2. En vele scharen volgden Hem op Zijn reis door Perea, evenals vroeger bij Zijn tochten door Galilea, en Hij genas ze daar, zoveel zieken als men tot Hem bracht (hoofdstuk . 4:24; 8:16; 9:35; 12:15; 14:35vv).
Zagen wij op grond van het overzicht bij alle afwijkingen in bijzonderheden toch over het geheel een wezenlijke overeenstemming bij de drie eerste Evangelisten in de hoofdstukken Mattheus 4:12-18:35 Markus 1:14-9:50 Lukas 4:14-9:50 , zo zien wij van daar tot aan de laatste reis naar Jeruzalem, waar de overeenstemming weer blijkt (Mattheus 20:17vv. Markus 10:32 Lukas 18:31), zo'n verwantschap slechts in de hoofdstukken Mattheus 19:1-20:16 Markus 10:1-31 en Lukas 18:15-30 Mattheus vertelt hier wel het breedvoerigst, Lukas het kortst, toch valt de overeenstemming dadelijk in het oog; daarentegen geeft Lukas 9:51-18:14 een reisverhaal, dat ons in zijn bijzonderheden eerst uit de in Johannes 7:1-11:54 meegedeelde voorvallen duidelijk wordt. De twee eerste Evangelisten, Mattheus en Markus, hebben slechts de werkzaamheid van Jezus in Galilea willen voorstellen, om dan dadelijk tot de geschiedenis van Zijn lijden en sterven te Jeruzalem met de opstanding op de derde dag over te gaan, waarbij zij het daartussen liggend oponthoud in Perea slechts als een overgang behandelden. De derde Evangelist Lukas daarentegen heeft juist dit oponthoud in Perea met voorliefde aangehaald. Hij heeft de vroegere werkzaamheid in Galilea als een voorbereiding daarvoor zó behandeld, dat hij veel daarvan nu eerst aanhaalt; en wanneer nu, zoals hij ook werkelijk doet, de werkzaamheid in Perea slechts als een voorbereiding tot hetgeen in Judea en Jeruzalem volbracht zal worden, behandeld wordt, werd daardoor vanzelf in dat gebied ingegrepen, dat daarna de vierde Evangelist uitsluitend behandeld heeft in de tijd van de werkzaamheid van Jezus in Judea. Deze wordt verdeeld in twee hoofdafdelingen, die in Johannes 6 hun kenteken hebben, in de werkzaamheid voor en na die in Galilea. Op de laatste, in Johannes 7 beschreven, komt het dan hier aan. Wij hebben reeds in hoofdstuk . 12:22, 16:1 daarop opmerkzaam gemaakt, hoe de afdeling Lukas 9:51-13:9 gedeeltelijk) bijdragen van de werkzaamheid in Galilea bevat, voor het overige echter (Lukas 9:51-11:13 en hoofdstuk . 13:1-9) in dezelfde tijd valt, die in Johannes 7:1-10:42 aangegeven wordt, met dit onderscheid dat Johannes de aanwezigheid van Jezus in Jeruzalem en in het landschap van Judea, Lukas daarentegen de reis daarheen op de weg door Perea (boven Vers 1) behandelt. Vergelijken wij de beide Evangelisten met elkaar, dan vertelt eerst Johannes 7:1-10 hetgeen aan het vertrek van Jezus uit Galilea voorafging. Op de volgende dag namelijk, nadat de Heere naar Kapérnaüm teruggekeerd was, en daar de gesprekken met Petrus en de andere discipelen gehad had (Mattheus 17:24-18:35), kwamen Zijn broeders tot Hem en eisten van Hem de onbekendheid, waarin Hij tot hiertoe geleefd had, op te geven, het landschap Galilea voorgoed te verlaten, en op het aanstaande loofhuttenfeest naar Jeruzalem te gaan om zich daar openlijk als de Messias te verklaren en de troon van David in bezit te nemen. Wij kunnen onder deze "broeders" geen lichamelijke broeders (?) (Uit 2:23), noch zijn neven verstaan (want die had Jezus allen, behalve Joses, onder het getal van de apostelen opgenomen 10:4). Wel echter hebben wij aan zijn zwagers, de echtgenoten van zijn zusters te denken, waartoe ons het gebruik van de uitdrukking bij de Hebreeën recht geeft. Daardoor toch worden meermalen de naaste bloedverwanten, vrienden en familiebetrekkingen aangeduid, zonder over de betrekking iets anders aan te geven (Genesis 13:8; 24:27; 31:23, 32). Wij hebben daartoe des te meer recht, omdat in Markus 3:21, 31 uitdrukkelijk van hen sprake is, die de bloedverwantschap van Jezus uitmaakten, waar het woord "broeders" voor hen gebruikt wordt, tot een bewijs, dat dit woord in betrekking tot hen slechts die algemene zin heeft. Wat nu Zijn familie of Zijn broeders in meer algemene zin betreft, de beide plaatsen hfdst. 12:46 en 13:55vv. geven duidelijk te kennen, dat men zowel te Kapérnaüm als in Nazareth, waar zij hun woonplaats hadden, van zulke broeders spreken kon. Zoals wij in hoofdstuk . 8:15 verklaard hebben, hadden Zijn moeder Maria met Zijn neef Joses en de familie van Petrus zich daar tot één familie aangesloten, en het wordt nu duidelijk, waarom de Heere in ter voldoening van de didrachmen voor zichzelf en Petrus alleen betaalt, zonder ook voor de andere discipelen te zorgen. Hij handelt daar juist als de eigenlijke huisheer, hier daarentegen waren Zijn zusters of nichten, omdat zij gehuwd waren, terug gebleven, evenals de Nazarethaners slechts van hen zeggen: "Zijn ze niet allen bij ons?" terwijl zij van de broeders of neven slechts de namen aangeven. Deze zwagers worden zonder twijfel bedoeld, wanneer in Johannes 7:5 gezegd wordt: "ook Zijn broeders geloofden niet in Hem; daardoor wordt openbaar aangetoond, dat zij, evenals de meesten van hun landgenoten, in het bijzonder ook hun medeburgers van Nazareth (hoofdstuk . 13:54vv. ), niet wisten wat zij van Jezus moesten denken. Aan de ene zijde konden zij de indruk van het buitengewone, het wonderbare, dat zij in Hem zagen, niet weerstaan; zij voelden wel, dat Hij een man was, die geheel voor Messias van Israël geschikt was, en zouden het zeker graag gezien hebben, wanneer Hij Zich daarvoor ook openlijk bekend gemaakt en datgene gedaan had, wat men over het algemeen verwachtte van degene, die komen zou. Dan, zo rekenden zij, kwam er toch een groot gedeelte eer en ander geluk aan hen, als aan Zijn bloedverwanten. Aan de andere zijde echter konden zij Hem in deze positie niet als de Messias erkennen. Het leven, dat Hij tot hiertoe geleid had, voerde naar hun gedachten eerder altijd verder af van de vestiging van het Messiaanse rijk, en zou tenslotte voor Hemzelf een smadelijk einde hebben, omdat Hij Zich nu reeds niet meer openlijk in Galilea durfde vertonen en reeds vele van Zijn vroegere aanhangers daar verloren had. Met dit laatste geval stond het inderdaad zo: Jezus heeft Zich na Mattheus 15:1vv. , d. i. sinds omstreeks vier maanden, niet meer in Kapernaüm laten zien; de vroegere geestdrift, die het volk bezield had, dat men Hem zelfs nemen en koning wilde maken (Johannes 6:14vv. ), is intussen verdoofd. Men vraagt nog nauwelijks naar Hem, Hij is voor de mensen als verdwenen, ja, men mist Hem niet eens. Terwijl Zijn broeders of zwagers van de stand van zaken te Kapernaüm in hun Nazareth hoorden, doet het hun leed, dat zij zich vroeger zo weinig om Hem bekommerd hebben, die de familie uit de geringe stand, zoals zij menen, tot hoge ereplaatsen had kunnen verheffen. Zij mochten Hem niet aan doodsgevaar overlaten, waaraan Hij Zich naar hun mening door een vals ingeslagen weg blootgesteld had; zij moesten Hem op het juiste spoor brengen, waar dan nog hoop voor hen was, om tot het doel te komen. Zij hielden het voor de juiste weg, dat Hij, in plaats van Zich in Galilea als het ware in een hoek te verbergen. Zijn aanhangers in Judea en Jeruzalem, die Hij Zich vroeger gewonnen had (Johannes 2:23; 3:22vv. ), toen echter in zekere zin in de steek gelaten had (hoofdstuk . 4:12vv. ), weer opzocht en Zich voor hen als de Messias opwierp. Omdat nu de tijd nabij gekomen is, waarin spoedig de bedevaarten naar het loofhuttenfeest een aanvang nemen, begeven zij zich naar Kapérnaüm, om te zien, of zij daar Jezus niet ontmoeten kunnen, Hem hun raad meedelen en ook bij de uitvoering behulpzaam zijn. Zij ontmoeten Hem daar werkelijk, nadat Hij kort te voren, van Zijn dikwijls maandenlange afwezigheid teruggekeerd is, en stellen Hem hun plan voor. Hij wijst het echter af en vertrekt pas na hun verwijdering uit Galilea, Zich een weg kiezende, waarop Hij "niet in het openbaar, maar heimelijk, " te Jeruzalem kan komen. Deze weg wordt ons in Lukas 9:51-11:13 voorgesteld: 1) De Heere blijft aan de westzijde van de Jordaan en wil door Samaria trekken; omdat Hem echter de gevraagde herbergzaamheid door de Samaritanen geweigerd wordt, trekt Hij langs de grenzen verder, tot Salim; 2) als Hij van daaruit Zijn reis voortzet, meldt zich iemand aan om opgenomen te worden onder Zijn discipelen, aan wie Hij echter niet vergunt afscheid van zijn familie te nemen, maar tot voorwaarde stelt, dat hij dadelijk in dienst van het rijk van God treedt; 3) dadelijk daarop zendt Hij de 70 discipelen, waaronder de nieuw opgenomene zich zeker reeds bevindt, naar die plaatsen van Perea uit, waar Hij later, wanneer Hij Zijn plan voor Judea en Jeruzalem uitgevoerd heeft, zelf denkt te komen, en trekt met de twaalven zeer langzaam door het Jordaandal; 4) te Jericho ontmoet Hij de zeventig weer, die van hun zending teruggekeerd zijn, en vertelt aan een schriftgeleerde, die Hem een vraag voorgelegd heeft om Hem te verzoeken, de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan; 5) Zijn reis naar Jeruzalem voert Hem naar Bethanië, daar gaat Hij naar het huis van Martha en spreekt van het éne nodige; 6) `s avonds nog komt Hij aan de voet van de Olijfberg, brengt daar de nacht door in het gebed, en geeft de volgende morgen aan Zijn discipelen het onderricht omtrent het gebed. Hier breekt het reisverhaal van Lukas af; in Johannes 7:14vv. zien wij dan Jezus midden op het feest (zaterdag, 15 oktober van het jaar 29) in de tempel optreden; in Johannes 8:59) echter, omdat Hij door de Joden met de dood bedreigd wordt, trekt Hij Zich uit de tempel terug. Reeds bij deze 6 hoofdstukken, blijkt een groot persoonlijk belang, dat de Evangelist Lukas juist in het vijfde gedeelte van het leven van Jezus, zoals wij dat verdeeld hebben, gesteld heeft, en nog meer komt dat uit in de voorstelling van de werkzaamheid van Christus in Perea, die de overige Evangelisten eigenlijk geheel ter zijde gelaten hebben. Dat kan niet toevallig zijn, ook niet daarop berusten, dat de schriftelijke berichten, die hij gebruikte, juist voor dit gedeelte bijzonder uitgebreid geweest waren (want welke dergelijke berichten, behalve die van de twee eerste evangelisten kunnen wij ons denken, die, omdat zij voor de kerk verloren zijn gegaan, niet in de rij geplaatst waren van degenen, die hij in hoofdstuk . 1:1 uitdrukkelijk tegenover zijn eigen Evangelie stelt?) Wij geloven eerder, dat hij van nu af als ooggetuige spreekt en Zijn reisverhaal niets anders is dan een samenstelling van al hetgeen hij van begin af zelf gezien en gehoord heeft (1 Johannes 1:3). Nadat hij in hfst. 1:5-2:52 datgene samengesteld heeft, wat, behalve het in Mattheus 2 meegedeelde uit de geschiedenis van Zijn kindsheid overigens nog bekend was, om zijn Evangelie "van het begin af" (1:3) in orde te schrijven, heeft hij in 3:1-9:50 datgene weergegeven, wat de gebruikelijke overlevering (Mattheus 3:1-18:35; Markus 1:1-9:50) uit de werkzaamheid van Jezus in Galilea te berichten heeft. Daarbij heeft hij vooraf iets ter zijde gelegd, wat hij in het reisverhaal wilde opnemen, en hij begint in 9:51-56 het reisverhaal met de geschiedenis, die de inleiding is tot de geschiedenis van het leven van Jezus, en die hem uit de mond van Johannes of van zijn broeder Jakobus zelf bekend geworden is. In 9:57-62 verbindt hij dan terstond twee voorvallen uit de werkzaamheid van de Heere in Galilea (Mattheus 8:18-22) met de geschiedenis van Zijn eigen intrede in de dienst van het Woord. Terwijl wij namelijk in hoofdstuk . 8:22 hem, die zich aanmeldde om onder de volgers van Jezus te worden opgenomen met de vraag: "laat mij eerst toe, dat ik afscheid neme van degenen, die in mijn huis zijn, " als een geheel onbekende behandeld hebben, treedt hij nu uit zijn onbekendheid tevoorschijn. Hij onderscheidt zich werkelijk van die schriftgeleerde, die weliswaar geen voorwaarde stelde om Hem na te volgen, maar het hem door de Heer gegeven voorschrift niet wilde nakomen. Veel meer komt hij voor als een gelijkgezinde van de tweede, in wie wij Thomas herkenden. Het is werkelijk in onze tijd de gewoonte geworden, Lukas de schrijver van het derde Evangelie en van de Handelingen der Apostelen, als een Christen uit de heidenen te beschouwen, wiens woonplaats waarschijnlijk Antiochië geweest is. Deze veronderstelling heeft enkel tot grond de plaats Colossenzen 4:14 vgl. met vs 11 (omdat Paulus Aristarchus, Markus en Justus als zijn enige medehelpers uit "de besnijdenis" aanwijst, zo volgt het vanzelf, dat Lukas niet uit de besnijdenis geweest is, maar van heidense afkomst is). Zij behoudt echter geheel haar recht, wanneer wij daartegenover aannemen, dat hij oorspronkelijk zeker óf geheel óf gedeeltelijk van heidense ouders geboren, maar toen als proseliet van de gerechtigheid 17:9) tot de Joodse kerk overgegaan, en van daar tot kennis van Jezus Christus gekomen is. Hij is waarschijnlijk afkomstig uit een van der tien steden 4:25), waarvan wellicht Pella de hier bedoelde is; (onder de veronderstelling, dat deze stad dezelfde geweest is als het tegenwoordige Tubakat Fahil aan de Jordaan). Daar leefde hij als arts, en was reeds tot het geloof aan de Messiaanse heerlijkheid van Jezus gekomen. Toen deze, nadat Hem door de Samaritanen de herbergzaamheid geweigerd was, in de nabijheid van zijn woonplaats kwam, vatte hij het besluit op, zich als Zijn discipel aan te bieden, en werd ook, omdat hij de ernstige vermaning, die de Heere hem gaf, ter harte wist te nemen, onder het getal van de discipelen aangenomen, en spoedig daarop als een van de zeventigen uitgezonden. Wat in het bijzonder beslissend moet geweest zijn voor zijn geloof, is naar alle schijn dat gedeelte van de werkzaamheid van Christus in Galilea, dat hij op verscheidene plaatsen van zijn reisverhaal heeft ingelast en daarmee heeft willen aanwijzen, al is het niet als iets, dat hij zelf gezien en gehoord heeft, dan toch als iets, waaraan hij zelf deel heeft gehad. In 1:1vv. noemt hij namelijk de feiten van de evangelische geschiedenis, "die onder ons volkomen zekerheid hebben; " dat "onder ons" geeft te verstaan, dat, voordat het tot deze zekerheid kwam, hij reeds tot de heilige kring van de discipelen en discipelinnen van Jezus (vgl. 24:22, 24 : "sommige vrouwen van de onzen" en "sommigen ouder ons") behoorde, en hij dus van de tijd af, dat die zekerheid begon, als ooggetuige schrijft, in tegenstelling van degenen, die "ter hand genomen hebben om in orde te stellen een verhaal van de dingen. " Wanneer hij nu dadelijk bij het begin van de in de heilige kring gebeurde geschiedenissen nog niet tegenwoordig geweest is, zo heeft hij het alles toch van hen vernomen, die het van begin af aan zelf gezien hebben, en dienaars van het woord geweest zijn, en heeft hij zich niet tevreden gesteld met de verzwakte bron van de in omloop zijnde overlevering. Wat Theophilactus reeds vermoed heeft, dat de ongenoemde van de twee discipelen van Emmaüs in Lukas 24:13vv. hij zelf, Lukas, geweest is, kan nauwelijks betwijfeld worden. Eerst moet men opmerken, schrijft P. Lange, dat Lukas de geschiedenis van die discipelen alleen verhaalt, en wel zó aanschouwelijk, dat daardoor reeds het vermoeden opgewekt wordt, dat hij als ooggetuige vertelt; bijzonder opvallend is het echter, dat hij de naam van de ene discipel niet noemt, terwijl hij toch de naam van de ander opgeeft, zonder dat voor hetgeen deze zei, de bijvoeging van zijn naam van enig belang was - "met de behandeling van Johannes vergeleken, doelt dit daarop, dat de schrijver in het eerste geval van zichzelf spreekt. " In ieder geval wagen wij, verder gebruik makende van de voorheen aangehaalde plaats 1:1-4 , te beweren, dat het behoorde tot de vereisten van een Evangelist, die het ondernam om het leven van Jezus op een grondige en juiste wijze te beschrijven voor alle tijden van de kerk, dat wanneer hij ook niet van het begin af zelf alles gezien heeft en een dienaar van het woord geweest is, zoals dit met Mattheüs en Johannes het geval geweest is, hij toch met zijn eigen leven aan dat van de Heere verbonden was. Zelfs bij Markus, die eigenlijk slechts als tolk van Petrus de daden en redenen van Christus teruggeeft, heeft dit in zo verre plaats, omdat hij zonder twijfel die jongeling geweest is, die bij de gevangenneming van Jezus een rol speelt (Markus 14:51vv. ); hoe veel te meer moet het in Lukas tot zijn recht komen, die wij kennen als de helper van die apostel, die zelf verre geweest is van de Heiland gedurende Zijn aardse leven, maar dan toch ook van "Zijn Evangelie en Zijn prediking van Jezus Christus spreekt (Romeinen 16:25)! Wij gaan nog verder en wagen zelfs te beweren, dat er zeker geen geschrift van de Canon van het Nieuwe Testament is, dat door niemand anders, dan door een onmiddellijk door de Heere zelf geroepen apostel of getuige geschreven was; wat de geleerden van Apollos of Barnabas zeggen, om deze of gene tot de schrijver van de brief aan de Hebreeën te maken, en wat zij over de schrijver van de brief van Judas aanvoeren, is eveneens verbeelding en uitvinding van henzelf, als de Jakobus III, die zij aanhalen, en de ouderling Johannes, van wie zij spreken om de brief van Jakobus, de derde brief van Johannes en de Openbaring an de vermeende juiste man te brengen. De in het oog lopende gelijkheid van de brief aan de Hebreeën met het Evangelie van Lukas en de Handelingen der Apostelen, niet alleen in stijl en woorden, maar ook in eigenaardige leerpunten, geven eerder geheel ondubbelzinnig te kennen, dat deze Evangelist ook de schrijver van die brief is. Hij heeft zeker lange tijd met de gemeente te Jeruzalem in de nauwste betrekking gestaan, is een van haar oudste leden en een van haar oorspronkelijke dienaars van het Woord geweest, eer hij zich, evenals Barnabas en zelfs Petrus met de gemeente te Antiochië verbond en van daaruit een dienaar van Paulus werd. Daarom heeft hij ook, toen de Jeruzalemse gemeente na het verlies van haar apostolische herder een discipel van de Heere nodig had om haar in zware aanvechting met de autoriteit van Christus te raden, vrije toegang tot de zo eigenaardig gestemde harten; ja hij is het misschien ook geweest, die niet lang daarna de uitwijking van die gemeente naar Pella bemiddelde - 28:31). Wanneer wij recht hebben met onze veronderstelling, dat er in Lukas 9:61vv. gesproken wordt van de aanneming van Lukas zelf onder het getal van de apostelen, zo wordt het duidelijk, waarom hij van het vertrek van Jezus uit Galilea zo zelfstandig en breedvoerig schrijft; alsof zijn Evangelie een aanvulling van de beide voorafgaande was. Hij is nu in zijn levenselement, zowel wat zijn eigen persoon aangaat, als omdat de nu volgende gebeurtenis op de roeping van de heidenen tot het koninkrijk van God doelt. Om met de beide voorafgaande Evangelisten de laatste reis van Jezus naar Jeruzalem tot Zijn lijden en sterven in haar gehele grootheid en buitengewone heerlijkheid recht op de voorgrond te plaatsen, heeft hij het ook zeker volstrekt vermeden de Heere reeds nu Jeruzalems poort te doen binnentreden en in de tempel te laten verschijnen. Ja, hij laat Hem, waar Jeruzalem met zijn hoge raad en zijn volk ter sprake moeten komen, niet eens te Bethanië komen, en slaat de geschiedenis van de opwekking van Lazarus over, waarbij hij ook in geen geval aanwezig geweest is. Maar wanneer zijn reisverhaal nu ook door deze afscheiding het karakter van iets zonder samenhang of van onvolledigheid verkrijgt, zo heeft hij het toch duidelijk genoeg gemaakt en de aanvulling uit het Evangelie van Johannes, dat juist Jeruzalem en Juda tot de voornaamste schouwplaats van de werkzaamheid van Christus maakt, op de juiste wijze te doen plaatshebben. Op de ene plaats: Lukas 11:13 hebben wij dat reeds gedaan, terwijl wij gewezen hebben op hetgeen in Johannes 7:14 verteld wordt; zo laten wij Johannes verder berichten tot aan de herhaalde verdrijving van Jezus uit de tempel, die Hem noodzaakte, Zich naar de andere zijde van de Jordaan terug te trekken (Johannes 10:39vv. ), zo zien wij Hem in Lukas 13:1-9 op deze terugtocht als Hem de mensen van de door Pilatus omgebrachte Galileeërs verhalen, en Hij hen echter, nadat Hij te voren uitdrukkelijk het gesprek op Jeruzalem gebracht heeft, de gelijkenis van de onvruchtbare vijgeboom vertelt. De Evangelist geeft dan de invloed, die deze gelijkenis op het vervolg van de geschiedenis maakt, zeer bepaald daardoor te kennen, dat hij in Lukas 13:10-21 er eveneens een aanvullend bericht uit de Galilese tijd op laat volgen, zoals hij zo iemand in Lukas 11:14-12:59 heeft laten voorafgaan. Wat het daarop volgende hoofdstuk Lukas 13:22-35 betreft, zo kunnen wij in de woorden van de Heere: "Ik moet heden, en morgen, en de volgende dag reizen, " geen grond vinden om dit hoofdstuk, zoals Wieseler gedaan heeft, voor gelijktijdig aan te zien met Johannes 11:6 ; het komt echter wel goed overeen met Johannes 10:40vv. en verplaatst ons naar de tijd in het begin van het jaar 30 n. Chr. Door het "heden" verstaat de Heere het tegenwoordige gedeelte van Zijn werk, dat door Zijn terugtocht in Johannes 11:54 voorlopig afgebroken zal worden. Het "morgen" is, als Hij weer in het openbaar optreedt, wat in Lukas 17:11 verteld wordt, en gaat tot aan de intocht in Jeruzalem, de dag daarna is dan Zijn werk in de eerste dagen van de goede week Lukas 19:45vv. , waarmee Hij dadelijk dit tijdvak ingaat, waarin "Hij een einde zal nemen. " Johannes heeft, wanneer hij als de plek van de tegenwoordige werkzaamheid van Christus, de plaats aangeeft, waar Johannes de Doper vroeger gedoopt heeft, Bethabara aan de overzijde van de Jordaan (Johannes 1:28) op het oog. De getuigenis van Christus, die de Doper daar afgelegd heeft, herleefde dan ook werkelijk, hetgeen ook het doel van de Heere was, weer in de mensen, en velen geloofden in Hem. Dat ergert de Farizeeën; zij zouden Jezus daarom graag uit die landstreek weg hebben, en daarom zeggen zij Hem, terwijl zij Hem op het einde van Johannes wijzen, dat Herodes Agrippa, die toen naar alle waarschijnlijkheid weer eens te Livias resideerde, Hem naar het leven stond. Hij, de Heere, zegt tot hen, dat Hij het niet zou dulden, dat opnieuw een profeet, evenals Johannes, een uitzondering op de regel zou maken, waarnaar Jeruzalem de moordenares van de profeten was. Zijn einde zou daar door hen, Zijn tegenpartij volgen, en wel op de bepaalde tijd; maar in de hinderlagen van Herodes is geen gevaar. Hij is, terwijl Hij dat zegt, reeds op het punt om van Bethabara te vertrekken; en werkelijk trekt Hij nu naar de steden en vlekken van Perea, waar Hij Zich door de 70 discipelen heeft laten aanmelden (Lukas 10:1); daarmee staat dan de opgave van Lukas in 13:22 in betrekking, die hetgeen in Johannes 10:40vv. gezegd is, onmiddellijk verder voortzet. Wij kunnen ons nu bij Lukas 14:1-16:18 aansluiten, zonder dat een verbreking van de samenhang merkbaar zou zijn, en daar vindt dan ook dit hoofdstuk Mattheus 19:3vv. met Markus 10:2vv. zijn chronologische plaats, terwijl Lukas 16:18 daarmee gelijktijdig is. Dit is echter ook de tijd, waarin het bericht van de ziekte van Lazarus (Johannes 11:1vv. ) tot Jezus komt. Toen de Heere echter de tijding ontving, ziet Hij in de geest, dat de ziekte reeds tot de dood overgegaan is, dat Hij dus, wanneer het enkel om een genezing te doen was, te laat zou komen, en begrijpt, dat de Vader iets groter, dan hetgeen de zusters gebeden hebben, door Hem wil laten volbrengen. Terwijl Hij nu nog twee dagen op de plaats bleef, waar Hij Zich nu bevindt, maakt Hij ergens van een geschikte gelegenheid gebruik, die ons toch niet nader meegedeeld is, om de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus) te vertellen, dat klaarblijkelijk voor de discipelen een teken is, dat Lazarus in Bethanië niet meer in leven is. Zij verstaan de wenk niet, en daarom zegt de Heere hun na verloop van de beide dagen, als Hij naar Judea wil gaan, eerst figuurlijk, dan, als zij het nog niet verstaan, ronduit, hoe het met Lazarus staat en wat met hem gebeuren zal (Johannes 11:7vv. ). In het ongeloof, waardoor de Joden zich verhardden tegenover de opwekking van degene, die reeds vier dagen in het graf gelegen had, werd het dus bewaarheid, wat Jezus in Lukas 16:31 Abraham laat zeggen: "indien zij Mozes en de profeten niet horen" enz. Deze geschiedenis eindigt daarmee, dat de Heere enige tijd niet meer vrij onder de Joden wandelt, maar Zich naar Efraïm bij de woestijn Quarantania begeeft. Na omstreeks 2 weken verlaat Hij Zijn eenzaamheid weer, en terwijl Hij Zich nu naar die plaats beneden het meer van Genezareth begeeft, waar de Galilese feestgangers over de Jordaan plegen te gaan (omstreeks bij Bethsean) om aan de overzijde van dat meer naar Jericho en Jeruzalem te komen, begrijpen wij volkomen, waarom in Lukas 17:11 van Hem staat: "dat Hij door het midden van Samaria en Galilea ging. " Omdat deze plaats zich naar de tijd bij Johannes 11:54vv. aansluit, begrijpen wij dadelijk hoe Lukas in 17:1-10 woorden van Christus kan aanhalen, die nog tot de werkzaamheid in Galilea behoren, hij houdt daardoor hfdst. 16:31, 17:11 chronologisch uit elkaar, en maakt gebruik van het rustpunt, dat de volgorde van de niet geheel medegedeelde gebeurtenissen vergunt, zoals reeds in hoofdstuk . 11:14-12:59, 13:10-21 tot de mededeling van hetgeen hij uit het eerste deel van zijn Evangelie, dat over de werkzaamheid van Jezus in Galilea handelt (3:1-9:50) om de bovengemelde redenen zich voor het reisverhaal voorbehouden heeft. Uit het bovenstaande ziet men, hoe de Heere (nadat Hij in het begin van oktober 29 Galilea verlaten heeft, en van het midden van het loofhuttenfeest af tot aan het feest van de vernieuwing van de tempel (15 okt. tot 27 dec. ) in Judea en Jeruzalem Zijn werk gedaan heeft, eerst voor enigen tijd te Bethabara aan de Jordaan vertoeft. Hij is reeds op het punt van daar te vertrekken, als Hij iemand, die Hem een vraag doet over het zalig worden, met een ernstige vermaning en dreigende voorspelling antwoordt. Hoe weinig het echter het schrikbeeld van Herodes is, waardoor de Farizeeën, die jaloers zijn op Zijn toenemend aanzien, Hem uit deze streek willen verdrijven, dat Hem beweegt om verder te trekken, geeft Hij openlijk te kennen, dat Zijn weg naar de steden en markten, waaraan Hij een kwartaal geleden Zijn komst heeft laten melden, Hem altijd nader brengt aan de residentie van Herodes in Perea, dezelfde stad Livias, vanwaar 9 maanden geleden het bevel tot terdoodbrenging van de Doper uitgegaan is, en waarin de koning nu na een langere afwezigheid teruggekeerd is. De Farizeeën beproeven het daar op een andere wijze, om Hem voor het volk te schande te maken, en drijven, evenals eertijds hun ambtsbroeders in Galilea, hun spel dan eens met heimelijk bespieden, onder het masker van de vriendschap, dan eens met verdachte redenen voor de oren van het volk. Hij echter weet hun aanvallen op een meesterlijke wijze te ontkomen, scheidt Zich, evenals vroeger in Galilea, zo nu in Perea, maar veel spoediger, zowel van de onbesliste navolgers als van de verklaarde tegenpartij, en maakt Zich zoveel te meer plaatsen in de harten van de tollenaars en zondaars door Zijn herderlijke trouw om het verlorene te zoeken. De wenk, die Hij hun in de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester geeft, opdat zij hun oprechte en grondige bekering door daden zullen tonen, valt in vruchtbare grond; want de handelwijze met den onrechtvaardige mammon, zoals dat naderhand Zachéüs toont (Lukas 19:8), is niets anders dan een vrucht van het in die gelijkenis uitgestrooide zaad. Daarentegen is het hart van de Farizeeën met zulke vaste banden aan de dienst van de Mammon gebonden, dat zij liever met Jezus spotten, dan acht geven op Zijn leer, en terwijl elke heilbegerige en boetvaardige ziel met geweld in Gods rijk binnendringt, blijven zij, die zichzelf rechtvaardigen voor de mensen, buiten staan, en komen altijd nader aan het gericht (Lukas 16:14-17). Hier sluit zich dan de volgende geschiedenis aan, zoals uit de paralelle plaats, die de gehele verhandeling slechts beknopt aanduidt (Lukas 16:18), blijkt.
2. En vele scharen volgden Hem op Zijn reis door Perea, evenals vroeger bij Zijn tochten door Galilea, en Hij genas ze daar, zoveel zieken als men tot Hem bracht (hoofdstuk . 4:24; 8:16; 9:35; 12:15; 14:35vv).
Zagen wij op grond van het overzicht bij alle afwijkingen in bijzonderheden toch over het geheel een wezenlijke overeenstemming bij de drie eerste Evangelisten in de hoofdstukken Mattheus 4:12-18:35 Markus 1:14-9:50 Lukas 4:14-9:50 , zo zien wij van daar tot aan de laatste reis naar Jeruzalem, waar de overeenstemming weer blijkt (Mattheus 20:17vv. Markus 10:32 Lukas 18:31), zo'n verwantschap slechts in de hoofdstukken Mattheus 19:1-20:16 Markus 10:1-31 en Lukas 18:15-30 Mattheus vertelt hier wel het breedvoerigst, Lukas het kortst, toch valt de overeenstemming dadelijk in het oog; daarentegen geeft Lukas 9:51-18:14 een reisverhaal, dat ons in zijn bijzonderheden eerst uit de in Johannes 7:1-11:54 meegedeelde voorvallen duidelijk wordt. De twee eerste Evangelisten, Mattheus en Markus, hebben slechts de werkzaamheid van Jezus in Galilea willen voorstellen, om dan dadelijk tot de geschiedenis van Zijn lijden en sterven te Jeruzalem met de opstanding op de derde dag over te gaan, waarbij zij het daartussen liggend oponthoud in Perea slechts als een overgang behandelden. De derde Evangelist Lukas daarentegen heeft juist dit oponthoud in Perea met voorliefde aangehaald. Hij heeft de vroegere werkzaamheid in Galilea als een voorbereiding daarvoor zó behandeld, dat hij veel daarvan nu eerst aanhaalt; en wanneer nu, zoals hij ook werkelijk doet, de werkzaamheid in Perea slechts als een voorbereiding tot hetgeen in Judea en Jeruzalem volbracht zal worden, behandeld wordt, werd daardoor vanzelf in dat gebied ingegrepen, dat daarna de vierde Evangelist uitsluitend behandeld heeft in de tijd van de werkzaamheid van Jezus in Judea. Deze wordt verdeeld in twee hoofdafdelingen, die in Johannes 6 hun kenteken hebben, in de werkzaamheid voor en na die in Galilea. Op de laatste, in Johannes 7 beschreven, komt het dan hier aan. Wij hebben reeds in hoofdstuk . 12:22, 16:1 daarop opmerkzaam gemaakt, hoe de afdeling Lukas 9:51-13:9 gedeeltelijk) bijdragen van de werkzaamheid in Galilea bevat, voor het overige echter (Lukas 9:51-11:13 en hoofdstuk . 13:1-9) in dezelfde tijd valt, die in Johannes 7:1-10:42 aangegeven wordt, met dit onderscheid dat Johannes de aanwezigheid van Jezus in Jeruzalem en in het landschap van Judea, Lukas daarentegen de reis daarheen op de weg door Perea (boven Vers 1) behandelt. Vergelijken wij de beide Evangelisten met elkaar, dan vertelt eerst Johannes 7:1-10 hetgeen aan het vertrek van Jezus uit Galilea voorafging. Op de volgende dag namelijk, nadat de Heere naar Kapérnaüm teruggekeerd was, en daar de gesprekken met Petrus en de andere discipelen gehad had (Mattheus 17:24-18:35), kwamen Zijn broeders tot Hem en eisten van Hem de onbekendheid, waarin Hij tot hiertoe geleefd had, op te geven, het landschap Galilea voorgoed te verlaten, en op het aanstaande loofhuttenfeest naar Jeruzalem te gaan om zich daar openlijk als de Messias te verklaren en de troon van David in bezit te nemen. Wij kunnen onder deze "broeders" geen lichamelijke broeders (?) (Uit 2:23), noch zijn neven verstaan (want die had Jezus allen, behalve Joses, onder het getal van de apostelen opgenomen 10:4). Wel echter hebben wij aan zijn zwagers, de echtgenoten van zijn zusters te denken, waartoe ons het gebruik van de uitdrukking bij de Hebreeën recht geeft. Daardoor toch worden meermalen de naaste bloedverwanten, vrienden en familiebetrekkingen aangeduid, zonder over de betrekking iets anders aan te geven (Genesis 13:8; 24:27; 31:23, 32). Wij hebben daartoe des te meer recht, omdat in Markus 3:21, 31 uitdrukkelijk van hen sprake is, die de bloedverwantschap van Jezus uitmaakten, waar het woord "broeders" voor hen gebruikt wordt, tot een bewijs, dat dit woord in betrekking tot hen slechts die algemene zin heeft. Wat nu Zijn familie of Zijn broeders in meer algemene zin betreft, de beide plaatsen hfdst. 12:46 en 13:55vv. geven duidelijk te kennen, dat men zowel te Kapérnaüm als in Nazareth, waar zij hun woonplaats hadden, van zulke broeders spreken kon. Zoals wij in hoofdstuk . 8:15 verklaard hebben, hadden Zijn moeder Maria met Zijn neef Joses en de familie van Petrus zich daar tot één familie aangesloten, en het wordt nu duidelijk, waarom de Heere in ter voldoening van de didrachmen voor zichzelf en Petrus alleen betaalt, zonder ook voor de andere discipelen te zorgen. Hij handelt daar juist als de eigenlijke huisheer, hier daarentegen waren Zijn zusters of nichten, omdat zij gehuwd waren, terug gebleven, evenals de Nazarethaners slechts van hen zeggen: "Zijn ze niet allen bij ons?" terwijl zij van de broeders of neven slechts de namen aangeven. Deze zwagers worden zonder twijfel bedoeld, wanneer in Johannes 7:5 gezegd wordt: "ook Zijn broeders geloofden niet in Hem; daardoor wordt openbaar aangetoond, dat zij, evenals de meesten van hun landgenoten, in het bijzonder ook hun medeburgers van Nazareth (hoofdstuk . 13:54vv. ), niet wisten wat zij van Jezus moesten denken. Aan de ene zijde konden zij de indruk van het buitengewone, het wonderbare, dat zij in Hem zagen, niet weerstaan; zij voelden wel, dat Hij een man was, die geheel voor Messias van Israël geschikt was, en zouden het zeker graag gezien hebben, wanneer Hij Zich daarvoor ook openlijk bekend gemaakt en datgene gedaan had, wat men over het algemeen verwachtte van degene, die komen zou. Dan, zo rekenden zij, kwam er toch een groot gedeelte eer en ander geluk aan hen, als aan Zijn bloedverwanten. Aan de andere zijde echter konden zij Hem in deze positie niet als de Messias erkennen. Het leven, dat Hij tot hiertoe geleid had, voerde naar hun gedachten eerder altijd verder af van de vestiging van het Messiaanse rijk, en zou tenslotte voor Hemzelf een smadelijk einde hebben, omdat Hij Zich nu reeds niet meer openlijk in Galilea durfde vertonen en reeds vele van Zijn vroegere aanhangers daar verloren had. Met dit laatste geval stond het inderdaad zo: Jezus heeft Zich na Mattheus 15:1vv. , d. i. sinds omstreeks vier maanden, niet meer in Kapernaüm laten zien; de vroegere geestdrift, die het volk bezield had, dat men Hem zelfs nemen en koning wilde maken (Johannes 6:14vv. ), is intussen verdoofd. Men vraagt nog nauwelijks naar Hem, Hij is voor de mensen als verdwenen, ja, men mist Hem niet eens. Terwijl Zijn broeders of zwagers van de stand van zaken te Kapérnaüm in hun Nazareth hoorden, doet het hun leed, dat zij zich vroeger zo weinig om Hem bekommerd hebben, die de familie uit de geringe stand, zoals zij menen, tot hoge ereplaatsen had kunnen verheffen. Zij mochten Hem niet aan doodsgevaar overlaten, waaraan Hij Zich naar hun mening door een vals ingeslagen weg blootgesteld had; zij moesten Hem op het juiste spoor brengen, waar dan nog hoop voor hen was, om tot het doel te komen. Zij hielden het voor de juiste weg, dat Hij, in plaats van Zich in Galilea als het ware in een hoek te verbergen. Zijn aanhangers in Judea en Jeruzalem, die Hij Zich vroeger gewonnen had (Johannes 2:23; 3:22vv. ), toen echter in zekere zin in de steek gelaten had (hoofdstuk . 4:12vv. ), weer opzocht en Zich voor hen als de Messias opwierp. Omdat nu de tijd nabij gekomen is, waarin spoedig de bedevaarten naar het loofhuttenfeest een aanvang nemen, begeven zij zich naar Kapernaüm, om te zien, of zij daar Jezus niet ontmoeten kunnen, Hem hun raad meedelen en ook bij de uitvoering behulpzaam zijn. Zij ontmoeten Hem daar werkelijk, nadat Hij kort te voren, van Zijn dikwijls maandenlange afwezigheid teruggekeerd is, en stellen Hem hun plan voor. Hij wijst het echter af en vertrekt pas na hun verwijdering uit Galilea, Zich een weg kiezende, waarop Hij "niet in het openbaar, maar heimelijk, " te Jeruzalem kan komen. Deze weg wordt ons in Lukas 9:51-11:13 voorgesteld: 1) De Heere blijft aan de westzijde van de Jordaan en wil door Samaria trekken; omdat Hem echter de gevraagde herbergzaamheid door de Samaritanen geweigerd wordt, trekt Hij langs de grenzen verder, tot Salim; 2) als Hij van daaruit Zijn reis voortzet, meldt zich iemand aan om opgenomen te worden onder Zijn discipelen, aan wie Hij echter niet vergunt afscheid van zijn familie te nemen, maar tot voorwaarde stelt, dat hij dadelijk in dienst van het rijk van God treedt; 3) dadelijk daarop zendt Hij de 70 discipelen, waaronder de nieuw opgenomene zich zeker reeds bevindt, naar die plaatsen van Perea uit, waar Hij later, wanneer Hij Zijn plan voor Judea en Jeruzalem uitgevoerd heeft, zelf denkt te komen, en trekt met de twaalven zeer langzaam door het Jordaandal; 4) te Jericho ontmoet Hij de zeventig weer, die van hun zending teruggekeerd zijn, en vertelt aan een schriftgeleerde, die Hem een vraag voorgelegd heeft om Hem te verzoeken, de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan; 5) Zijn reis naar Jeruzalem voert Hem naar Bethanië, daar gaat Hij naar het huis van Martha en spreekt van het éne nodige; 6) `s avonds nog komt Hij aan de voet van de Olijfberg, brengt daar de nacht door in het gebed, en geeft de volgende morgen aan Zijn discipelen het onderricht omtrent het gebed. Hier breekt het reisverhaal van Lukas af; in Johannes 7:14vv. zien wij dan Jezus midden op het feest (zaterdag, 15 oktober van het jaar 29) in de tempel optreden; in Johannes 8:59) echter, omdat Hij door de Joden met de dood bedreigd wordt, trekt Hij Zich uit de tempel terug. Reeds bij deze 6 hoofdstukken, blijkt een groot persoonlijk belang, dat de Evangelist Lukas juist in het vijfde gedeelte van het leven van Jezus, zoals wij dat verdeeld hebben, gesteld heeft, en nog meer komt dat uit in de voorstelling van de werkzaamheid van Christus in Perea, die de overige Evangelisten eigenlijk geheel ter zijde gelaten hebben. Dat kan niet toevallig zijn, ook niet daarop berusten, dat de schriftelijke berichten, die hij gebruikte, juist voor dit gedeelte bijzonder uitgebreid geweest waren (want welke dergelijke berichten, behalve die van de twee eerste evangelisten kunnen wij ons denken, die, omdat zij voor de kerk verloren zijn gegaan, niet in de rij geplaatst waren van degenen, die hij in hoofdstuk . 1:1 uitdrukkelijk tegenover zijn eigen Evangelie stelt?) Wij geloven eerder, dat hij van nu af als ooggetuige spreekt en Zijn reisverhaal niets anders is dan een samenstelling van al hetgeen hij van begin af zelf gezien en gehoord heeft (1 Johannes 1:3). Nadat hij in hfst. 1:5-2:52 datgene samengesteld heeft, wat, behalve het in Mattheus 2 meegedeelde uit de geschiedenis van Zijn kindsheid overigens nog bekend was, om zijn Evangelie "van het begin af" (1:3) in orde te schrijven, heeft hij in 3:1-9:50 datgene weergegeven, wat de gebruikelijke overlevering (Mattheus 3:1-18:35; Markus 1:1-9:50) uit de werkzaamheid van Jezus in Galilea te berichten heeft. Daarbij heeft hij vooraf iets ter zijde gelegd, wat hij in het reisverhaal wilde opnemen, en hij begint in 9:51-56 het reisverhaal met de geschiedenis, die de inleiding is tot de geschiedenis van het leven van Jezus, en die hem uit de mond van Johannes of van zijn broeder Jakobus zelf bekend geworden is. In 9:57-62 verbindt hij dan terstond twee voorvallen uit de werkzaamheid van de Heere in Galilea (Mattheus 8:18-22) met de geschiedenis van Zijn eigen intrede in de dienst van het Woord. Terwijl wij namelijk in hoofdstuk . 8:22 hem, die zich aanmeldde om onder de volgers van Jezus te worden opgenomen met de vraag: "laat mij eerst toe, dat ik afscheid neme van degenen, die in mijn huis zijn, " als een geheel onbekende behandeld hebben, treedt hij nu uit zijn onbekendheid te voorschijn. Hij onderscheidt zich werkelijk van die schriftgeleerde, die weliswaar geen voorwaarde stelde om Hem na te volgen, maar het hem door de Heer gegeven voorschrift niet wilde nakomen. Veel meer komt hij voor als een gelijkgezinde van de tweede, in wie wij Thomas herkenden. Het is werkelijk in onze tijd de gewoonte geworden, Lukas de schrijver van het derde Evangelie en van de Handelingen der Apostelen, als een Christen uit de heidenen te beschouwen, wiens woonplaats waarschijnlijk Antiochië geweest is. Deze veronderstelling heeft enkel tot grond de plaats Colossenzen 4:14 vgl. met vs 11 (omdat Paulus Aristarchus, Markus en Justus als zijn enige medehelpers uit "de besnijdenis" aanwijst, zo volgt het vanzelf, dat Lukas niet uit de besnijdenis geweest is, maar van heidense afkomst is). Zij behoudt echter geheel haar recht, wanneer wij daartegenover aannemen, dat hij oorspronkelijk zeker óf geheel óf gedeeltelijk van heidense ouders geboren, maar toen als proseliet van de gerechtigheid 17:9) tot de Joodse kerk overgegaan, en van daar tot kennis van Jezus Christus gekomen is. Hij is waarschijnlijk afkomstig uit een van der tien steden 4:25), waarvan wellicht Pella de hier bedoelde is; (onder de veronderstelling, dat deze stad dezelfde geweest is als het tegenwoordige Tubakat Fahil aan de Jordaan). Daar leefde hij als arts, en was reeds tot het geloof aan de Messiaanse heerlijkheid van Jezus gekomen. Toen deze, nadat Hem door de Samaritanen de herbergzaamheid geweigerd was, in de nabijheid van zijn woonplaats kwam, vatte hij het besluit op, zich als Zijn discipel aan te bieden, en werd ook, omdat hij de ernstige vermaning, die de Heere hem gaf, ter harte wist te nemen, onder het getal van de discipelen aangenomen, en spoedig daarop als een van de zeventigen uitgezonden. Wat in het bijzonder beslissend moet geweest zijn voor zijn geloof, is naar alle schijn dat gedeelte van de werkzaamheid van Christus in Galilea, dat hij op verscheidene plaatsen van zijn reisverhaal heeft ingelast en daarmee heeft willen aanwijzen, al is het niet als iets, dat hij zelf gezien en gehoord heeft, dan toch als iets, waaraan hij zelf deel heeft gehad. In 1:1vv. noemt hij namelijk de feiten van de evangelische geschiedenis, "die onder ons volkomen zekerheid hebben; " dat "onder ons" geeft te verstaan, dat, voordat het tot deze zekerheid kwam, hij reeds tot de heilige kring van de discipelen en discipelinnen van Jezus (vgl. 24:22, 24 : "sommige vrouwen van de onzen" en "sommigen ouder ons") behoorde, en hij dus van de tijd af, dat die zekerheid begon, als ooggetuige schrijft, in tegenstelling van degenen, die "ter hand genomen hebben om in orde te stellen een verhaal van de dingen. " Wanneer hij nu dadelijk bij het begin van de in de heilige kring gebeurde geschiedenissen nog niet tegenwoordig geweest is, zo heeft hij het alles toch van hen vernomen, die het van begin af aan zelf gezien hebben, en dienaars van het woord geweest zijn, en heeft hij zich niet tevreden gesteld met de verzwakte bron van de in omloop zijnde overlevering. Wat Theophilactus reeds vermoed heeft, dat de ongenoemde van de twee discipelen van Emmaüs in Lukas 24:13vv. hij zelf, Lukas, geweest is, kan nauwelijks betwijfeld worden. Eerst moet men opmerken, schrijft P. Lange, dat Lukas de geschiedenis van die discipelen alleen verhaalt, en wel zó aanschouwelijk, dat daardoor reeds het vermoeden opgewekt wordt, dat hij als ooggetuige vertelt; bijzonder opvallend is het echter, dat hij de naam van de ene discipel niet noemt, terwijl hij toch de naam van de ander opgeeft, zonder dat voor hetgeen deze zei, de bijvoeging van zijn naam van enig belang was - "met de behandeling van Johannes vergeleken, doelt dit daarop, dat de schrijver in het eerste geval van zichzelf spreekt. " In ieder geval wagen wij, verder gebruik makende van de voorheen aangehaalde plaats 1:1-4 , te beweren, dat het behoorde tot de vereisten van een Evangelist, die het ondernam om het leven van Jezus op een grondige en juiste wijze te beschrijven voor alle tijden van de kerk, dat wanneer hij ook niet van het begin af zelf alles gezien heeft en een dienaar van het woord geweest is, zoals dit met Mattheüs en Johannes het geval geweest is, hij toch met zijn eigen leven aan dat van de Heere verbonden was. Zelfs bij Markus, die eigenlijk slechts als tolk van Petrus de daden en redenen van Christus teruggeeft, heeft dit in zo verre plaats, omdat hij zonder twijfel die jongeling geweest is, die bij de gevangenneming van Jezus een rol speelt (Markus 14:51vv. ); hoe veel te meer moet het in Lukas tot zijn recht komen, die wij kennen als de helper van die apostel, die zelf verre geweest is van de Heiland gedurende Zijn aardse leven, maar dan toch ook van "Zijn Evangelie en Zijn prediking van Jezus Christus spreekt (Romeinen 16:25)! Wij gaan nog verder en wagen zelfs te beweren, dat er zeker geen geschrift van de Canon van het Nieuwe Testament is, dat door niemand anders, dan door een onmiddellijk door de Heere zelf geroepen apostel of getuige geschreven was; wat de geleerden van Apollos of Barnabas zeggen, om deze of gene tot de schrijver van de brief aan de Hebreeën te maken, en wat zij over de schrijver van de brief van Judas aanvoeren, is eveneens verbeelding en uitvinding van henzelf, als de Jakobus III, die zij aanhalen, en de ouderling Johannes, van wie zij spreken om de brief van Jakobus, de derde brief van Johannes en de Openbaring an de vermeende juiste man te brengen. De in het oog lopende gelijkheid van de brief aan de Hebreeën met het Evangelie van Lukas en de Handelingen der Apostelen, niet alleen in stijl en woorden, maar ook in eigenaardige leerpunten, geven eerder geheel ondubbelzinnig te kennen, dat deze Evangelist ook de schrijver van die brief is. Hij heeft zeker lange tijd met de gemeente te Jeruzalem in de nauwste betrekking gestaan, is een van haar oudste leden en een van haar oorspronkelijke dienaars van het Woord geweest, eer hij zich, evenals Barnabas en zelfs Petrus met de gemeente te Antiochië verbond en van daaruit een dienaar van Paulus werd. Daarom heeft hij ook, toen de Jeruzalemse gemeente na het verlies van haar apostolische herder een discipel van de Heere nodig had om haar in zware aanvechting met de autoriteit van Christus te raden, vrije toegang tot de zo eigenaardig gestemde harten; ja hij is het misschien ook geweest, die niet lang daarna de uitwijking van die gemeente naar Pella bemiddelde - 28:31). Wanneer wij recht hebben met onze veronderstelling, dat er in Lukas 9:61vv. gesproken wordt van de aanneming van Lukas zelf onder het getal van de apostelen, zo wordt het duidelijk, waarom hij van het vertrek van Jezus uit Galilea zo zelfstandig en breedvoerig schrijft; alsof zijn Evangelie een aanvulling van de beide voorafgaande was. Hij is nu in zijn levenselement, zowel wat zijn eigen persoon aangaat, als omdat de nu volgende gebeurtenis op de roeping van de heidenen tot het koninkrijk van God doelt. Om met de beide voorafgaande Evangelisten de laatste reis van Jezus naar Jeruzalem tot Zijn lijden en sterven in haar gehele grootheid en buitengewone heerlijkheid recht op de voorgrond te plaatsen, heeft hij het ook zeker volstrekt vermeden de Heere reeds nu Jeruzalems poort te doen binnentreden en in de tempel te laten verschijnen. Ja, hij laat Hem, waar Jeruzalem met zijn hoge raad en zijn volk ter sprake moeten komen, niet eens te Bethanië komen, en slaat de geschiedenis van de opwekking van Lazarus over, waarbij hij ook in geen geval aanwezig geweest is. Maar wanneer zijn reisverhaal nu ook door deze afscheiding het karakter van iets zonder samenhang of van onvolledigheid verkrijgt, zo heeft hij het toch duidelijk genoeg gemaakt en de aanvulling uit het Evangelie van Johannes, dat juist Jeruzalem en Juda tot de voornaamste schouwplaats van de werkzaamheid van Christus maakt, op de juiste wijze te doen plaatshebben. Op de ene plaats: Lukas 11:13 hebben wij dat reeds gedaan, terwijl wij gewezen hebben op hetgeen in Johannes 7:14 verteld wordt; zo laten wij Johannes verder berichten tot aan de herhaalde verdrijving van Jezus uit de tempel, die Hem noodzaakte, Zich naar de andere zijde van de Jordaan terug te trekken (Johannes 10:39vv. ), zo zien wij Hem in Lukas 13:1-9 op deze terugtocht als Hem de mensen van de door Pilatus omgebrachte Galileeërs verhalen, en Hij hen echter, nadat Hij te voren uitdrukkelijk het gesprek op Jeruzalem gebracht heeft, de gelijkenis van de onvruchtbare vijgeboom vertelt. De Evangelist geeft dan de invloed, die deze gelijkenis op het vervolg van de geschiedenis maakt, zeer bepaald daardoor te kennen, dat hij in Lukas 13:10-21 er eveneens een aanvullend bericht uit de Galilese tijd op laat volgen, zoals hij zo iemand in Lukas 11:14-12:59 heeft laten voorafgaan. Wat het daarop volgende hoofdstuk Lukas 13:22-35 betreft, zo kunnen wij in de woorden van de Heere: "Ik moet heden, en morgen, en de volgende dag reizen, " geen grond vinden om dit hoofdstuk, zoals Wieseler gedaan heeft, voor gelijktijdig aan te zien met Johannes 11:6 ; het komt echter wel goed overeen met Johannes 10:40vv. en verplaatst ons naar de tijd in het begin van het jaar 30 n. Chr. Door het "heden" verstaat de Heere het tegenwoordige gedeelte van Zijn werk, dat door Zijn terugtocht in Johannes 11:54 voorlopig afgebroken zal worden. Het "morgen" is, als Hij weer in het openbaar optreedt, wat in Lukas 17:11 verteld wordt, en gaat tot aan de intocht in Jeruzalem, de dag daarna is dan Zijn werk in de eerste dagen van de goede week Lukas 19:45vv. , waarmee Hij dadelijk dit tijdvak ingaat, waarin "Hij een einde zal nemen. " Johannes heeft, wanneer hij als de plek van de tegenwoordige werkzaamheid van Christus, de plaats aangeeft, waar Johannes de Doper vroeger gedoopt heeft, Bethabara aan de overzijde van de Jordaan (Johannes 1:28) op het oog. De getuigenis van Christus, die de Doper daar afgelegd heeft, herleefde dan ook werkelijk, hetgeen ook het doel van de Heere was, weer in de mensen, en velen geloofden in Hem. Dat ergert de Farizeeën; zij zouden Jezus daarom graag uit die landstreek weg hebben, en daarom zeggen zij Hem, terwijl zij Hem op het einde van Johannes wijzen, dat Herodes Agrippa, die toen naar alle waarschijnlijkheid weer eens te Livias resideerde, Hem naar het leven stond. Hij, de Heere, zegt tot hen, dat Hij het niet zou dulden, dat opnieuw een profeet, evenals Johannes, een uitzondering op de regel zou maken, waarnaar Jeruzalem de moordenares van de profeten was. Zijn einde zou daar door hen, Zijn tegenpartij volgen, en wel op de bepaalde tijd; maar in de hinderlagen van Herodes is geen gevaar. Hij is, terwijl Hij dat zegt, reeds op het punt om van Bethabara te vertrekken; en werkelijk trekt Hij nu naar de steden en vlekken van Perea, waar Hij Zich door de 70 discipelen heeft laten aanmelden (Lukas 10:1); daarmee staat dan de opgave van Lukas in 13:22 in betrekking, die hetgeen in Johannes 10:40vv. gezegd is, onmiddellijk verder voortzet. Wij kunnen ons nu bij Lukas 14:1-16:18 aansluiten, zonder dat een verbreking van de samenhang merkbaar zou zijn, en daar vindt dan ook dit hoofdstuk Mattheus 19:3vv. met Markus 10:2vv. zijn chronologische plaats, terwijl Lukas 16:18 daarmee gelijktijdig is. Dit is echter ook de tijd, waarin het bericht van de ziekte van Lazarus (Johannes 11:1vv. ) tot Jezus komt. Toen de Heere echter de tijding ontving, ziet Hij in de geest, dat de ziekte reeds tot de dood overgegaan is, dat Hij dus, wanneer het enkel om een genezing te doen was, te laat zou komen, en begrijpt, dat de Vader iets groter, dan hetgeen de zusters gebeden hebben, door Hem wil laten volbrengen. Terwijl Hij nu nog twee dagen op de plaats bleef, waar Hij Zich nu bevindt, maakt Hij ergens van een geschikte gelegenheid gebruik, die ons toch niet nader meegedeeld is, om de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus) te vertellen, dat klaarblijkelijk voor de discipelen een teken is, dat Lazarus in Bethanië niet meer in leven is. Zij verstaan de wenk niet, en daarom zegt de Heere hun na verloop van de beide dagen, als Hij naar Judea wil gaan, eerst figuurlijk, dan, als zij het nog niet verstaan, ronduit, hoe het met Lazarus staat en wat met hem gebeuren zal (Johannes 11:7vv. ). In het ongeloof, waardoor de Joden zich verhardden tegenover de opwekking van degene, die reeds vier dagen in het graf gelegen had, werd het dus bewaarheid, wat Jezus in Lukas 16:31 Abraham laat zeggen: "indien zij Mozes en de profeten niet horen" enz. Deze geschiedenis eindigt daarmee, dat de Heere enige tijd niet meer vrij onder de Joden wandelt, maar Zich naar Efraïm bij de woestijn Quarantania begeeft. Na omstreeks 2 weken verlaat Hij Zijn eenzaamheid weer, en terwijl Hij Zich nu naar die plaats beneden het meer van Genezareth begeeft, waar de Galilese feestgangers over de Jordaan plegen te gaan (omstreeks bij Bethsean) om aan de overzijde van dat meer naar Jericho en Jeruzalem te komen, begrijpen wij volkomen, waarom in Lukas 17:11 van Hem staat: "dat Hij door het midden van Samaria en Galilea ging. " Omdat deze plaats zich naar de tijd bij Johannes 11:54vv. aansluit, begrijpen wij dadelijk hoe Lukas in 17:1-10 woorden van Christus kan aanhalen, die nog tot de werkzaamheid in Galilea behoren, hij houdt daardoor hfdst. 16:31, 17:11 chronologisch uit elkaar, en maakt gebruik van het rustpunt, dat de volgorde van de niet geheel medegedeelde gebeurtenissen vergunt, zoals reeds in hoofdstuk . 11:14-12:59, 13:10-21 tot de mededeling van hetgeen hij uit het eerste deel van zijn Evangelie, dat over de werkzaamheid van Jezus in Galilea handelt (3:1-9:50) om de bovengemelde redenen zich voor het reisverhaal voorbehouden heeft. Uit het bovenstaande ziet men, hoe de Heere (nadat Hij in het begin van oktober 29 Galilea verlaten heeft, en van het midden van het loofhuttenfeest af tot aan het feest van de vernieuwing van de tempel (15 okt. tot 27 dec. ) in Judea en Jeruzalem Zijn werk gedaan heeft, eerst voor enigen tijd te Bethabara aan de Jordaan vertoeft. Hij is reeds op het punt van daar te vertrekken, als Hij iemand, die Hem een vraag doet over het zalig worden, met een ernstige vermaning en dreigende voorspelling antwoordt. Hoe weinig het echter het schrikbeeld van Herodes is, waardoor de Farizeeën, die jaloers zijn op Zijn toenemend aanzien, Hem uit deze streek willen verdrijven, dat Hem beweegt om verder te trekken, geeft Hij openlijk te kennen, dat Zijn weg naar de steden en markten, waaraan Hij een kwartaal geleden Zijn komst heeft laten melden, Hem altijd nader brengt aan de residentie van Herodes in Perea, dezelfde stad Livias, vanwaar 9 maanden geleden het bevel tot terdoodbrenging van de Doper uitgegaan is, en waarin de koning nu na een langere afwezigheid teruggekeerd is. De Farizeeën beproeven het daar op een andere wijze, om Hem voor het volk te schande te maken, en drijven, evenals eertijds hun ambtsbroeders in Galilea, hun spel dan eens met heimelijk bespieden, onder het masker van de vriendschap, dan eens met verdachte redenen voor de oren van het volk. Hij echter weet hun aanvallen op een meesterlijke wijze te ontkomen, scheidt Zich, evenals vroeger in Galilea, zo nu in Perea, maar veel spoediger, zowel van de onbesliste navolgers als van de verklaarde tegenpartij, en maakt Zich zoveel te meer plaatsen in de harten van de tollenaars en zondaars door Zijn herderlijke trouw om het verlorene te zoeken. De wenk, die Hij hun in de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester geeft, opdat zij hun oprechte en grondige bekering door daden zullen tonen, valt in vruchtbare grond; want de handelwijze met den onrechtvaardige mammon, zoals dat naderhand Zachéüs toont (Lukas 19:8), is niets anders dan een vrucht van het in die gelijkenis uitgestrooide zaad. Daarentegen is het hart van de Farizeeën met zulke vaste banden aan de dienst van de Mammon gebonden, dat zij liever met Jezus spotten, dan acht geven op Zijn leer, en terwijl elke heilbegerige en boetvaardige ziel met geweld in Gods rijk binnendringt, blijven zij, die zichzelf rechtvaardigen voor de mensen, buiten staan, en komen altijd nader aan het gericht (Lukas 16:14-17). Hier sluit zich dan de volgende geschiedenis aan, zoals uit de paralelle plaats, die de gehele verhandeling slechts beknopt aanduidt (Lukas 16:18), blijkt.