Lukas 23:50-56
Wij hebben hier een bericht van Christus' begrafenis, want Hij moet niet slechts ter dood gebracht worden, maar ook in het stof des doods worden gelegd, Psalm 22:16, overeenkomstig het vonnis, Genesis 3:19, Gij zult tot stof wederkeren. Merk op:
I. Wie Hem begroef. Zijne bekenden stonden van verre, zij hadden noch geld om de kosten, noch moeds genoeg om de blaam te dragen van Hem een eerlijke begrafenis te bezorgen, maar God verwekte iemand, die beide geld en moed daarvoor had, "een man, met name Jozef, vers 50. Hij wordt aangeduid als een goed en rechtvaardig man, een man met een vlekkelozen naam wegens zijne deugd en Godsvrucht, niet slechts rechtvaardig jegens allen, maar ook goed voor allen, die hem nodig hadden (en zorg voor het begraven der doden, gelijk betaamt aan de hoop op de opstanding der doden, is een voorbeeld van goedheid en weldadigheid). Hij was een aanzienlijk man, een raadsheer, een senator, een lid van het sanhedrin, een der ouderlingen van de Joodse kerk. Dit van hem gezegd hebbende, was het nodig er bij te voegen, dat hij, hoewel behorende tot de corporatie van hen, die Christus ter dood hadden gebracht, niet mede bewilligd had in hun raad en handel, vers 51, hoewel de meerderheid er voor was, had hij er tegen geprotesteerd, en had hij de schare niet gevolgd om kwaad te doen. De boze raad of handel, waarin wij niet bewilligd hebben, zal ons niet toegerekend worden. Maar hij had niet slechts openlijk te kennen gegeven, dat hij verschilde van de vijanden van Christus, maar in het verborgen heeft hij ingestemd met Zijne vrienden, hij zelf verwachtte ook het koninkrijk Gods. Hij geloofde de Oud Testamentische profetieën van den Messias en Zijn koninkrijk en verwachtte er de vervulling van. Dat was de man, die bij deze gelegenheid blijk gaf waren eerbied voor den Heere Jezus gehad te hebben. Er zijn velen, die hart hebben voor Christus' belangen, die, hoewel zij geen vertoon maken in hun uitwendige belijdenis er van, toch meer bereid zijn om Hem, als de genegenheid er zich toe aanbiedt, werkelijken dienst te bewijzen, dan anderen, die meer vertoon en meer gerucht maken.
II. Wat hij deed voor die begrafenis.
1. Hij ging tot Pilatus, den rechter, die Hem had veroordeeld, en begeerde het lichaam van Jezus, want hij had er de beschikking over, en hoewel hij mannen genoeg bijeen had kunnen brengen om het lichaam met geweld weg te nemen, wilde hij toch liever den wettelijken weg volgen en de zaak op vreedzame wijze tot stand brengen.
2. Hij nam het af van het kruis, en wel met zijn eigen handen naar het schijnt, en wond het in fijn lijnwaad. Men zegt dat het de gewoonte der Joden was, om het lichaam der doden in te wikkelen, zoals wij met kleine kinderen doen, en dat dit de betekenis is van het woord, dat hier gebruikt is, zodat hij het stuk linnen, dat hij er voor gekocht had, in stukken sneed en er windselen van maakte, om er het lichaam mede te omwinden. Van Lazarus wordt gezegd, dat hij gebonden was aan handen en voeten, Johannes 11:44. Voor de heiligen zijn grafklederen windselen, die zij zullen ontgroeien en afwerpen, als zij tot de rijpheid zijn gekomen van een volkomen man.
III. Waar hij begraven werd. In een graf, in een rots gehouwen, opdat de gevangenis des grafs sterk zou zijn, evenals de kerk, toen zij in duisternis was gebracht, hare wegen toegemuurd zag met uitgehouwen stenen, Klaagliederen 3:2, 9. Maar het was een graf waarin nog nooit iemand gelegd was, want Hij werd begraven om ene reden, als waarom nooit tevoren iemand begraven werd, slechts opdat Hij ten derden dage door Zijn eigen kracht weer zou opstaan, en Hij moest, als nooit iemand anders, over het graf triomferen.
IV. Wanneer Hij begraven werd. Op den dag der voorbereiding, toen de sabbat aankwam, vers 54. Dit wordt als reden gegeven, waarom er met de begrafenis zulk een haast gemaakt werd, namelijk dat de sabbat aankwam, waardoor hun aandacht voor ander werk vereist werd: de toebereiding voor den sabbat en het uitgaan om hem te verwelkomen. Het wenen moet het zaaien niet beletten. Hoewel zij in tranen waren om den dood van Christus, moeten zij zich toch begeven tot het heiligen van den sabbat, en als de sabbat aankomt, moet er voorbereiding zijn. Onze wereldlijke aangelegenheden moeten zo geschikt en geregeld worden, dat zij ons sabbatswerk niet in den weg staan, en onze heilige liefde daarvoor moet zo opgewekt zijn, dat wij er ons met lust en ijver toe kunnen begeven.
V. Wie de begrafenis bijwoonden, geen der discipelen, alleen de vrouwen, die met Hem gekomen waren uit Galilea, vers 55, en die, gelijk zij bij Hem stonden terwijl aan het kruis hing, Hem nu ook volgden, gans in tranen ongetwijfeld, en het graf aanschouwden, waar het was, welken weg er heenleidde, en hoe Zijn lichaam gelegd werd. Hiertoe werden zij geleid, niet door nieuwsgierigheid, maar door hare liefde voor den Heere Jezus, welke sterk was als de dood en door vele wateren niet uitgeblust kon worden. Hier was een stille maar geen plechtige begrafenis, en toch was Zijne rust heerlijk.
VI. Welke toebereidselen er gemaakt werden voor het balsemen van Zijn lichaam na de begrafenis, vers 56. Wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven, hetgeen veeleer een blijk was van hare liefde dan van haar geloof, want zo zij herdacht en geloofd hadden wat Hij haar zo dikwijls had gezegd, namelijk dat Hij ten derden dage zou opstaan, dan zouden zij hiervoor kosten en moeite hebben kunnen sparen, wetende dat weldra aan Zijn lichaam grotere eer bewezen zou worden door de heerlijkheid Zijner opstanding, dan zij er door de kostbaarste specerijen en zalven aan be- wijzen konden. Maar hoe druk zij het ook hadden met deze toebereidselen, "op den sabbat rustten zij", en deden er generlei dienstwerk op, niet slechts naar de gewoonte van haar volk, maar naar het gebod haars Gods, hetwelk, hoewel de dag veranderd is, evenwel nog steeds ten volle van kracht is: Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt.