Handelingen 1:1-5
In deze verzen: I. Wordt Theofilus en wij met hem, indachtig gemaakt aan Lukas' Evangelie, en het zal ons nuttig zijn er het oog op te werpen, eer wij ons tot het bestuderen begeven van dit boek opdat wij zien mogen, niet slechts hoe dit aanvangt, waar het andere eindigt, maar dat, gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, de handelingen der apostelen ene weerspiegeling zijn van de handelingen huns Meesters, de daden Zijner genade.
1. Zijn beschermheer, aan wie hij dit boek opdraagt (ik behoorde veeleer te zeggen zijn leerling, want met die opdracht is het zijne bedoeling hem te onderwijzen en te besturen, en niet om zijne gunst of bescherming te verzoeken), is Theofilus, vers 1. In de opdracht van zijn Evangelie had hij hem als voortreffelijke Theofilus aangesproken, hier is het slechts Theofilus, niet omdat hij zijne voortreffelijkheid had verloren, of omdat zij was verminderd, m et minder glans schitterde, maar omdat hij nu zijn ambt had opgegeven- wèlk dit ook geweest moge zijn-en het vanwege zijn ambt was, dat hem deze titel was gegeven. Of wel, hij was nu ouder geworden en hield zulke eretitels in minder achting dan te voren, of het zou ook kunnen zijn, dat Lukas op meer vertrouwelijken voet met hem was gekomen, en hem dus met meer ongedwongenheid kon toespreken. Het was in de oudheid, zowel bij Christelijke als Heidense schrijvers, gebruikelijk, om hun geschriften aldus aan particuliere personen op te dragen. Maar dat sommige boeken van den Bijbel aldus tot een bijzonder persoon gericht zijn, is voor een iegelijk onzer een wenk, om ze te ontvangen als ook persoonlijk tot ons gericht, want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven.
2. Zijn Evangelie wordt hier genoemd de eerste verhandeling, die hij gemaakt had, waarop hij het oog heeft bij het schrijven van dit boek, het laatste bestemmend als een vervolg en ene bevestiging van het eerste, ton prooton logos het eerste woord. Wat van het Evangelie geschreven is, is even gewis het woord als wat er van gesproken is, ja meer, thans kennen wij geen ongeschreven woord, waaraan wij geloof moeten schenken, dan voor zo veel het overeenkomt met hetgeen geschreven is. Hij heeft het vorige boek gemaakt, en nu is hij van den Heiligen Geest gedreven, om dit te maken, want Christus' leerlingen moeten tot de volmaaktheid voortvaren, Hebreeën 6:1. En daartoe moeten hun leidslieden hen behulpzaam zijn, het volk nog wetenschap leren, Prediker 12:9, en niet denken, dat hun vorige arbeid, hoe voortreffelijk ook, hen nu van verderen arbeid zal vrijstellen, veeleer behoren zij er door opgewekt en aangemoedigd te worden, zoals Lukas hier, die, wijl hij in ene vorige verhandeling den grond heeft gelegd, in deze er nu op voort zal bouwen. Laat dit dus het andere niet verdrijven of uitwissen, laten nieuwe leerredenen en nieuwe boeken ons de ouden niet doen vergeten, maar ze ons in herinnering brengen en ons helpen om er een goed gebruik van te maken.
3. De inhoud van zijn Evangelie was al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen en te leren, en dat is ook het onderwerp der geschriften van de andere drie evangelisten.
Merk hier op: A. Christus heeft gedaan en geleerd. Wat Hij leerde werd bevestigd door de wonderwerken, die Hij deed, en die Hem bewezen te zijn een Leraar van God gekomen, Johannes 3:2. En de plichten, die Hij leerde, waren, als het ware, een afschrift van de heilige, genaderijke werken, die Hij deed, want Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten, en ook dat bewijst Hem te zijn een Leraar van God gekomen, want aan hun vruchten zult gij hen kennen. Diegenen zijn de beste Evangeliedienaren, die beide doen en leren, wier leven ene doorlopende prediking is.
B. Hij begon, beide te doen en te leren, Hij heeft het fondament gelegd van alles wat in de Christelijke kerk geleerd en gedaan moet worden. De apostelen moesten voortgaan met hetgeen Hij begonnen heeft, dezelfde dingen doen en leren. Christus is er mede begonnen, en liet er hen toen mede voortgaan, maar Hij heeft Zijn Geest gezonden, om hen tot doen en leren bekwaam te maken. Het is voor hen, die het werk des Evangelies trachten te doen, troostrijk te weten, dat Christus zelf er mede begonnen is. De grote zaligheid is begonnen verkondigd te worden door den Heere, Hebr. 2:3.
C. De vier evangelisten, en inzonderheid Lukas, hebben ons overgeleverd al hetgeen Jezus begonnen is beide te doen en te leren, niet al de bijzonderheden-de wereld zou ze niet hebben kunnen bevatten, -maar het voornaamste, zodat wij daar naar oordelen kunnen wat het alles geweest is. Wij hebben het begin van Zijne leer in Mattheus 4:17, en het begin van Zijne wonderen in Johannes 2:11. Lukas heeft al de woorden en daden van Christus behandeld, er ons een algemeen denkbeeld van gegeven, hoewel hij ze niet allen in bijzonderheden heeft vermeld.
4. Het verhaal van den evangelist loopt tot aan den dag, in welken Hij opgenomen is, vers 2. Toen heeft Christus deze wereld verlaten, zodat Zijne lichamelijke tegenwoordigheid er niet meer in gezien is. Ook het Evangelie van Markus, evenals dat van Lukas, besluit hiermede, zie Markus 16:19. Lukas 24:51. Christus is tot het laatst blijven doen en leren, totdat Hij opgenomen was voor het andere werk, dat Hij binnen den voorhang te doen had.
II. De waarheid van Christus' opstanding wordt gehandhaafd en bewezen, vers 3. Het gedeelte, dat in het vorige boek verhaald is, was van zo veel gewicht en belang, dat het nodig was om het bij alle gelegenheden te herhalen. Het grote bewijs van Zijne opstanding was, dat Hij zich levend vertoond heeft aan de apostelen, levend zijnde, heeft Hij zich aldus aan hen vertoond, en is Hij van hen gezien. Zij waren eerlijke mannen, op wier getuigenis men staat kon maken, maar de vraag is, of zij niet bedrogen waren, zoals menigeen, die het goed bedoelde, zich heeft laten bedriegen of misleiden. Maar neen, zij waren het niet, want:
1. Het waren gewisse kentekenen, die zij er van hadden, tekmêria - duidelijke kentekenen, beide, dat Hij levend was (Hij wandelde en sprak met hen, Hij at en dronk met hen), en dat Hij het zelf was en niet een ander, want Hij heeft hun herhaaldelijk de tekenen getoond van de wonden in Zijne handen, Zijne voeten en Zijne zijde, hetgeen het sterkste bewijs der zaak was.
2. Het waren vele gewisse kentekenen, en zij werden dikwijls herhaald: Hij werd veertig dagen van hen gezien, wel niet voortdurend bij hen wonende, maar hun dikwijls verschijnende en hen trapsgewijze tot de volle overtuiging er van brengende, zodat al hun smart wegens Zijn heengaan er door weggenomen werd. Dat Christus zo langen tijd op aarde bleef nadat Hij was ingegaan tot Zijn staat van verhoging en heerlijkheid, ten einde het geloof Zijner discipelen te bevestigen en hun hart te vertroosten, was zulk een voorbeeld van neerbuigende goedheid en van medelijden met gelovigen, dat wij er ten volle verzekerd door zijn een' Hogepriester te hebben, die medelijden kan hebben met onze zwakheden. III. Een algemene wenk gegeven omtrent de instructies, die Hij Zijnen discipelen gaf, nu Hij op het punt stond van hen te verlaten. En van dat Hij op hen blies, en hun verstand had geopend, waren zij beter in staat die instructies te ontvangen.
1. Hij onderrichtte hen omtrent het werk, dat zij zullen doen: "Hij heeft aan de door Hem verkoren apostelen bevelen gegeven." Christus' keuze gaat altijd samen met Zijn last, Zijne opdracht. Zij, die door Hem tot apostelen verkoren waren, verwachtten, dat Hij hun bevordering zou geven, maar in plaats hiervan gaf Hij hun bevelen. Toen Hij buiten `s lands reisde, en Zijnen dienstknechten macht gaf, en elk zijn werk, Markus 13:34, heeft Hij hun bevelen gegeven door den Heiligen Geest, waarvan Hij als Middelaar zelf vervuld was, en dien Hij hun had ingeblazen. Door hun den Heiligen Geest te geven, gaf Hij hun Zijne bevelen, want de Trooster zal een Gebieder zijn, en het was Zijn ambt om hen indachtig te maken wat Christus hun gezegd had. Hij gaf hun, die apostelen waren, bevelen door den Heiligen Geest, aldus luiden de oorspronkelijke woorden. Het was hun ontvangen van den Heiligen Geest, waardoor hun opdracht bezegeld werd, Johannes 20:22. Hij werd niet opgenomen, voordat Hij hun hun last had gegeven, en aldus Zijn werk voleindigd had.
2. Hij onderrichtte hen betreffende de leer, die zij hadden te prediken: Hij sprak tot hen van de dingen, die het koninkrijk Gods aangaan. Hij had hun een algemeen denkbeeld gegeven van dat koninkrijk, en van den tijd, wanneer het opgericht zou worden in de wereld, (in Zijne gelijkenis, Markus 13), maar hier heeft Hij hen meer ingeleid in den aard er van, als een koninkrijk der genade in deze wereld, en van heerlijkheid in de toekomende wereld, en hun het verbond geopend en verklaard, hetwelk er de handvest van is. Nu was dit bedoeld:
A. Om hen toe te bereiden tot het ontvangen van den Heiligen Geest en om te volvoeren hetgeen waartoe zij bestemd waren. Hij zegt hun in het verborgen wat zij aan de wereld zullen hebben te zeggen, en zij zullen bevinden, dat de Geest der waarheid, als Hij komt, hetzelfde zal zeggen.
B. Om een der bewijzen te zijn van Christus' opstanding. De discipelen, aan wie Hij zich levend vertoond heeft, wisten, dat Hij het was, niet alleen door hetgeen Hij hun toonde, maar door hetgeen Hij tot hen zei. Niemand dan Hij kon zo duidelijk en zo volledig spreken van de dingen, die het koninkrijk Gods aangaan. Hij heeft niet met hen gesproken over politiek, of over de koninkrijken der mensen, over filosofie, of het rijk der natuur, maar over Goddelijke dingen en het koninkrijk der genade, de dingen, die voor hen zelven, en voor hen, tot wie zij gezonden werden, van het grootste belang waren.
IV. Ene bijzondere verzekering, die hun gegeven werd, dat zij nu weldra den Heiligen Geest zullen ontvangen, en het bevel hun gegeven, om Hem te verwachten, vers 4, 5. Hij met hen vergaderd zijnde, waarschijnlijk op den berg in Galilea, waarheen Hij hen bescheiden had voor Zijn dood, want in vers 6 wordt melding gemaakt van hun wederom samengekomen zijn, om getuigen te wezen van Zijne hemelvaart. Hoewel Hij hen nu in Galilea bescheiden had, moeten zij er toch niet aan denken daar te blijven, neen, zij moeten wederkeren naar Jeruzalem, en er niet van scheiden. Let nu:
1. Op het gebod, dat Hij hun geeft om te wachten. Het was om hen op te wekken iets groots te verwachten, en zij hadden alle reden om van hun verhoogden Verlosser iets zeer groots te verwachten. A. Zij moeten wachten tot aan den bestemden tijd, die nu is niet lang na deze dagen. Zij, die door het geloof hopen, dat de beloofde zegeningen komen zullen, moeten geduldig wachten, totdat zij komen, overeenkomstig den tijd, den gezetten tijd. En wanneer, gelijk nu, de tijd nadert, dan moeten wij gelijk Daniël, er vurig en ernstig naar uitzien, Daniël 9:3.
B. Zij moeten wachten in de bestemde plaats, te Jeruzalem, want dáár het eerst moet de Geest worden uitgestort, omdat Christus Koning moet zijn op den heiligen berg Zion, en omdat des Heeren woord zal uitgaan uit Jeruzalem: dit moet de moeder-kerk wezen. Dáár is Christus gesmaad, en daarom zal Hem dáár die ere worden aangedaan, en deze gunst wordt aan Jeruzalem bewezen, om ons te leren onzen vijanden en vervolgers te vergeven. De apostelen waren te Jeruzalem meer aan gevaar blootgesteld dan in Galilea, maar als wij in den weg des plichts zijn, kunnen wij goedsmoeds op God vertrouwen voor onze veiligheid. De apostelen zullen nu als openbare personen hebben op te treden, en daarom moeten zij zich naar ene publieke plaats begeven. Jeruzalem was de geschiktste kandelaar om er deze lichten op te plaatsen.
2. De verzekering, die Hij hun geeft, dat zij niet te vergeefs zullen wachten.
A. De zegen, die voor hen bestemd is, zal komen, en zij zullen bevinden, dat die het wachten wel waardig was. Gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, dat is: Ten eerste. De Heilige Geest zal overvloediger dan ooit over u uitgestort worden. De Heilige Geest was reeds op hen geblazen, Johannes 20:22, en zij hadden er het voordeel, het weldadige, van ervaren, maar nu zullen zij ene overvloediger mate hebben van Zijne gaven, Zijne genade en vertroostingen, er mede gedoopt worden, waarin ene toespeling schijnt te zijn op de Oud-Testamentische beloften van de uitstorting des Geestes, Joël 2:28, Jesaja 44:3, 32:15. Ten tweede. "Gij zult door den Heiligen Geest worden gereinigd en gezuiverd," zoals de priesters gedoopt en gewassen werden met water, om hen voor hun heiligen dienst te bereiden. "Zij hadden het teken, gij zult de zaak hebben, die betekend werd. Gij zult geheiligd worden door de waarheid, naarmate de Geest er u al meer en meer in zal leiden, terwijl door het getuigenis des Geestes uw geweten gereinigd zal worden, opdat gij den levenden God in het apostelschap kunt dienen." Ten derde. "Hierdoor zult gij krachtiger dan ooit verbonden worden aan uwen Meester en Zijne leiding, gelijk Israël in Mozes gedoopt is in de wolk en in de zee. Zo vast zult gij aan Christus verbonden zijn, dat gij Hem nooit weer verlaten zult, uit vreze voor lijden, zoals gij Hem eens verlaten hebt."
B. Van deze gave nu des Geestes spreekt Hij: Als van de belofte des Vaders, die zij van Hem gehoord hadden, en waarop zij dus staat konden maken. De Geest werd gegeven door belofte, en het was toen de grote belofte, gelijk die van den Messias dit te voren geweest is, Lukas 1:72, en die van het eeuwige leven het nu is, 1 Johannes 2:25. Tijdelijke goede dingen worden gegeven door de Voorzienigheid, maar de Geest en geestelijke dingen worden gegeven door de belofte, Galaten 3:18. De Geest van God wordt ons niet gegeven, zoals de geest des mensen ons wordt gegeven, en in ons binnenste wordt geformeerd door den loop der natuur, Zacheria 12:1, maar door het woord van God.
1. Opdat de gave des te kostelijker zou zijn, heeft Christus de belofte des Geestes waardig geacht, om als een legaat aan Zijne kerk na te laten. 2. Opdat zij des te zekerder zou zijn, en opdat de erfgenamen der belofte overtuigd kunnen wezen van het onveranderlijke van Gods raad hierin.
3. Opdat het uit genade zij, bijzondere genade, en aangenomen zal worden door het geloof, de belofte aangrijpende, en er op steunende. Evenals Christus, zo wordt ook de Geest ontvangen door het geloof. Het was de belofte des Vaders.
1. Van Christus' Vader. Als Middelaar heeft Christus het oog gehad op God, als Zijn Vader.
2. Van onzen Vader, die, zo Hij ons de aanneming geeft tot kinderen, ons ook gewis den Geest der aanneming zal schenken, Galaten 4:5, 6. Hij zal den Geest schenken, als de Vader der lichten, als de Vader der Geesten, en als de Vader der barmhartigheden, het is de belofte des Vaders. Deze belofte van den Vader hadden zij menigmaal van Christus gehoord, inzonderheid in de afscheidsrede, die Hij kort voor Zijn dood voor hen uitsprak, en waarin Hij hun telkens en nogmaals verzekerde, dat de Trooster komen zou: Het bevestigt Gods belofte en moedigt ons aan, om er op te steunen, dat wij haar van Jezus Christus gehoord hebben, want zo vele beloften Gods als er zijn. die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen. `,Gij hebt haar van Mij gehoord, en Ik zal haar waar maken. Hij spreekt er van als van de voorzegging van Johannes den Doper, want Christus zegt hun zo ver terug te zien, vers 5. "Gij hebt het niet slechts van Mij gehoord, maar ook van Johannes, toen Hij u aan Mij overdroeg, zei Hij, Mattheus 3:11 :Ik doop u wel met water, maar die na mij komt, zal u met den Heiligen Geest dopen. Het is ene grote eer, die
Christus nu aan Johannes bewijst, niet slechts door zijne woorden aan te halen, maar door te verklaren, dat de grote gave, die nu stond te komen, er de vervulling van is. Aldus heeft Hij het woord Zijns knechts bevestigt, Jesaja 44:26. Christus kan meer doen dan Zijne dienstknechten. Het is hun ene ere om gebruikt te worden als de uitdelers van de middelen der genade, maar het is Zijn kroonrecht om den Geest der genade te geven. Hij zal u met den Heiligen Geest dopen, u door Zijn' Geest onderwijzen, en Zijn Geest geven om in u te bidden, hetgeen meer is dan de beste leraren voor ons doen kunnen.
C. Nu is het deze gave van den Heiligen Geest, die aldus werd beloofd, voorzegd en verwacht, die wij in het volgende hoofdstuk door de apostelen zullen zien ontvangen, want daarin had de belofte hare volkomene vervulling, deze was het, die komen zou, en wij verwachten gene andere, want hier wordt beloofd, dat zij gegeven zal worden, niet lang na deze dagen. Hij zegt hun niet na hoe vele dagen het zijn zal, want zij moeten elke dag in de gemoedsstemming zijn om haar te ontvangen. Andere Schriftuurplaatsen spreken van de gave des Heiligen Geestes aan gewone gelovigen, deze spreekt van die bijzondere kracht, waarmee de eerste predikers van het Evangelie en stichters der kerk door den Heiligen Geest begiftigd werden, en die hen in staat stelde om op onfeilbare wijze voor dien tijd te verhalen, en voor het nageslacht te boek te stellen wat de leer van Christus is en de bewijzen er van, zodat wij uit kracht van deze belofte en de vervulling er van het Nieuwe Testament ontvangen en aannemen als van God ingegeven.