Lukas 19:28-40
Wij hebben hier hetzelfde verhaal van Christus' triomfantelijken intocht in Jeruzalem-hoe die dan ook was-dat wij tevoren in Mattheus en Markus gehad hebben, laat ons hier dus slechts opmerken:
I. Dat Jezus Christus bereid en gewillig was om voor ons te lijden. Hij reisde voor hen heen, gebonden door den Geest, naar Jeruzalem, wel wetende wat aldaar met Hem zou geschieden, en toch ging Hij vooruit, opgaande naar Jeruzalem, vers 28. Hij was de voorste van het gezelschap, alsof Hij er naar verlangde op de plaats te zijn, er naar verlangde te velde te trekken en den strijd te beginnen. Was Hij zo bereid om voor ons te lijden en te sterven, en zullen wij dan aarzelen om Hem dienst te bewijzen?
II. Het was volstrekt niet onbestaanbaar met Christus' nederigheid, noch met Zijn tegenwoordigen staat van vernedering, om kort voor Zijn dood een openlijken intocht te houden in Jeruzalem. Op die wijze heeft men meer nota van Hem genomen, zodat dan ook de schande en smaad van Zijn dood des te meer zouden uitkomen.
III. Christus heeft het recht om heerschappij te oefenen over alle schepselen, en Hij kan, naar het Hem behaagt, gebruik van hen maken. Niemand bezit zijn eigendom tegen Christus, Hij heeft er eerder en meer recht op, en daarom behoren wij het Hem af te staan, als Hij het van ons eist. Christus liet ene ezelin en haar veulen halen van de krib huns eigenaars, toen Hij hun diensten nodig had, en dit mocht Hij doen, want de beesten op duizend bergen zijn Zijne, en de tamme dieren evenzo.
IV. Christus heeft aller mensen hart onder Zijn oog en in Zijne hand. Hij kon het hart neigen van hem, wie de ezelin en het veulen toebehoorden, om er in te bewilligen dat zij weggenomen werden, zodra hem gezegd werd dat de Heere die van node had.
V. Zij, die op Christus' boodschap uitgaan, kunnen er zeker van zijn dat zij zullen welslagen, vers 32. Die uitgezonden waren, vonden het gelijk Hij hun gezegd had, en de eigenaars gans bereid om ze af te staan. Het is troostrijk voor Christus' boden, dat zij brengen zullen hetgeen, waarvoor zij uitgezonden waren, indien de Heere het waarlijk van node heeft.
VI. De discipelen van Christus, die hetgeen Hij van node heeft en zij zelf niet hebben, van anderen voor Hem halen, moeten niet denken dat zij nu genoeg gedaan hebben, neen, als zij zelf iets hebben, waarmee Hij gediend en geëerd kan worden, dan moeten zij bereid zijn er Hem mede te dienen. Velen kunnen wel bereid zijn Christus te dienen op kosten van anderen, terwijl zij zelf niets voor Hem te koste willen leggen, maar deze discipelen hebben niet slechts de ezelin en het veulen voor Hem gehaald, maar zij hebben hun eigen klederen op het veulen geworpen, en waren gans bereid ze als tuig voor het dier te gebruiken, ten einde het hun Meester gemakkelijk te maken en Hem te eren.
VII. Christus' triomf is dankensstof voor de discipelen. Toen Christus nabij Jeruzalem kwam heeft God het plotseling in het hart van al de menigte der discipelen gegeven, niet slechts van de twaalven, maar van zeer veel anderen, die daar ook met Hem gekomen waren, zich te verblijden en God te loven, vers 37, en hun klederen onder Hem op den weg te spreiden, vers 36. Dit was een gewone uiting van vreugde, zoals bij het Loofhuttenfeest. Merk op: 1. Wat de stof of de aanleiding was van hun blijdschap en lof. Zij loofden God vanwege al de krachtige daden, die zij gezien hadden, al de wonderen, die Christus had gewrocht, inzonderheid de opwekking van Lazarus, die bijzonder vermeld is in Johannes 12:17, 18. Dat bracht hun ook anderen voor den geest, want nieuwe wonderen en zegeningen moeten de herinnering aan vorigen opwekken.
2. Hoe zij hun vreugde en hun lof hebben geuit, vers 38. Gezegend is de Koning, die daar komt in den naam des Heeren. Christus is de Koning, Hij komt in den naam des Heeren, bekleed met Goddelijk gezag, gezonden van den hemel, om de wet te geven en over vrede te handelen. Gezegend zij Hij. Laat ons Hem loven, make God Hem voorspoedig. Hij is gezegend tot in eeuwigheid, en wij zullen het goede van Hem zeggen. Vrede zij in den hemel. De Gods des hemels zende vrede, doe Zijne onderneming welslagen, en dan zal er ere zijn in de hoogste hemelen. Het zal strekken tot eer en heerlijkheid van den Allerhoogsten God, en de engelen, de heerlijke bewoners der wereld hierboven, zullen er Hem de eer van geven. Vergelijk dit lied van de heiligen op aarde met dat der engelen, Hoofdstuk 2:14. Beiden komen overeen om eer te geven aan God in de hoogste hemelen. Daarin is van beiden lof het middelpunt. De engelen zeggen: Vrede op aarde, zich verblijdende in de voorrechten en weldaden, die de mensen op aarde hebben door Christus. De heiligen zeggen: Vrede zij in den hemel, zich verheugende in het voorrecht, dat de engelen hebben door Christus. Zodanig is de gemeenschap, die wij hebben met de heilige engelen, dat, gelijk zij zich verblijden in den vrede op aarde, wij ons verheugen in den vrede in den hemel, den vrede, dien God maakt in Zijne hoogten, Job 25:2, en beiden in Christus, die "alle dingen verzoend heeft tot zich zelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen, die in de hemelen zijn."
VIII. Christus' triomfen en de blijde lofzeggingen Zijner discipelen zijn een doorn in het oog der trotse Farizeeën, die vijanden zijn van Hem en van Zijn koninkrijk. Er waren onder de schare sommige Farizeeën, die zo weinig met hen instemden, dat zij in toorn tegen hen waren ontstoken, en daar Christus een toonbeeld was van nederigheid en ootmoed, dachten zij dat Hij zodanige juichkreten niet zou toelaten, en dus verwachtten zij dat Hij Zijne discipelen zou bestraffen, vers 39. Maar het is Christus' eer, dat Hij, gelijk Hij de verachting der hovaardigen veracht, den lof der nederigen aanneemt.
IX. Of nu de mensen Christus al of niet loven, Hij wil, en zal en moet geloofd worden, vers 40 :Zo dezen zwijgen, en niet spreken tot lof van het koninkrijk van den Messias, zullen de stenen roepen, veeleer dan dat Christus niet geloofd en geprezen zal worden. Dit werd dan ook letterlijk vervuld, toen de mensen Christus bespotten aan het kruis, en Zijn eigen discipelen een diep stilzwijgen bewaarden, heeft de aarde gebeefd en zijn de rotsen gescheurd. De Farizeeën willen den lof van Christus tot zwijgen brengen, maar zij kunnen hun doel niet bereiken, want, gelijk God uit stenen Abraham kinderen kan verwekken, zo kan Hij zich ook uit den mond dezer kinderen lof toebereiden.