hetgeen geweest is, vers 35. Hij had erkend dat zij trouwe dienaren voor Hem geweest zijn, vers 28. Nu verwacht Hij bij het scheiden, dat zij zullen erkennen, dat Hij een vriendelijk en zorgzaan Meester voor hen geweest is van dat zij alles verlaten hebben, om Hem te volgen: Als Ik u uitzond zonder buidel, heeft u ook iets ontbroken? Hij erkent dat Hij hen in een zeer armelijken toestand had uitgezonden, barrevoets, zonder geld in hun beurs, omdat zij niet ver weg moesten gaan, en niet lang weg moesten blijven, en Hij wilde hen aldus leren om afhankelijk te zijn van de voorzienigheid Gods, en onder God, van de goedheid hunner vrienden. indien God ons aldus uitzendt in de wereld, zo laat ons gedenken, dat meerderen dan wij zijn, aldus armelijk zijn begonnen. Maar toch wil Hij dat zij desniettemin zullen erkennen, dat hun niets ontbroken heeft, zij hebben toen even rijkelijk en geriefelijk geleefd als ooit tevoren, en dit hebben zij geredelijk erkend: "Niets, Heere, ik heb alles, en ik heb overvloed." Het is goed voor ons om dikwijls te gedenken aan al de leidingen van Gods voorzienigheid in ons leven, en op te merken hoe wij in kommer en moeilijkheden door geholpen zijn. Christus is een goede Meester, en Zijn dienst is een goede dienst, want hoewel Zijne dienstknechten soms in zeer kommervolle omstandigheden kunnen verkeren, zal Hij hen toch helpen, en hoewel Hij hen beproeft, zal Hij hen toch niet verlaten. Jehova-jireh. Wij moeten achten goed behandeld te zijn, en moeten niet klagen, maar dankbaar zijn, als wij het nodige levensonderhoud hebben gehad, al hebben wij dan ook geen overtolligheden of lekkernijen gehad. en al hebben wij ook van de hand in den tand moeten leven, en van de goedheid onzer vrienden. De discipelen leefden van de bijdragen van vrienden, en toch hebben zij niet geklaagd, dat hun bestaan hachelijk en onzeker was, maar erkenden tot eer van hun Meester, dat het voldoende was, er had hun niets ontbroken.
2. Hij geeft hun kennis van een zeer grote verandering, die nu weldra in hun omstandigheden zal plaatshebben. Want:
a. Hij, hun Meester, gaat nu in tot Zijn lijden, dat Hij hun dikwijls voorzegd had, vers 37. Ik zeg u dat nog dit, hetwelk geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk: En Hij is met de misdadigen gerekend -Hij moet lijden en sterven als een kwaaddoener, en in gezelschap van sommigen van de snoodste boosdoeners. Dat is het wat nog vervuld moet worden, na al het andere, en dan zal hetgeen van Mij geschreven is een einde hebben, dan zal Ik zeggen: Het is volbracht. Het kan voor lijdende Christenen ene vertroosting zijn, zoals het voor den lijdenden Christus ene vertroosting geweest is, dat hun lijden voorzegd is, bepaald is in den raad des hemels, en weldra een einde zal nemen in de vreugde des hemels. Het is geschreven betreffende hen, en het zal een einde hebben, een goed einde.
b. Daarom moeten zij kommer en benauwdheden verwachten, en niet denken dat zij nu zulk een aangenaam en gemakkelijk leven zullen hebben, als zij gehad hebben, neen, er zal verandering wezen van toneel. Zij moeten thans in zekere mate lijden met hun Meester, en als Hij heengegaan is, moeten zij verwachten gelijk Hij te zullen lijden. De dienstknecht is niet meerder dan zijn Heere. Zij moeten nu niet verwachten, dat hun vrienden even goed en milddadig voor hen zullen zijn als tevoren, en daarom: Wie een buidel heeft, die neme hem, want hij kan hem nodig hebben. Zij moeten verwachten, dat hun vijanden heftiger zullen zijn dan tevoren in hun toorn jegens hen, zij zullen dus zowel wapens als mondvoorraad nodig hebben: die geen zwaard heeft waarmee hij zich tegen rovers en moordenaars kan verdedigen, 2 Corinthiërs 11:26, zal bevinden, dat hij er grote behoefte aan heeft, en soms wensen dat hij zijn kleed verkocht had, om er zich een te kopen. Dit is slechts bedoeld om aan te tonen, dat de tijden zeer gevaarlijk zullen zijn, zodat niemand zich veilig zou achten, of hij moest een zwaard aan zijne zijde hebben. Maar het zwaard des Geestes is het zwaard, waarmee de discipelen van Christus zich moeten voorzien. Christus voor ons geleden hebbende, moeten wij ons wapenen met dezelfde gedachte, 1 Petrus 4:1, ons wapenen met de verwachting van benauwdheid en leed, opdat het ons niet plotselijk overvalle, en met een heilige onderworpenheid aan den wil Gods, opdat er in ons binnenste geen tegenstand zij, en dan zijn wij beter toegerust, dan wanneer wij een kleed hadden verkocht om een zwaard te kopen. Hierop onderzoeken de discipelen wat hun sterkte is, en bevinden dat zij met hun allen twee zwaarden bezitten, vers 38, waarvan het ene aan Petrus toebehoorde. De Galileërs gingen gewoonlijk met een zwaard op reis. Christus zelf droeg er geen, maar Hij was er niet tegen dat Zijne discipelen het droegen. Maar Hij geeft hun te kennen, hoe weinig Hij wenste dat zij hierop zouden steunen, toen Hij zei: Het is genoeg, hetgeen sommigen denken ironisch gesproken te zijn: "Twee zwaarden onder twaalf man! Gij zijt, voorwaar! voortreffelijk gewapend, nu onze vijanden in grote menigte tegen ons uitgaan, en ieder hunner een zwaard heeft!" Maar twee zwaarden zijn voldoende voor hen, die er geen behoeven, daar zij God zelven hebben tot het schild hunner hoop en het zwaard hunner hoogheid, Deuteronomium 33:29.