2 Koningen 1:1-8
Wij hebben hier Ahazia, de goddeloze koning van Israël, onder Gods bestraffing, beide door Zijn voorzienigheid en Zijn profeet, door Zijn roede en door Zijn woord.
I. Hij heeft tegenspoed in zijn zaken. Hoe kunnen zij verwachten voorspoedig te zijn, die doen wat kwaad is in de ogen des Heeren en Hem tot toorn verwekken? Toen hij rebelleerde tegen God, en van zijn trouw aan Hem afviel rebelleerde Moab tegen Israël, en verbrak de onderworpenheid, waarin zij lang aan de koningen van Israël geweest zijn, vers 1. De Edomieten, die aan Juda grensden, en schatplichtig waren aan de koningen van Juda, bleven dit zoals wij in het vorige hoofdstuk gezien hebben, vers 47, tot aan de slechte regering van Joram toen zij dat juk verbraken, Hoofdstuk 8:22, zoals de Moabieten dat nu deden. Als de mensen hun verbond met ons verbreken en zich onttrekken aan hun plicht, dan moeten wij nadenken over ons verbreken van het verbond met God en de veronachtzaming van onze plicht jegens Hem. De zonde verzwakt en verarmt ons. Wij zullen horen van de Moabieten in Hoofdstuk 3:5.
II. Hij wordt door lichaamskrankheid aangegrepen, niet uit een inwendige oorzaak, maar door een ernstig ongeval. Hij viel door een tralie in zijn opperzaal en werd zeer gekneusd door de val, waarbij misschien wel koorts kwam, vers 2. Overal waar wij gaan is er slechts een schrede tussen ons en de dood. Iemands huis is zijn kasteel, dat hem echter niet beveiligt tegen de oordelen Gods. De gebarsten tralie is de zoon even noodlottig, zo het Gode behaagt haar dit te doen zijn, als de boog, die in eenvoudigheid gespannen werd het aan de vader geweest is. Ahazia wilde geen poging doen om de Moabieten tenonder te brengen, uit vrees van te sterven op het slagveld, maar hoewel hij thuis blijft is hij toch niet veilig. Koninklijke paleizen bieden niet altijd een vast steunpunt aan voor de voet. De strik is voor de zondaar gelegd in de grond, waar hij die het minst verwacht, Job 18:9, 10. De gehele schepping, die zucht onder de last van de zonde van de mensen, zal ten slotte wegzinken en breken onder dat gewicht. Wie God tot zijn vijand heeft is nooit en nergens veilig.
III. In zijn benauwdheid zendt hij boden naar de god van Ekron om te vragen, of hij al of niet herstellen zal, vers 2.
1. Zijn vraag was zeer dwaas. Zal ik van deze ziekte genezen? Zelfs de natuur zou nog gevraagd hebben: "Welke middelen moet ik aanwenden om te herstellen?" Maar als iemand, die slechts begerig is te weten wat zijn lot zal zijn, maar niet om te weten wat zijn plicht is, vraagt hij slechts: Zal ik genezen? welke vraag binnen weinig tijds beantwoord zal worden. Wij behoren meer te denken aan hetgeen er na de dood van ons worden zal, dan te willen weten hoe, wanneer en waar wij zullen sterven, er meer begerig naar te zijn, dat ons gezegd wordt hoe wij ons behoorlijk kunnen gedragen in onze ziekte en er goeds uit verkrijgen voor onze ziel, dan of wij er uit zullen herstellen.
2. Zijn zenden naar Baäl-Zebub was zeer goddeloos. Een dode stomme afgod, die misschien pas was opgericht, (want afgodendienaars waren verzot op nieuwe goden) tot zijn orakel te maken, was niet minder een smaad voor zijn verstand dan voor zijn Godsdienst. Baäl-Zebub betekent "de heer van een vlieg," één van hun Baäls, die misschien zijn antwoorden gaf, hetzij door de kracht van de demonen of door de bedrieglijke kunstgrepen van de priesters, met een gonzend geluid als van een bromvlieg, of die naar zij zich inbeeldden, hun land bevrijd had van de zwermen van vliegen, waarmee het geplaagd was, of van de een of andere verwoestende ziekte, die door vliegen werd veroorzaakt. Misschien was deze afgod toen even vermaard, als lang daarna het orakel van Delphi was in Griekenland. In het Nieuwe Testament wordt de overste van de duivelen Beëlzebul genoemd Mattheus 12:24, want de goden van de heidenen waren duivels, en deze was misschien een van de vermaardste geworden.
IV. Op bevel en aanwijzing van God gaat Elia de boden tegemoet, en zendt hen terug met een antwoord, dat hun de moeite bespaart om naar Ekron te gaan. Indien Ahazia om Elia had gezonden, zich had verootmoedigd, en om zijn gebed had verzocht, hij zou een antwoord van vrede gehad kunnen hebben, maar zo hij naar de god van Ekron zendt, in plaats van naar de God van Israël, dan zal dat, evenals Sauls raadplegen van de tovenares, de mate van zijn ongerechtigheid vol doen worden en een oordeel van de dood over hem doen komen. Zij die het woord Gods niet willen raadplegen tot hun vertroosting, zullen het, of zij willen of niet, moeten horen tot hun verschrikking.
1. Hij bestraft getrouw zijn zonde, vers 3. Is het omdat er geen God in Israël is (dat is omdat gij denkt dat er geen is) of, zoals men dit ook lezen kan: omdat er geen God is, geen in Israël, dat gijlieden heengaat om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te vragen. Ekron, een verachtelijke stad van de Filistijnen, Zacheria 9:7 sedert lang door Israël veroverd.
a. Die zonde was al erg genoeg om aan de duivel de eer te geven, die aan God alleen toekomt, hetgeen evenzeer geschiedde door hun raadplegen als door hun offers. Het is zeer slecht en goddeloos om, bij wèlke gelegenheid ook en onder wèlk voorwendsel het ook zij, de duivel te raadplegen. Deze goddeloosheid heerste in de heidenwereld, Jesaja 47:12, 13, en is nog maar al te zeer zelfs in de Christenwereld overgebleven, het rijk van de duivel wordt er door ondersteund.
b. De uitlegging, die Elia er aan gaf in de naam van God, maakt haar nog erger: "Het is omdat gij denkt, niet alleen dat de God van Israël niet in staat is het u te zeggen, maar dat er in het geheel geen God is in Israël, want anders zoudt gij niet zulk een verre weg gaan om een Goddelijk antwoord te bekomen." Atheïsme in de praktijk is de oorzaak en de slechtheid van ons afwijken van God. Voorzeker denken wij dat er geen God in Israël is, als wij leven naar het goeddunken van ons hart het vlees tot onze arm stellen, en ons deel zoeken in de dingen van deze wereld.
2. In duidelijke bewoordingen spreekt hij zijn oordeel uit: "Gaat heen, en zegt hem: gij zult de dood sterven, vers 4. Daar hij zo begerig is zijn lot te kennen, dit is het, laat hem er zijn voordeel mee doen." De stellige verwachting van oordeel en toorn, die deze boodschap bij hem opwekken zal, moet hem wel in het hart treffen.
V. De boodschap hem door zijn knechten overgeleverd zijnde, vraagt hij hun door wie zij hem gezonden was, en uit hun beschrijving van de man maakt hij op, dat het Elia moest wezen, vers 7, 8. Want:
I. Zijn kleding was dezelfde, waarin hij hem gezien had aan het hof zijns vaders. Hij was met een harig gewaad bekleed, en droeg een leren gordel, een eenvoudige, gewone kledij. Johannes de Doper, de Elia van het Nieuwe Testament, geleek hierin op hem, want zijn kleding was van kameelhaar, en hij had een leren gordel om zijn lenden, Mattheus 3:4. Hij, die bekleed was met de Geest, versmaadde elk rijk of sierlijk gewaad. 2. Zijn boodschap was gelijk aan die, welke hij zijn vader placht over te leveren, over wie hij nooit goed, maar altijd kwaad geprofeteerd heeft. Elia is een van die getuigen, die nog altijd hen pijnigen, die op de aarde wonen, Openbaring 11:10. Hij, die een doorn was in Achabs ogen, zal het ook wezen in de ogen van zijn zoon, omdat hij in de voetstappen wandelt van zijn goddeloosheid, en evenals zijn vader is hij geneigd uit te roepen: Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand? Laat de zondaren bedenken dat het woord, hetwelk hun vaders getroffen heeft, nog altijd even levend en krachtig is. Zie Zacheria 1:6, . Hebreeën 4:12..