Markus 15:15-21
I. Wij zien hier hoe Pilatus, om aan de boosaardigheid der Joden voldoening te geven, Christus overlevert om gekruisigd te worden, vers 15. Willende der schare genoeg doen, hen bevredigen en tot rust laten komen, heeft hij hun Barabbas losgelaten, die de ergernis en de gesel des volks was, en gaf Jezus over om gekruisigd te worden, die de heerlijkheid en de zegen Zijns volks was. Hoewel hij Hem eerst gegeseld had, in de hoop dat dit hen tevreden zou stellen, maar toen niet voornemens was Hem te kruisigen, ging hij daar toch toe over, want het is niet te verwonderen, dat hij, die er zich toe kon brengen om een onschuldige te geselen, Lukas 23:16, langzamerhand er ook toe gebracht kon worden om hem te kruisigen. Christus werd gekruisigd, want dat was:
1. een bloedige dood, en zonder bloedstorting geschiedt gene vergeving, Hebreeën 9:22. Het bloed is het leven, Genesis 9:4 1), het is het voertuig der levensgeesten, waardoor de ziel aan het lichaam is verbonden, zodat de uitputting van het bloed de uitputting is van het leven. Christus moest Zijn leven voor ons geven, daarom heeft Hij Zijn bloed gestort. Het is bloed, dat voor de ziel verzoening heeft gedaan, Leviticus 17:11, en daarom is inzonderheid bevolen, dat van elk zoenoffer het bloed moest uitgestort worden en gesprengd voor het aangezicht des Heeren. Opdat Christus nu aan al deze typen zou beantwoorden, heeft Hij Zijn bloed uitgestort.
2. Het was een pijnlijke dood, de pijnen waren snerpend, want de dood heeft zijn aanval op de levensdelen gericht door de uitwendige delen, die het gevoeligst zijn. Christus is zo gestorven, dat Hij zich voelde sterven, want Hij was tegelijk de priester en het offer, zodat Hij in het sterven werkzaam was, want Hij heeft Zijne ziel gesteld tot een offer voor de zonde. Tullius noemt de kruisiging Teterrimum suppllcium -Een allerontzettendste straf: Christus wilde den dood en zijn grootste verschrikking tegengaan, en hem aldus overwinnen.
3. Het was een smadelijke dood, de dood van slaven en de ergste boosdoeners, aldus werd hij beschouwd door de Romeinen. Het kruis en de schande worden saamgevoegd. Daar God door de zonde der mensen beledigd was in Zijne eer, is het ter Zijner ere, dat Christus Hem voldoening geeft, niet slechts door zich zelven te verloochenen in, en zich voor een tijd te ontbloten van, de eer, die aan Zijn Goddelijke natuur toekwam, maar door zich te onderwerpen aan den grootsten smaad en schande, die op de menselijke natuur gelegd kon worden. Doch dit was nog niet het ergste.
4. Het was een vloekdood, aldus werd hij door de Joodse wet gebrandmerkt, Deuteronomium 21:23. Een opgehangene is Gode een vloek, ligt onder een bijzonder teken van Gods ongenoegen. Het was de dood, dien Sauls zonen gestorven zijn, toen bloedschuld van huns vaders huis verzoend moest worden, 2 Samuël 21:6. Haman en zijne zonen werden gehangen, Esther 7:10, 9:13. Wij lezen van geen der profeten van het Oude Testament, dat zij gehangen werden, maar nu Christus er zich aan onderworpen heeft om aan een hout te worden gehangen, zijn de smaad en de vloek van die soort van dood volkomen weggenomen, zodat het gene verhindering moet wezen voor de vertroosting van hen, die hetzij onschuldig, hetzij boetvaardig sterven, en ook gene vermindering, maar veeleer ene vermeerdering van de heerlijkheid van hen, die als martelaars voor Christus sterven, om, evenals Hij, aan een hout te worden gehangen.
II. Om aan den brooddronken luim der Romeinse soldaten tegemoet te komen, gaf Pilatus Hem aan hen over om bespot en mishandeld te worden, terwijl de toebereidselen voor de terechtstelling werden gemaakt. Zij riepen het ganse regiment samen, dat toen de wacht had, en gingen naar een binnenzaal, waar zij onzen Heere Jezus schandelijk beledigden als koning, zoals Hij in de zaal des hogepriesters beledigd werd als profeet en Zaligmaker.
1. Dragen koningen purperen of scharlaken klederen? Zij deden Hem een purperen mantel aan. Deze belediging, Christus aangedaan in Zijne kledij, moet voor Christenen een wenk wezen, dat hun versiersel niet zij klederen aan te trekken, 1 Petrus 3:4. Zal een purperen of scharlaken mantel ene zaak van hovaardij wezen voor een Christen, die ene zaak van smaad en schande was voor Christus?
2. Dragen koningen kronen? Zij vlochten een doornenkroon, en zetten Hem die op. Een kroon van stro, of biezen, zou reeds smaads genoeg zijn geweest, maar er moet ook pijn aan worden toegevoegd. Hij droeg de doornenkroon, die wij hadden verdiend, opdat wij de erekroon zouden dragen, die Hij verdiend heeft. Laat deze doornen ons leren wat Gideon de mannen van Sukkoth heeft geleerd, namelijk de zonde te haten, er ons onbehaaglijk en ongerust onder te gevoelen, en liefde te hebben voor Jezus Christus, die hier een lelie is onder de doornen. Als wij te eniger tijd beproefd worden door een doorn in het vlees, laat het dan onze blijvende vertroosting wezen, dat onze Hogepriester medelijden kan hebben met onze zwakheden, daar Hij zelf ervaren heeft wat doornen in het vlees zeggen willen.
3. Ontvangen koningen de toejuiching van hun onderdanen: O, Koning, leef tot in eeuwigheid"? Ook dat wordt nagebootst, "zij begonnen Hem te groeten, zeggende: Wees gegroet, koning der Joden!" Zulk een vorst en zulk een volk zijn goed genoeg voor elkaar.
4. Aan koningen worden scepters in handen gegeven, de tekenen van heerschappij, gelijk de kroon het teken is der waardigheid, om dit na te bootsen gaven zij een rietstok in zijne rechterhand. Zij die het gezag van Jezus minachten, als onnodig om er aan te gehoorzamen, die geen acht geven op de voorschriften van Zijn woord noch op de bedreigingen van Zijn toorn, geven Hem een rietstok in de hand, ja zelfs slaan zij Hem er mede op Zijn hoofd, gelijk de soldaten hier gedaan hebben, zo groot is de smaad en de belediging, die zij Hem aandoen.
5. Als onderdanen aan hun soeverein hulde deden en trouw zwoeren, plachten zij hem te kussen, en dit schenen ook dezen nu te willen doen, maar in stede hiervan bespogen zij Hem.
6. Koningen placht men geknield toe te spreken, en ook dit hebben zij spottend nagebootst, zij vielen op de knieën en aanbaden Hem. Zij deden dit om Hem te smaden en zich zelven en elkaar ten zijnen koste vrolijk te maken. Door de zonde zijn wij aan schande en eeuwige versmaadheid blootgesteld, maar onze Heere Jezus heeft zich aan dien smaad en schande onderworpen om er ons van te bevrijden. Zo werd Hij bespot, niet in Zijn eigen klederen, maar in die eens anderen, om aan te duiden dat Hij leed, niet om Zijne zonde, onzer was de misdaad, Zijner was de schande. Zij, die voorgeven zich aan Christus te onderwerpen, maar tegelijk ook de wereld en het vlees dienen, doen in werkelijkheid wat zij gedaan hebben, die spottend de knie voor Hem hebben gebogen, en Hem beledigden met hun: Wees gegroet, Gij koning der Joden! Zij, die de knieën buigen voor Christus, maar hun ziel niet buigen, die tot Hem naderen met den mond en Hem eren met de lippen, terwijl hun hart verre van Hem is, doen Hem dezelfde smaadheid aan als deze. soldaten Hem aangedaan hebben. III. Ter bestemder ure leidden de soldaten Hem van het rechthuis van Pilatus naar de plaats der terechtstelling, vers 20, als een schaap ter slachting. Hij werd weggeleid met de werkers der ongerechtigheid, hoewel Hij niet gezondigd heeft. Om echter Zijn dood onder den last van Zijn kruis, dat Hij moest dragen, de verdere wreedheden, die zij nog aan Hem wilden plegen te voorkomen, dwongen zij enen Simon Cyrene om Zijn kruis voor Hem te dragen. Hij "ging daar voorbij, komende van den akker," en dacht niet aan zo iets. Wij moeten het niet vreemd vinden, als er plotseling een kruis voor ons te dragen is. Het kruis was een zware, moeilijk te hanteren last, maar hij, die het enige ogenblikken droeg, had de eer, dat zijn naam vermeld staat in Gods boek, hoewel hij een onaanzienlijk, onbekend man was, zodat, overal waar dit Evangelie gepredikt wordt, dit als een gedachtenis van hem vermeld wordt. En evenzo, hoewel geen beproeving, geen kruis, als die tegenwoordig is, een zaak van vreugde, maar van droefheid schijnt te zijn, zal zij daarna toch een vreedzame vrucht der gerechtigheid van zich geven degenen, die door dezelve geoefend zijn.