Mattheus 22:34-40
Hier hebben wij een gesprek van Christus met een wetgeleerde uit de Farizeeën over het grote gebod der wet. Merk hierbij op:
I. De saamverbinding der Farizeeën tegen Christus, vers 34. Zij hoorden, dat Hij den Sadduceeën den mond gestopt had, hoewel hun verstand niet was geopend. Zij zijn tezamen bijeen vergaderd, niet om Hem den dank te brengen hunner partij, gelijk zij hadden behoren te doen, voor Zijn krachtige bevestiging der waarheid tegenover de Sadduceeën, de gemene vijanden van hun Godsdienst, maar om Hem te verzoeken, in de hoop van den roep te zullen verkrijgen van Hem in verlegenheid te hebben gebracht, die de Sadduceeën in verlegenheid had gebracht. Zij waren meer geërgerd en vertoornd omdat Christus geëerd werd, dan verheugd omdat den Sadduceeën de mond gestopt was, daar zij veel meer gaven om hun eigen tirannie en overleveringen, welke door Christus werden tegengestaan, dan om de leer der opstanding en van een toekomenden staat, die door de Sadduceeën werd tegengestaan. Het is een blijk van Farizese afgunst en boosaardigheid om misnoegd te zijn wegens het handhaven ener erkende en beleden waarheid, omdat dit geschiedt door hen, die wij niet genegen zijn, een openbaar goed op te offeren aan bijzondere of persoonlijke grieven en vooroordelen. Paulus was van een andere gezindheid, Filippenzen 1:18.
II. De vraag van den wetgeleerde aan Christus. De wetgeleerden bestudeerden en onderwezen de wet van Mozes, evenals de schriftgeleerden, maar naar sommiger mening bestond het verschil tussen hen hierin, dat zij meer praktische zaken behandelden dan de schriftgeleerden, zij bestudeerden en onderwezen casuïstische godgeleerdheid. Deze wetgeleerde deed Hem ene vraag, Hem verzoekende, niet met het doel Hem te verstrikken, gelijk blijkt uit Markus' verhaal van dit voorval, waar wij zien dat hij de man was, tot wie Christus zei: Gij zijt niet verre van het koninkrijk Gods, Markus 12:34, maar alleen om te weten, wat Hij zou zeggen en om een gesprek met Hem aan te knopen ter voldoening van zijn eigen en zijner vrienden nieuwsgierigheid.
1. De vraag luidde: Meester! welk is het grote gebod in de wet? Een nodeloze vraag, daar in Gods wet alles groot is, Hosea 8:12, en de wijsheid van boven onpartijdig is, onpartijdig in de wet, Maleachi 2:9, en merkt op allen. Toch is het waar, dat er sommige geboden zijn, die de beginselen zijn van de orakelen Gods, en meer omvattend zijn dan anderen. Onze Heiland spreekt van het zwaarste der wet, Hoofdstuk 23:23.
2. De bedoeling was Hem te verzoeken, Hem op de proef te stellen, niet zozeer ten opzichte van Zijne kennis als wel van Zijn oordeel. Het was een kwestie, waaromtrent verschil van gevoelen was onder de beoordelaars der wet. Sommigen vonden, dat de wet der besnijdenis het grote gebod was, anderen de wet betreffende den sabbat, nog anderen de wet op de offeranden, al naar zij zelven hierdoor getroffen of aangedaan werden. Nu wilden zij eens weten wat Christus hiervan zei, hopende het volk tegen Hem in het harnas te jagen, indien Zijn antwoord niet strookte met het algemeen heersende gevoelen, en zo Hij het ene gebod verhief en verheerlijkte, zouden zij het zo voorstellen, alsof Hij hierdoor de andere geboden minachtte en verkleinde. De vraag was onschuldig, en door vergelijking met Lukas 10:27, 28 blijkt dat het onder de wetgeleerden een uitgemaakte zaak was, dat liefde tot God en onzen naaste het grootste gebod is, en de hoofdsom van al de overige, en Christus heeft dit dáár goedgekeurd, zodat het stellen van deze vraag aan Hem hier eerder ene bedoeling was van minachting door Hem te ondervragen als een kind, dan een hatelijke bedoeling om met Hem te twisten als een tegenstander.
III. Christus' antwoord op deze vraag. Het is kostelijk voor ons, dat Hem de vraag gedaan werd, zodat wij Zijn antwoord hebben. Het is voor grote mannen gene verkleining om op eenvoudige vragen te antwoorden. Nu beveelt Christus ons dezen als de grote geboden aan, niet alsof zij dit waren met uitsluiting van anderen, maar omdat zij groot zijn, wijl zij de anderen in zich sluiten. Merk nu op:
1. Welke deze grote geboden zijn, vers 37-39. Niet de rechtswetten, dezen konden de grootsten niet wezen, nu het volk der Joden, welker zij waren, zo klein en gering was, niet de ceremoniële wetten, die konden de grootsten niet zijn, nu zij verouderd begonnen te worden en nabij de verdwijning waren, en al evenmin het een of ander zedelijk voorschrift, maar de liefde tot God en den naaste, die de bron en oorsprong is van al de anderen, welke als vanzelf daaruit zullen voortvloeien. Geheel de wet is vervuld in een woord, en dat is liefde, Romeinen 13:10. Alle gehoorzaamheid begint in genegenheid, en niets geschiedt recht in den. Godsdienst, dat dáár niet het eerst is geschied. Liefde is de leidende, de voornaamste genegenheid, die de wet geeft, en een grond geeft voor de overigen, daarom moet deze, als de voornaamste vesting, het eerst voor God veroverd en bezet worden. De mens is een schepsel, gemaakt voor liefde, daarom is de wet, in het hart geschreven, ene wet van liefde. Liefde is een klein en lieflijk woord, en, indien zij de vervulling is der wet, dan voorzeker is het juk des gebods zeer zacht. Liefde is de rust en de voldoening der ziel, indien wij op den goeden ouden weg wandelen, dan zullen wij rust vinden. De liefde tot God is het eerste en grote gebod en de hoofdsom van al de geboden van de eerste tafel der wet. De eigenaardige werkzaamheid der liefde is behagen, en dus is goed er het eigenaardige voorwerp, of doel van. Daar nu God oneindig, oorspronkelijk en eeuwig goed is, moet Hij in de eerste plaats worden bemind, moet men buiten Hem niets liefhebben dan hetgeen men om Zijnentwil liefheeft. Liefde is het eerste en grootste, dat God van ons eist, en dus ook het eerste en grootste, dat wij Hem behoren te wijden. Nu wordt ons hier gezegd, dat wij
a. God moeten liefhebben als den onzen. Gij zult liefhebben den Heere uwen God als den uwen. Het eerste gebod luidt: Gij zult geen anderen God hebben, waarin ligt opgesloten, dat wij Hem voor onzen God moeten hebben, en dat zal onze liefde voor Hem winnen. Zij, die de zon en maan tot hun goden maakten, hebben ze liefgehad, Jeremia 8:2, Richteren 18:24. God lief te hebben als den onzen is Hem lief te hebben omdat Hij de onze is, onze Schepper, onze Eigenaar of Bezitter, onze Heerser of Bestuurder, en ons jegens Hem te gedragen als den onzen, met gehoorzaamheid aan Hem en afhankelijkheid van Hem. Wij moeten God liefhebben als met ons verzoend, tot den onzen gemaakt door het verbond, dat is de grond van dit: uwen God.
b. Hem lief te hebben met geheel ons hart, geheel onzen ziel en geheel ons verstand. Sommigen achten dat dit een en dezelfde zaak betekent, namelijk Hem lief te hebben met al onze vermogens. Anderen zien hier ene onderscheiding. Het hart, de ziel en het verstand zijn de wil, de genegenheid en het begrip, of de levens-gevoels-en verstandelijke vermogens. Onze liefde tot God moet een oprechte liefde zijn, en niet slechts bestaan in het woord en de tong, zoals de liefde van hen, die zeggen Hem lief te hebben, terwijl toch hun hart niet met Hem is. Het moet een sterke liefde zijn, wij moeten Hem in de hoogste mate en met het innigste gevoel liefhebben, gelijk wij Hem moeten loven, zo moeten wij Hem liefhebben, met al wat binnen in ons is, Psalm 103: 1. Het moet een bijzondere en alles-overtreffende liefde zijn, wij moeten Hem meer liefhebben dan enig ding, dáárheen moet de stroom onzer genegenheden zich richten. Het hart moet verenigd zijn tot de liefde Gods, in tegenstelling met een verdeeld hart. Al onze liefde is nog te klein op Hem te geven, en daarom moeten alle vermogens der ziel aangewend worden voor Hem, en naar Hem uitgaan: Dit is het eerste en het grote gebod, want gehoorzaamheid hieraan is de bron der gehoorzaamheid aan al de overigen, en die dan slechts Gode welbehaaglijk is, als zij voortkomt uit liefde. Onzen naaste lief te hebben als ons zelven is het tweede grote gebod, vers 39. Het is aan het eerste gelijk. Het sluit al de geboden in van de tweede tafel der wet, gelijk het eerste de geboden der eerste tafel in zich sluit. Het is er aan gelijk, want het is er op gegrond, en vloeit er uit voort, en een zuivere liefde voor onzen broeder, dien wij gezien hebben, is zowel een voorbeeld als een bewijs van onze liefde tot God, dien wij niet gezien hebben, 1 Johannes 4:20. Hierin ligt de stilzwijgende gevolgtrekking, dat wij ons zelven liefhebben, en ook moeten liefhebben. Er is ene liefde van ons zelven, die verdorven is, en de wortel is van de grootste zonden, deze liefde moet weggedaan, gedood worden. Maar er is ook ene liefde van ons zelven, die natuurlijk is, en de regel voor den grootsten en gewichtigsten plicht, die liefde moet bewaard en geheiligd worden. Wij moeten ons zelven liefhebben, dat is: wij moeten een betamelijke liefde en achting hebben voor de waardigheid van onze natuur, een behoorlijke zorg voor het welvaren van onze ziel en van ons lichaam. Wij moeten onzen naaste liefhebben als ons zelven. Wij moeten alle mensen achten en eren, en niemand schaden of benadelen. Wij moeten welgezind zijn jegens allen, voor allen het welzijn begeren, en, als wij er de gelegenheid toe hebben, goed doen aan allen. Wij moeten onzen naaste liefhebben als ons zelven, even waarlijk en even oprecht als wij ons zelven liefhebben, en in dezelfde omstandigheden, bij dezelfde gelegenheden, ja in vele gevallen moeten wij voor het welzijn van onzen naaste ons zelven verloochenen, ons dienstbaar maken aan hun belangen, bereid en gewillig zijn om de kosten te doen en ten koste gegeven te worden voor hen, het leven te stellen voor de broeders.
2. Merk op wat het gewicht en de grootheid dezer geboden is, vers 40. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten, dat is: Dat is de hoofdsom en inhoud van al de geboden, betrekking hebbende op den praktischen Godsdienst, welke door de natuur in der mensen hart geschreven zijn, verlevendigd door Mozes, ondersteund en versterkt door de prediking en de geschriften der profeten. Aan de wet der liefde hangt alles, neem deze weg, en alles valt ter aarde en gaat teniet. Daarvoor moeten alle kerkplechtigheden wijken, evenals alle geestelijke gaven, want de liefde is de uitnemender weg. Dit is de geest der wet, die haar bezielt: het cement der wet, die haar samenvoegt, het is de wortel en oorsprong van alle andere plichten, het kort begrip van den gehelen Bijbel, niet slechts van de wet en de profeten, maar ook van het Evangelie, slechts veronderstellende dat deze liefde de vrucht is van geloof, en dat wij God liefhebben in Christus, en om Zijnentwil onzen naaste. Aan deze twee geboden hangt alles, gelijk de werking afhangt van den werker, en het gevolg van de oorzaak, want de liefde is de vervulling der wet, Romeinen 13:10 :en het einde des gebods is liefde, 1 Timotheus 1:5. De wet der liefde is de nagel in de vaste plaats diep ingeslagen van de meesters der verzamelingen, Prediker 12:11, waaraan alle heerlijkheid is gehangen van de wet en de profeten, Jesaja 22:24, een nagel, die nooit uitgetrokken zal worden, want aan dezen nagel zal al de heerlijkheid hangen van het nieuwe Jeruzalem, tot in eeuwigheid. De liefde vergaat nimmermeer. Zo laat dan ons hart uitgegoten zijn in deze twee geboden, als in een vorm, laat ons aan de verdediging en handhaving er van onzen ijver ten koste leggen, en niet voor begrippen, namen en woordentwist, alsof dezen de grote dingen waren, aan welke de wet en de profeten hangen, en alsof daaraan de liefde tot God en onzen naaste geofferd moest worden. Neen, veeleer moet voor de gebiedende macht der liefde alles wijken.