29. En Ik zeg u, zo ging Jezus voort, toen zij allen gedronken hadden, zoals Hij reeds op gelijke manier gesproken had, toen Hij de eerste beker liet rondgaan (
Lukas 22:17, ), dat Ik van nu aan niet zal drinken van deze vrucht van de wijnstok tot op die dag, wanneer Ik met u die nieuw zal drinken in het koninkrijk van Mijn Vader. Zo viel de anders bij de paasmaaltijd gewone vierde beker weg en volgde meteen het tweede deel van de lofzang:
Psalm 115 tot 118:26 .
De woorden, waarmee ons bericht van de inzetting van het heilige avondmaal begint: "Toen zij aten" geeft, evenals dezelfde uitdrukking te voren, waar het verraad van Judas besproken wordt (Vers 21), slechts zeer in het algemeen te kennen dat ook de instelling van het Nieuw-Testamentische verbondsmaal gebeurd is terwijl zij nog aan tafel aanlagen. Dat het eten van het paaslam reeds geëindigd was; blijkt uit Lukas 22:20, 1 Corinthiërs 11:25 waar van het nemen van de drinkbeker uitdrukkelijk wordt gemeld dat het gebeurd is na het avondmaal, dus nadat het eten had plaats gehad. Wanneer vele uitleggers de beide handelingen, het nemen van het brood en het nemen van de drinkbeker van elkaar scheiden en een tussenruimte aannemen, terwijl de paasmaaltijd nog werd voortgezet, zo is dat zonder twijfel een verkeerde opvatting van de woorden, waarmee Mattheüs en Markus beginnen: "Toen zij aten". Beide Evangelisten willen te kennen geven dat het nieuwe verbondsmaal, bij het laatste paasmaal, dat de Heere op aarde vierde, door Hem is ingezet en in de plaats daarvan gekomen, dat het paasmaal door Hem onmiddellijk is veranderd in het heilig avondmaal en het laatste een overbrenging van het eerste in de Nieuw-Testamentische tijd was. Zo heeft het eerste wel opgehouden, maar is niet eigenlijk afgeschaft en opgeheven, het is alleen aan de schaduwen van het Oude Testament ontrukt en tot een genademiddel verheven, dat de hemelse goederen werkelijk schenkt, die daar slechts zijn voor afgebeeld (Colossenzen 2:17. Hebreeën 8:5; 10:1). Daarentegen willen Lukas en Paulus meer op de voorgrond stellen hoe beide maaltijden ondanks hun nauwe samenhang toch ook dadelijk scherp van elkaar onderscheiden waren. Tot heden heeft Jezus gemeenzaam met Zijn gehele volk het Pascha met Zijn discipelen gehouden. Dit is nu ook het einde en het besluit van Zijn gemeenschap met het Oud-Testamentische verbondsvolk en nu volgt meteen de stichting van een nieuwe orde van God. Nu wij nader de woorden van de instelling van het heilig avondmaal beschouwen, plaatsen wij de vier berichten, die daarover bestaan, eerst tot beter overzicht naast elkaar:
MATTHEÜS 26 En toen zij aten, nam Jezus het brood, zegende het, brak het en gaf het de discipelen en zei: "Neem, eet, dat is Mijn lichaam. " 27 En Hij nam de drinkbeker, dankte en gaf hen die, zeggende: "Drink allen daaruit. 28 Want dat is Mijn Bloed, het bloed van het Nieuwe Testament, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van de zonden. "
MARKUS 22 En toen zij aten nam Jezus het brood en toen Hij gezegend had, brak Hij het en gaf het hen en zei: "Neem, eet, dat is Mijn lichaam. " 23 En Hij nam de drinkbeker, dankte en gaf hen die: en zij dronken allen daaruit. 24 En Hij zei tot hen: "Dat is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament, dat voor velen vergoten wordt. "
LUKAS 19 En Hij nam een brood en toen hij gedankt had, brak Hij het en gaf het hen en zei: "Dat is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doe dat tot Mijn gedachtenis. " 20 Zo ook ook de drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt. "
PAULUS (1 Corinthiërs 11) 23 Want ik heb van de Heere ontvangen hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in de nacht, waarin Hij verraden werd, het brood nam. 24 En toen Hij gedankt had brak Hij het en zei: "Neem, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doe dat tot Mijn gedachtenis. 25 Zo ook nam Hij ook de drinkbeker na het eten van het avondmaal en zei: "Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doe dat, zo vaak als u die zult drinken tot Mijn gedachtenis. "
Het zou ons kunnen verwonderen, dat bij een zo hoogst belangrijke zaak als deze, nu het te doen is om een nauwkeurig bericht van de oorsprong, om een letterlijk nauwkeurige overbrenging van Christus eigen woorden, de heilige Evangelisten en Paulus toch zich dezelfde vrijheid hebben veroorloofd als Mozes ten opzichte van de woorden van de tien geboden (Exodus 20:2-17. Deuteronomium 5:6-21). Het zou ons niets baten, wilden wij het verschil van de viervoudige tekst daaruit verklaren, dat de Heere zelf onder de uitdeling van brood en wijn het woord enkele malen zou herhaald hebben en daarbij Zich nu zo dan zo, dus steeds op andere manier zou hebben uitgedrukt; dan toch zou altijd weer een vraag oprijzen, namelijk, waarom is Hij niet bij dezelfde tekst gebleven? En evengoed als Hij, de Heere, Zich gedrongen voelde in iets af te wijken, kon de Heilige Geest de Apostelen de afwijkingen ingeven - het was toch Zijn Geest, die dat deed en deze heeft van het Zijn genomen en de discipelen verkondigd (Johannes 16:14 v. ). Wij moeten dus zeggen: het moet zo zijn, wij moeten niet met een diplomatisch nauwkeurig afschrift te doen hebben, maar met een levend getuigenis van God. De Heilige Geest zal aan ons, wanneer wij ons door Hem in alle waarheid laten leiden, het Zijne doen, opdat wij in de menigvuldigheid toch de eenheid vinden, zoals die dan ook volledig voor ons ligt, wanneer in de catechismus van Luther de woorden van de instelling volgens de vier berichten zo worden wedergegeven:
Onze Heere Jezus Christus nam in de nacht, toen Hij verraden werd, het brood en als Hij gedankt had brak Hij het (1 Corinthiërs 11) en gaf het Zijn discipelen en sprak: "Neem, eet (Mattheus ), dat is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt (Lukas ); doe dat tot Mijn gedachtenis Zo ook nam Hij ook de drinkbeker na het avondmaal (Lukas ) en gedankt hebbende gaf hen die en zei: "Drink allen daaruit; deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed (Kor. ), dat voor u vergoten wordt (Mattheus ) Doe dat, zo vaak als u die zult drinken, tot Mijn gedachtenis
Naast deze eenheid blijft toch nog een tweevoudigheid in zoverre bestaan, als de woorden: "doe dat tot Mijn gedachtenis" alleen bij Lukas en Paulus gevonden worden en daarentegen bij Mattheüs en Markus niet. Dat moet een bepaalde oorzaak hebben; de woorden moeten de ene maal tot gebruik, de andere maal tot weglating bestemd zijn, anders zonden de beide eerste Evangelisten ze niet hebben weggelaten en ook de derde Evangelist ze niet slechts voor het ene deel hebben gegeven. Nu moeten wij bij de viering van het sacrament inderdaad twee zaken onderscheiden: ten eerste de consecratie of inzegening, ten tweede de distributie of uitdeling. Nu heeft de kerk zonder twijfel juist gezien, wanneer zij daar de woorden, die wij bedoelen, mee opneemt, er echter hiervan afziet. Duidelijk toch hebben deze woorden betrekking op de inzetting van het sacrament. Voortaan zal in de gemeente van de Heere geen Oud Testamentisch Pascha meer worden gehouden, maar in plaats daarvan het nieuwe voedsel, Zijn lichaam en de nieuwe drank, Zijn bloed, genoten worden. Dit zal niet, zoals met het eten van het Pascha het geval was, slecht éénmaal ieder jaar, op een bepaalde tijd van de dag geschieden, maar iedere dag en op elke tijd van de dag. De voor ons geofferde en gedode Christus wil Zijn gemeente op aarde naar Zijn geheel godmenselijk wezen en in Zijn volle Verlossers-werkzaamheid zonder ophouden nabij zijn, zoals Hij ze bestendig met Zijn Geest omgeeft en hen leidt, zo wil Hij ook als degene, die door het offer van Zijn lichaam haar verlossing volbracht, door Zijn bloed haar de vergeving van de zonden verworven heeft en daarna uit de dood weer levend is geworden en ter rechterhand van God verhoogd, persoonlijk bij haar tegenwoordig zijn in de gezegende macht van Zijn dood en in de goddelijke kracht van Zijn opstanding. Zij moet het Hem echter mogelijk maken om bij haar in te gaan en Zich in het geloof met haar te verenigen, doordat zij niet alleen in de herinnering Zijn gedachtenis bewaart, maar dat, wat Hij in Zijn Testament haar ter erfenis heeft gemaakt, steeds opnieuw in bezit neemt, omdat zij eet en drinkt wat Hij haar te eten en te drinken bevolen heeft. "Daar staat Hij met het brood en daarna met de beker in Zijn heilige onbevlekte, almachtige handen. Hij bidt en zegent en reikt voor de eerste maal de heilige tekenen aan degenen, die toen Zijn kerk op aarde uitmaakten. De mensen zullen de Arme ten slotten alles ontnemen; zij zullen Hem geheel naakt aan een kruis hangen. Pilatus zal ten slotte over Zijn bloedig lijk beschikken. Maar geen wachter kan het lichaam houden; de aarde, die haar mond opendeed om Zijn bloed te ontvangen, moet het aan de hemelse stad Jeruzalem afstaan. Dit lichaam, dit bloed zijn Zijn Testament, zijn de grote schatten van de gemeente. Niemand heeft macht over deze; Hij beschikt met almacht, dat zij tot aan het einde het zalige levensvoedsel voor de Zijnen zijn. Aan alle plaatsen deden de discipelen naar het bevel: "doe dit" en hun ijver voor het sacrament bewees hoe diep de inzetting in die nacht, toen Hij verraden werd, in hun ziel was ingegaan. Behoren die woorden nu als een wezenlijk bestanddeel tot de consecratie, des te overbodiger zouden zij zijn bij de distributie. Hier doet de gemeente werkelijk reeds wat de Heere van haar wil, zij verkondigt Zijn dood; daarentegen is het dan van het grootste gewicht, dat het duidelijk wordt wat de Heere van Zijn kant aan haar doet, wat Hij haar geeft.
Uit hetgeen de geleerde schrijver van het Bibelwerk, als Luthers Theoloog verder laat volgen, nog slechts het volgende van Filippi ter weerlegging van de mening van Zwingli, dat het "dit is" niets meer zou zeggen dan "dit betekent". Dit spreekt tegen het gehele karakter van de Nieuw-Testamentische oeconomie. Dit juist is de eigenaardigheid van het Nieuwe Verbond, dat daarin het schaduwbeeld geweken is voor de werkelijkheid en de Oud Testamentische zinnebeelden en voorbeelden hun vervulling hebben gevonden. De Heere houdt hier juist het laatste paasmaal met Zijn discipelen, om het vooraf beeldende Pascha eens voor altijd op te heffen en in de plaats daarvan het waarachtige paaslam als voedsel te geven. " Hij bestrijdt verder de leer van de transsubstantiatie, door de Katholieken vastgehouden (de gehele wezensverandering van brood en wijn in lichaam en bloed van Christus), de lering van Calvyn, dat naast en bij gelegenheid van het avondmaalsvieren een bijzondere kracht van het verheerlijkte lichaam van Christus ter onderhouding van het geestelijk leven van de gemeente uitstroomde, zodat het lichaam en bloed van Christus waarlijk door de gelovigen genoten werden. Hij verdedigt de Lutherse leer van de consubstantiatie, waarbij men zich een lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het brood en in de wijn voorstelt. De belijdenisgeschriften van de Gereformeerde kerk leren ons daarentegen (Scholten, Leer van de Herv. kerk II _8) "dat wij door het geloof, dat de hand en de mond van onze zielen is, het ware lichaam en bloed van Christus, onze enige Zaligmaker, in onze zielen ten eeuwigen leven ontvangen (Conf. Belg, Art. 35); "dat wij niet feilen, als wij zeggen, dat hetgeen door ons gegeten en gedronken wordt het eigen en natuurlijk lichaam en het eigen bloed van Christus is en ofschoon de manier, waarop wij het een en ander nuttigen, niet de mond maar de geest door het geloof is; " een voelen, waarmee ook de Heidelbergse Catechismus (vr. 76, 79) en andere belijdenisgeschriften van de Gereformeerde Kerk overeenstemmen. Wij geven daarom liever het woord aan anderen, wier gevoelen wij meer delen, dan dat van Dächsels aanhalingen van Thomasius en Martens.
De zin van deze woorden is bij opmerkzame beschouwing niet moeilijk te bepalen. Zegt de Heere: "Dat is Mijn lichaam", Hij bedoelt met dat woord het gebroken stuk brood, dat Hij Zijn jongeren overgeeft. Dat Hij het veel besproken "is" in Zijn taal niet eenmaal geuit heeft, is even zeker, als dat het er bij gedacht worden moet. De Heere wil zeggen dat het gebroken brood, dat Hij Zijn discipelen toereikt, Zijn lichaam vertegenwoordigt, dat op het punt is, door Hem tot hun heil in de dood gegeven te worden en dat zij "Dit" wat zij nu gingen doen (het gebruiken van dat stuk brood) verrichten moesten tot Zijn gedachtenis. Als Hij niet meer lichamelijk in hun midden tegenwoordig zou zijn, moesten zij bij zo'n gemeenschappelijk eten zich de Meester even levendig vertegenwoordigen, alsof Hij nog persoonlijk onder hen toefde en niet anders was het met de kelk van het Nieuwe Verbond. Zegt Hij: "Dat is Mijn bloed", Hij bedoelt weer datgene, wat Hij hun op dit ogenblik toereikte, de wijn in de drinkbeker uitgestort. Die wijn vertegenwoordigde hun Zijn bloed, dat nu op het punt was, door de mensen vergoten te worden, tot heil van velen (of van hen), opdat er vergeving van de zonden zou zijn. En noemt de Heere dat bloed "bloed van het Nieuwe Verbond", Hij gebruikt een uitdrukking, die aan Zijn jongeren bij het licht van het Oude Verbond niet duister kon zijn. Hadden de profeten gesproken van een beter verbond, dat God in plaats van het Oude zou oprichten en waarbij Hij Zijn wet in van de mensen binnenste schrijven en hun ongerechtigheid vergeven, van hun zonden niet meer gedenken zou, Jezus wijst aan dat nu het uur geslagen was, waarin dat Verbond zou gesticht en ingewijd worden. Maar zoals het Oude Verbond werd bekrachtigd door offerbloed, dat Mozes op de kinderen van Israël sprengde, zo zou het Nieuwe gegrond worden in het bloed van Christus, als van een Godgewijd lam. Eten van dat brood en drinken van die beker was zo gemeenschap oefenen met die schuldverzoenende dood en voor wie daarmee door het geloof gemeenschap had, voor hem was de hoofdweldaad van het Nieuwe Verbond, vergeving van zonden, bereid. De Heere wil daarom, dat de Zijnen, "zo vaak zij dronken", namelijk van deze of zo'n zinnebeeldige drinkbeker, daarbij aan Hem zouden gedenken, als tot vergeving van de zonden gestorven en terwijl Hij hun zo doet zien, wat zij zo vaak tevergeefs gehoord hadden, dat Zijn dood nu meteen op handen was, verzekert Hij hen tevens van de heilrijke vrucht van Zijn sterven en kondigt hen duidelijk aan, dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen die dood en de vergeving van de zonden. Maar vooral was het Jezus' bedoeling om de heilrijke dood, die Hij nu ging sterven, onder de Zijnen in bestendig aandenken te houden. Er zullen toch slechts weinige woorden nodig zijn om te bewijzen, dat de Heere hier een gedachtenismaal voor alle volgende eeuwen in Zijn gemeente tot stand brengen wilde. Weliswaar, kan men de stellige aanwijzing daarvan niet in Zijn woorden bij Mattheüs en Markus, maar eerst bij Lukas en Paulus ontdekken. Maar de laatste had ook dit "vanwege de Heere ontvangen", namelijk door middel van hen, die hij als geloofwaardige getuigen van de Heere erkende en van hem had Lukas het waarschijnlijk overgenomen. Beschouwde Jezus waarlijk Zijn dood uit het oogpunt, waarvan de instellingswoorden getuigen, dan lag het in de aard van de zaak, dat Hij de blijvende herdenking daaraan voor Zijn verlosten natuurlijk en betamelijk keurde. Het oud gebruik van de apostolische Kerk pleit ervoor, dat men Zijn bedoeling reeds vroeg op deze manier opgevat heeft. En Paulus was zeker de tolk van de meest algemene beschouwing, toen hij het bevel aan de Korinthiërs richtte: "verkondig de dood van de Heere, totdat Hij komt. " Vraagt men nu wat de Apostelen bij de woorden gedacht hebben: "dit is Mijn lichaam", wij kunnen niet beter antwoorden dan met de taal van een man, wiens wijsgerig standpunt hem ditmaal in waarheid boven kerkelijke en leerstellige vooroordelen verheven deed zijn (Straus): "voor de Evangelisten was het brood in het avondmaal het lichaam van Christus; maar had men hen gevraagd, of zo het brood veranderd was, zij zonden het ontkend hebben; had men tot hen van een gebruik van het lichaam onder de gestalte van het brood gesproken, zij zouden het niet begrepen hebben; had men het besluit getrokken, dat die ten gevolge het brood slechts het lichaam betekende, zij zouden zich daarmee niet voldaan gevonden hebben. De scheiding tussen de verschillende betekenissen van de woorden: "dit is" behoort tot het meer afgetrokken westers bewustzijn van de nieuwere tijd, maar niet tot de oorspronkelijke oosterse voorstelling. " Zeker zouden de oorspronkelijke getuigen nauwelijks hun ogen en oren geloven, als zij vernamen tot welke hevige en langdurige strijd de maaltijd van de liefde aan duizenden aanleiding gaf en door welke tal van bijvoegselen de oorspronkelijk zo eenvoudige verordening van de Heere hier en daar bijna onkenbaar geworden is. Bovendien werd op dat uur zeker hun rustig nadenken over de betekenis van de inzettingswoorden althans een wijle afgeleid door het eigenaardig gevoel dat de handeling en toespraak van de Heere in hun harten moest wekken. De boventoon had voor het ogenblik de droefheid zeker, nu zij onmogelijk langer konden betwijfelen dat de Meester uit hun midden zou scheiden. Het verdient opmerking en mag tegelijk tot een bewijs van de psychologische waarheid van onze rangschikking van het gebeurde verstrekken, dat Petrus meteen na de avondmaalsinstelling vraagt op de toon van de belangstelling: "Heere, waar gaat Gij henen? Waarom kan ik U nu niet volgen?" De apostel begint het nu te zien, in de spiegel van gebroken brood en vergoten wijn, dat het de Meester ernst, vreselijke ernst is met al wat Hij reeds de hele avond gedurig van scheiden en heengaan gesproken heeft en al vernemen wij ook de taal van de anderen niet, zeker was er op dit ogenblik niemand aanwezig, die nog vergat dat de uren van het samenzijn met de geliefde Vriend reeds geteld waren. Maar bovendien moest door die plechtigheid hun geloof krachtig worden gewekt en gevoed. Terwijl zij weldra gevaar zouden lopen om zich te ergeren aan Jezus' bloedige kruispaal, leerde hun het avondmaal die dood als bron van het grootste geluk voor hen en de wereld beschouwen en vanzelf moest hun blik op die onafzienbaar velen zich richten, die met hen daarin de bron van vergeving van de zonden en eeuwig heil zouden vinden. Zoals dat geloof later gedurig nieuw voedsel ontlenen zou uit de vernieuwde verkondiging van het verzoenend sterven van de Heere, zo kan ook de band van de onderlinge liefde worden bevestigd door het gedenkmaal, dat de Meester hier stichtte. Niet minder dan de voetwassing was de tafel van het Nieuwe Verbond voor hen een prediking in tekenschrift van "het nieuwe gebed", zoals zij die zich nauwelijks indrukwekkender voorstellen konden. En hoe deze zelfde tafel hun zaligste hoop kon versterken; hoe de verordening van de Heere niet slechts een mnemonische, maar ook een profetische strekking had. Hij zelf doet het hen inzien, waar Hij na korte rust hun het woord van de belofte deed horen: "Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van deze vrucht van de wijnstok, tot op die dag, wanneer Ik met u die nieuw zal drinken in het koninkrijk van Mijn Vader. " Tot scheiden gereed, roept Jezus de Zijnen een vriendelijk: tot wederziens in de gewesten van de onsterfelijkheid toe! Betekenisvol zet Hij de beker neer, zonder er zelf uit te drinken. Het is ons bijna onverklaarbaar hoe sommigen ooit hebben kunnen beweren dat de Heere, het Avondmaal instellend, slechts aan een ogenblikkelijke opwelling van Zijn gevoel in het scheidingsuur gehoor heeft gegeven. Al neemt men ook niet met anderen aan, dat Hij reeds een jaar tevoren in de synagoge te Kapérnaüm, sprekend over het eten van Zijn vlees, bepaaldelijk aan deze instelling dacht, men heeft slechts het oog te slaan op gang en geest van heel het verhaal om te zien hoe al wat Hij hier spreekt en verricht, tevoren zorgvuldig bedacht en voorbereid is geworden. Maar zoals zo het Avondmaal een vrucht van Zijn stille toebereiding voor de beslissende scheiding mag heten, is het tevens het verhevenst gedenkstuk van Zijn hemelse grootheid. Met de heldere kennis van Zijn naderend lot paart Hij het vaste bewustzijn van de zegenrijke strekking van Zijn dood; met het innigst gevoel van de smarte van het afscheid, een kalmte, die Hem Zijn ontzettend lot zonder beven onder de ogen doet zien; met een liefde voor Zijn jongeren, die Hem voor al hun behoeften doet zorgen, een wijsheid, die Hem; juist op het goede uur een plechtigheid doet instellen, treffend voor hun verbeelding, bevredigend voor hun gevoel, rijk aan vrucht voor hun leven. En wanneer wij dan bedenken hoe de Heere bij dit bevel niet slechts aan hen heeft gedacht, maar aan allen, die door hun woord in Hem zouden geloven; hoe Hij door deze plechtigheid de hoofdgebeurtenis, de hoofdplicht, de hoofdbelofte van het Nieuwe Verbond aanschouwelijk voor ogen heeft gesteld; hoe Hij in haar aan ieder van Zijn gelovigen een steun van Zijn geloof, een bron van vertroosting, een prikkel tot heiligmaking en aan geheel Zijn gemeente een middel tot haar bewaring, vereniging en volmaking heeft achtergelaten, dan voelen wij wat onschatbare weldaad Hij in het eenvoudig woord: "doe dat tot Mijn gedachtenis" aan miljoenen bereid heeft. En onder de eretitelen, waaronder de Koning van het Godsrijk dierbaar is aan al wie geloven, plaatsen wij vrijmoedig de eenvoudige, maar volzinnige naam: Insteller van het Heilige Avondmaal!
Bisschop Law merkt op dat er in de Hebreeuwse taal geen woord is om betekenen of voorstellen uit te drukken en dat, hoewel het Nieuwe Testament in het Grieks geschreven is, de schrijver zich hier natuurlijk aan het Hebreeuwse of Syrische taaleigen gehouden heeft, zodat het woord is hier wil zeggen betekent. Vandaar een gelijk gebruik van het werkwoord zijn. (Genesis 40:12; 40:26. Daniël 7:24. Mattheus 13:38. Openbaring 1:20 enz. ).
Ik zal ter tafel treden. Met Mozes zal ik mij begeven om een groot gezicht te bezien. En wat, wat zal ik zien! Treffende vertoning, verrukkend voorwerp! Gods gekruisigde Zoon, vertegenwoordigd onder de tekens van gebroken brood en vergoten wijn; Gods gekruisigde Zoon, voor de ogen afgeschilderd. Verrukkend voorwerp, Bundel van wonderen! Geheim, dat zelfs hemelse ogen schemeren doet! Middelpunt van alle wijsheid! Kruis van Gods Zoon! Bundel van kundigheden, waarmee Paulus zich voldaan rekende! Toppunt vol beslag van de ontwikkelingen van dat ontwerp, waarmee de eeuwigheid zwanger ging en waaraan zelfs de wereldschepping dienstbaar was. Kruis van Jezus! Enig uitzicht voor de vloekeling! Enige bergplaats bij het stijgen van het gevaar, van die vloed, die de wereld van de zondaren overstroomt! Enige verantwoording bij een Majesteit, wier oog als de zon is! Enige bron van invloed, om voor de wereld inderdaad gekruisigd te zijn! Enige fontein van troost in leven en in sterven - Kruis van Gods Zoon! Uw opschriften ga ik lezen; uw onderwijzingen beluisteren in diepe stilte. Het voorwerp van het geloof wordt mij onder de gedaante van gebroken brood en van vergoten wijn toegereikt, ter hand gesteld. Gods verklaring, die Hij over Jezus doet: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in wie Ik Mijn welbehagen heb, wordt plechtig bezegeld. En dat alles, opdat onder en door de invloed van de Geest, waarvan toch de zegen van al wat indirect is enkel afhangt, opdat mijn graagte gaande mocht worden en opdat mijn geloof, geschraagd door zo'n onderstand, door zo'n vertegenwoordiging van nabij en door zo'n bezegeling te gereder, te meer rechtstreeks, met groter toeëigening, te geruster, te vertrouwelijker, zijn onzichtbaar voorwerp, Christus, de belofte en het heil, in die beloften begrepen, voor tijd en eeuwigheid aanvaarden zou. (P. BROES).
I. Vers Vers 30-46. Met het overgaan over de beek Kedron begint voor Jezus Zijn lijden. Dat begin is reeds uitwendig daardoor scherp getekend, dat dit overgaan plaats heeft op een tijd, waarop twee dagen scheiden, om middernacht. Op de weg naar de hof Gethsemane, die aan de andere kant van de beek onder aan de voet van de Olijfberg ligt, treedt de Heere opnieuw voor de geest, wat Hij reeds in Johannes 16:32 de discipelen heeft vóórspeld, zoals hun zwakheid Hem tevoren niet heeft teruggehouden om hen Zijn sacrament te geven, zo spreekt Hij, nu het ambt, dat de verzoening predikt, gesticht moet worden, zo rustig en gelaten van hun ergernis, dat Hij in het geheel niet spreekt van de zonde, die daarin ligt, maar meteen van de Schrift, die daardoor wordt vervuld. In dezelfde profetie, waarop Hij Zich beroept, staat het woord: "Ik zal Mij tot de kleinen wenden. " De Heere laat een vertroosting van Zijn opstanding daarvoor in de plaats. Petrus begint voor Zijn deel te protesteren tegen de mogelijkheid van afval en protesteert te hardnekkiger hoe meer bepaald de Heere hem nogmaals de werkelijkheid daarvan voorhoudt. Ook de overige discipelen menen van hun kant te moeten protesteren. Nu spreekt Jezus niet verder van de zaak; Hij is nu bij de Hof aangekomen en treedt nu in Zijn arbeid en in Zijn strijd, in de passio magna of het grote lijden, zoals men de gebeurtenis aldaar gewoonlijk noemt (vgl. Markus 14:26-42. Lukas 22:39-46. Johannes 18:1, 2).