Lukas 22:7-20
Welk een hoopvol vooruitzicht hadden wij van het vele goede,. dat Christus doen zou door Zijne prediking gedurende het feest der ongehevelde broden, hetwelk zeven dagen duurde, als het volk elke morgen, en vroeg in den morgen, zo ijverig en aandachtig was om Hem te horen! Maar er wordt een einde aan gemaakt. Hij moet een werk beginnen van een anderen aard, maar waarmee Hij meer goed zal doen dan met het andere, want de lijdensdagen van Christus en van Zijne kerk zijn geen ledige of werkeloze dagen. Nu hebben wij hier:
I. De toebereidselen, die getroffen worden voor Christus' eten van het pascha met Zijne discipelen, op den dag der ongehevelde broden, op dewelke het pascha moest geslacht worden, naar de wet, vers 7. Christus was geworden onder de wet, en heeft er de verordeningen van waargenomen, inzonderheid die van het Pascha, om ons te leren evenzo de inzettingen van Zijn Evangelie waar te nemen, inzonderheid die van des Heeren Avondmaal, en ze niet te verzuimen. Waarschijnlijk ging Hij des morgens naar den tempel om te prediken, toen Hij Petrus en Johannes een anderen weg uitzond om het pascha te bereiden. Zij, die personen hebben, welke hun tijdelijke aangelegenheden voor hen bezorgen, moeten niet denken dat dit hun vergunt lui of traag te zijn, integendeel, zij kunnen zich hierdoor des te meer met geestelijken arbeid bezighouden of met openbaren arbeid, Hij wees hun, die Hij daartoe gebruikte, aan waar zij heen moesten gaan, vers 9, 10. Zij moesten een man volgen, die een kruik waters droeg, en deze moest hun ten gids zijn in het huis. Christus zou hun het huis hebben kunnen beschrijven, waarschijnlijk was het een huis, dat zij kenden, en Hij zou niets anders hebben behoeven te zeggen, dan: "Gaat naar het huis van die of die, of naar een huis in die of die straat, met dit of dat kenteken, enz. Maar Hij gaf hun die aanwijzing om hen te leren, dat zij stap voor stap de leiding van Gods voorzienigheid moeten volgen. Zij gingen, niet wetende waar zij komen zouden, noch wie zij volgden. Aan het huis gekomen zijnde, moeten zij den huisvader verzoeken hun een eetzaal te wijzen, vers 11, en hij zal hun verzoek geredelijk inwilligen, vers 12. Of dit nu het huis was van een vriend, of een openbaar huis, een soort van herberg, blijkt niet, maar de discipelen vonden hun gids, en het huis, en de eetzaal, juist zoals Hij ze hun had beschreven, vers 13, want diegenen behoeven geen teleurstelling te vrezen, die op Christus' woord uitgaan, overeenkomstig de orders, die hun zijn gegeven, en zij brachten alles in gereedheid voor het pascha, vers 13.
II. De viering van het Pascha overeenkomstig de wet. Als de ure gekomen was, dat zij tot het avondmaal zouden komen, zat Hij aan, waarschijnlijk aan het boveneinde der tafel, en de twaalf apostelen met Hem, Judas niet uitgezonderd, want het is mogelijk dat zij, wier hart ingenomen is door Satan en vervuld is van alle boosheid en goddeloosheid, nog een schonen schijn van Godsdienstigheid bewaren, en in de uitwendige beoefening er van gevonden worden, en zolang dit in het hart is en niet uitbreekt in ergerlijke zaken, kunnen aan de zodanige de uitwendige voorrechten niet ontzegd worden van hun uitwendige belijdenis. Hoewel Judas zich reeds aan een openlijke daad van verraad had schuldig gemaakt, was zij toch niet openlijk bekend geworden, en Christus laat hem toe om met de overigen aan te zitten. Merk nu op:
1. Hoe Christus dit Pascha welkom heet, om ons te leren evenzo Zijn Pascha welkom te heetten, namelijk des Heeren Avondmaal, en er ons met lust en liefde toe te begeven, vers 15 :Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde. Hij wist dat het de inleiding zou zijn tot Zijn lijden, en Hij begeerde het, omdat het strekken zou tot heerlijkheid Zijns Vaders en de verlossing der mensen. Hij verlustigde er zich in om zelfs dat gedeelte te doen van den wil van God betreffende Hem als Middelaar. Zullen wij dan traag zijn en aarzelen om enigerlei dienst te verrichten voor Hem, die zo ijverig en voortvarend is geweest om het werk onzer verlossing tot stand te brengen? Zie welk een liefde Hij had voor de discipelen. Hij begeerde het te eten met hen, opdat Hij en zij nog enigen tijd tezamen konden zijn, met hen, en niemand anders, om nog met elkaar in het bijzonder te kunnen spreken, hetgeen te Jeruzalem niet anders dan bij deze gelegenheid kon geschieden. Hij stond nu op het punt van hen te verlaten, maar Hij begeerde grotelijks dit pascha met hen te eten, eer Hij zou lijden, alsof de vertroosting daarvan Hem blijmoediger door Zijn lijden heen zou helpen, en het Hem gemakkelijker zou maken, minder zwaar om te dragen. Ons Evangelie-Pascha, door het geloof gegeten met Jezus Christus, zal een voor- treffelijke toebereiding zijn voor lijden en beproeving, ja voor den dood zelf.
2. Hoe Christus hiermede afscheid neemt van het pascha der wet, aanduidende dat Hij hierdoor alle inzettingen der ceremoniële wet als opgeheven beschouwt, waarvan die van het pascha een der eerste en voornaamste geweest is, vers 16. Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan zal eten, en door Mijne discipelen zal het ook niet meer gevierd worden, totdat het vervuld zal zijn in het koninkrijk Gods.
a. Het was vervuld toen Christus, ons Pascha, voor ons geslacht is, 1 Corinthiërs 5:7. Dat type, die afschaduwing, werd ter zijde gesteld, omdat nu in het koninkrijk Gods het wezen was gekomen, dat van die afschaduwing de plaats innam.
b. Het was vervuld in des Heeren Avondmaal, ene inzetting van het Evangeliekoninkrijk, waarin het Pascha vervuld is geworden, en dat door de discipelen na de uitstorting des Heiligen Geestes dikwijls gevierd werd, zoals wij zien in Handelingen 2:42, 46. Zij aten er van, en van Christus kan gezegd worden, dat Hij met hen at vanwege de geestelijke gemeenschap, die zij met Hem hadden in deze inzetting. Van Hem wordt gezegd dat Hij avondmaal met hen houdt, en zij met Hem, Openbaring 3:20. Maar,
c. De volkomen vervulling van deze gedachtenisviering der vrijheid zal plaatshebben in het koninkrijk der heerlijkheid, wanneer geheel het geestelijk Israël Gods bevrijd zal zijn van de slavernij van zonde en dood, en in het bezit van het beloofde land gesteld zal zijn. Wat Hij gezegd had van het eten van het paaslam, herhaalt Hij betreffende het drinken van den paaswijn, den beker der dankzegging, waarin het ganse gezelschap aan het einde van den paasmaaltijd den gastheer bescheid deed. Dezen beker nam Hij, volgens de gewoonte, zei dank voor de verlossing van Israël uit Egypte en de bewaring hunner eerstgeborenen, en toen zei Hij: Neemt dezen, en deelt hem onder ulieden, vers 17. Dit wordt naderhand niet gezegd van den beker des sacraments, die waarschijnlijk van meer gewicht en waardij was, daar hij het Nieuwe Testament was in Zijn bloed, kan Hij hem in ieders hand geven om hen te leren er de bijzondere toepassing van te maken op hun eigen zielen, maar wat den paasbeker betreft, die afgeschaft stond te worden, daarvan volstaat het te zeggen: "Neemt hem, en deelt hem onder ulieden, doet er mede wat gij wilt, want wij zullen hem niet meer nodig hebben, vers 18. Ik zal niet meer drinken van de vrucht des wijnstoks, ik wil niet dat er meer van ge. dronken zal worden, totdat het koninkrijk Gods zal gekomen zijn, totdat de Geest is uitgestort, en dan zult gij in des Heeren Avondmaal de gedachtenis vieren van een veel heerlijker verlossing, waarvan beide de verlossing uit Egypte en de viering van het Pascha typen en voorbeelden zijn geweest. De tijd is nu zo nabij, dat het koninkrijk Gods zal opgericht worden, dat gij niet nodig hebt te eten of te drinken, voordat het gekomen is". Christus' sterven op den volgenden dag heeft het geopend. Gelijk nu Christus met veel welbehagen afscheid heeft
genomen van al de wettelijke feesten (die natuurlijk met het Paasfeest hebben opgehouden) om de Evangelische feesten in hun plaats te zien, zowel de geestelijke als de sacramentele, zo kunnen goede Christenen, als zij weggeroepen worden uit de strijdende kerk om heen te gaan naar de triomferende kerk, blijmoedig zelf hun geestelijke maaltijden voor de meer sacramentele, voor den eeuwigen feestmaaltijd inruilen.
III. De instelling van des Heeren Avondmaal, vers 19, 20. Het Pascha en de verlossing uit Egypte waren typische en profetische tekenen van een komenden Christus, die, door te sterven, ons van zonde en dood zou verlossen en van de tirannie van Satan, maar zij zullen niet meer zeggen: De Heere leeft, die ons uitgevoerd heeft uit het land van Egypte, een veel grotere verlossing zal deze in de schaduw stellen, en daarom is des Heeren Avondmaal ingesteld om een gedenkteken, ene gedachtenisviering te zijn van een Christus, die reeds gekomen is, die ons door Zijn sterven verlost heeft, en het is Zijn dood, die ons in deze inzetting op bijzondere wijze voor ogen is gesteld.
1. Het verbreken van Christus' lichaam als een offerande voor ons, wordt hier in herinnering gebracht door de breking des broods, en de offers onder de wet werden het brood onzes Gods genoemd, Leviticus 21:6, 8, 17: Dit is Mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt. En op dat offer is een feestmaaltijd ingesteld, waarin wij het op ons zelven moeten toepassen, om er de vertroosting en het voordeel van te hebben. Dat brood, hetwelk voor ons gegeven is, is aan ons gegeven om spijze te zijn voor onze ziel, want niets kan meer voedend en verzadigend wezen voor onze ziel dan de leer van Christus' verzoening voor de zonde, en de verzekerdheid dat wij deel hebben aan die verzoening, dat brood, hetwelk voor ons gebroken en gegeven is om voor de schuld te voldoen van onze zonden, is gebroken en aan ons gegeven, om de begeerte onzer ziel te verzadigen. En dit doen wij ter gedachtenis van hetgeen Hij voor ons gedaan heeft, toen Hij voor ons is gestorven, en tot een gedenkteken van hetgeen wij doen, door ons tot deelgenoten te maken van Hem en ons in een eeuwig verbond aan Hem te verbinden, gelijk de steen, dien Jozua opgericht heeft tot een getuigenis, Jozua 24:27.
2. Het vergieten van Christus' bloed, waardoor de verzoening gedaan werd, (want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen, Leviticus 17:11), voorgesteld door den wijn in den beker, en die beker wijn is een teken en kenmerk van het Nieuwe Testament, of nieuwe verbond, dat met ons gemaakt is. Het brengt in gedachtenis de verkrijging van het verbond door het bloed van Christus, en bevestigt de beloften van het verbond, die in Hem allen ja en amen zijn. Dat zal verfrissend en verkwikkend zijn voor onze ziel, zoals wijn, die het hart verheugt. In al onze gedachtenisvieringen van Christus' bloed, dat vergoten werd, moeten wij het beschouwen als vergoten voor ons, wij hadden het nodig, wij grijpen het aan, wij hopen er door bevoorrecht en beweldadigd te worden, die mij liefgehad heeft, en zich zelven voor mij overgegeven heeft. En in al onze beschouwingen van het Nieuwe Testament moeten wij het oog hebben op het bloed van Christus, die er leven en bestaan aan heeft gegeven, en ons al de beloften er van verzegelt. Ware het niet vanwege het bloed van Christus, wij zouden nooit een Nieuw Testament gehad hebben, en ware het niet vanwege het Nieuwe Testament, wij zouden nooit de betekenis gekend hebben van Christus, bloed, dat vergoten werd.