Mattheus 27:33-49
Wij hebben hier de kruisiging onzes Heeren Jezus.
I. De plaats waar onze Heere Jezus ter dood werd gebracht.
1. Zij kwamen tot ene plaats, genaamd Golgotha, dicht bij Jeruzalem, waarschijnlijk de gewone plaats der strafvoltrekking. Indien Hij een eigen huis in Jeruzalem had gehad, zij zouden Hem waarschijnlijk, om Hem nog meer smaadheid aan te doen, voor Zijn eigen deur gekruisigd hebben. Maar nu werd onze Heere Jezus op dezelfde plaats, waar misdadigers aan de gerechtigheid der regering werden geofferd, aan de gerechtigheid Gods ten offer gebracht. Sommigen denken, dat de naam Hoofdschedelplaats er aan gegeven was, omdat het het algemene beenderhuis was, waar de beenderen en schedels der doden bijeengebracht werden, uit den weg, opdat de mensen ze niet zouden aanraken en er zich niet aan zouden verontreinigen. Hier lagen de trofeeën van de overwinning van den dood over menigten van mensenkinderen, en toen Christus door Zijn dood den dood teniet zou doen, heeft Hij die eer toegevoegd aan Zijne overwinning, dat Hij over den dood op zijn eigen grond heeft gezegevierd.
2. Dáár hebben zij Hem gekruisigd, vers 35. Dáár hebben zij Zijne handen en voeten aan het kruis genageld, en het toen opgericht terwijl Hij er aan hing, want dat was de wijze van kruisigen onder de Romeinen. Laat ons hart ontroerd worden bij de gedachte aan de ontzettende pijn, die onze gezegende Heiland nu leed, en laat ons zien op Hem, die aldus doorstoken werd, en treuren. Was er ooit smart gelijk aan Zijne smart? En als wij zien op de soort van dood, dien Hij gestorven is, laat ons dan daarin zien, op wat wijze Hij ons heeft liefgehad.
II. De barbaarse mishandeling, die zij Hem aandeden, waarin hun vernuft en hun boosaardigheid om den voorrang streden. Alsof de dood-zulk een ontzettende dood-nog niet genoeg was, hebben zij hun vernuft aangewend om er nog bitterheid en verschrikking aan toe te voegen:
1. Door den drank, dien zij voor Hem bereidden eer Hij aan het kruis werd genageld, vers 34. Het was de gewoonte om aan hen, die ter dood gebracht moesten worden, een beker gekruiden wijn te laten drinken, volgens het voorschrift van Salomo: Geeft sterken drank degenen, die verloren gaat, Prediker 31:6, 7, maar in den beker, waaruit zij Christus lieten drinken, hebben zij edik en gal gemengd, om hem zuur en bitter te maken. Dit betekende:
a. De zonde van den mens, die een wortel van bitterheid is, die gal en alsem draagt, Deuteronomium 29:18. De zondaar verbergt haar wellicht als iets zoets onder zijne tong, maar voor God is zij als vergiftige wijndruiven, Deuteronomium 32:32. Zo was zij voor den Heere Jezus, toen Hij onze zonden gedragen heeft, en vroeg of laat zal zij dit ook voor den zondaar zelven worden, een bitterder ding dan de dood, Prediker 7:26.
b. Het betekende de toorn Gods, die beker, dien de Vader in Zijne hand heeft gegeven, een bittere beker voorwaar! gelijk het bitterwater, hetwelk den vloek meebrengt, Numeri 5:18. Dezen drank hebben zij Hem aangeboden, zoals letterlijk voorzegd was, Psalm 69:22. En Hij smaakte dien, en had er dus het ergste van, Hij nam den bitteren smaak in Zijn mond, geen bitteren beker liet Hij van zich voorbijgaan zonder hem gesmaakt te hebben, toen Hij verzoening deed voor al ons zondig smaken van verboden vruchten. Nu smaakte Hij den dood in zijn volle bitterheid. Hij wilde dien niet drinken, omdat Hij er het beste niet van wilde hebben, Hij wilde geen verdovend of pijnstillend middel hebben, want Hij wilde zo sterven, dat Hij zich voelde sterven, omdat Hij zoveel werk te doen had als onze Hogepriester in Zijn werk van lijden.
2. Door het verdelen Zijner klederen, vers 35. Toen zij Hem aan het kruis nagelden, ontdeden zij Hem van Zijne klederen, tenminste van Zijne bovenklederen, want door de zonde zijn wij naakt geworden tot onze schande, en zo heeft Hij witte klederen voor ons verworven om er ons mede te bekleden. Als wij te eniger tijd om Christus' wil van onze geriefelijkheden worden beroofd, zo laat ons dit geduldig dragen, Hij is om onzentwil ontbloot geworden. Vijanden kunnen ons van onze klederen ontdoen, maar onze beste vertroostingen, onze kostelijkste lieflijkheid kunnen zij ons niet ontnemen, van het gewaad des lofs kunnen zij ons niet beroven. De klederen van hen, die ter dood worden gebracht, zijn voor den scherprechter, vier soldaten werden gebruikt om Christus te kruisigen, en ieder hunner moest zijn deel hebben. Zijn bovenkleed zou, indien het verdeeld werd, aan niemand nut zijn, en daarom kwamen zij overeen om er het lot over te werpen. Sommigen denken, dat dit gewaad zo schoon en rijk was, dat het wel der moeite waard was om er om te strijden, maar dit strookt niet met de armoede van Christus. Wellicht hadden zij gehoord van hen, die genezen waren door den zoom van Zijn kleed aan te raken, en dachten zij dus, dat het waarde had vanwege toverkracht, die er in verborgen zou zijn. Of zij hoopten er misschien geld voor te krijgen van Zijne vrienden. Of het was wellicht om zich te vermaken en den tijd te verdrijven, terwijl zij wachtten op Zijn dood, dat zij om die klederen gingen dobbelen. Wat zij er nu echter ook mede voorhadden, het woord van God is er in vervuld geworden. In dien vermaarden psalm, van welks eerste woorden Christus gebruik heeft gemaakt aan het kruis, is gezegd: Zij delen mijne klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad, Psalm 22:19. Dit is nooit waar geweest van David, maar ziet in de eerste en voornaamste plaats op Christus, van wie David in den geest heeft gesproken. Zo is dan de ergernis van dit deel van het kruis weggenomen, want het blijkt dat dit door den bepaalden raad en voorkennis Gods geschied is. Nu zaten zij neer en bewaakten Hem, vers 36. De overpriesters hadden er ongetwijfeld voor gezorgd, dat die wacht daar was, opdat het volk, waarvoor zij nog altijd bevreesd waren, niet zou opstaan om Hem te verlossen. Maar de Voorzienigheid heeft het zo beschikt, dat zij, die aangesteld waren om Hem te bewaken, hierdoor de onwraakbare getuigen voor Hem zijn geworden, daar zij nu zagen en hoorden hetgeen hun de edele bekentenis ontwrong, vers 53 : Waarlijk, deze was Gods Zoon.
3. Door het opschrift boven Zijn hoofd, vers 37. Het was de gewoonte om ter verdediging van de openbare gerechtigheid, en tot meerdere schande van de boosdoeners, die ter dood gebracht werden, niet slechts de misdaad, waarvoor zij de straf ondergingen, voor hen uit te laten roepen, maar die ook in schrift boven hun hoofd te plaatsen. Zo hebben zij dan ook boven het hoofd van Christus Zijne beschuldiging geschreven, ten einde het publiek in kennis er mede te stellen: Deze is Jezus, de koning der Joden, die koning, dien de Joden verwachtten en aan wie zij zich hadden behoren te onderwerpen, zodat Zijne beschuldiging hierop neerkomt: Dat Hij de ware Messias en Zaligmaker der wereld was. Evenals Bileam, toen hij geroepen werd om Israël te vervloeken, maar hen driemaal gedurig had gezegend, Numeri 24:10, zo heeft Pilatus, in plaats van Christus te beschuldigen als een misdadiger, Hem tot koning uitgeroepen, en dat wel driemaal, in drie opschriften. 4. Door Zijne metgezellen in het lijden, vers 38. Er werden tegelijk met Hem twee moordenaars gekruisigd, op dezelfde plaats en onder dezelfde bewaking, twee struikrovers, zoals de eigenlijke betekenis is van het woord. Waarschijnlijk was dit de dag bestemd voor terechtstellingen, daarom hebben zij het gerechtelijk verhoor van Christus des morgens zo haastig afgedaan, opdat Hij met de andere misdadigers ter dood gebracht zou worden. Sommigen denken, dat Pilatus dit alzo bevolen heeft. opdat dit blijk van noodzakelijke gerechtigheid in de terdoodbrenging van deze moordenaars ene vergoeding zou zijn voor zijne ongerechtigheid in de veroordeling van Christus. Anderen denken, dat de Joden dit bewerkt hebben, om aan het lijden van onzen Heere Jezus nog meer versmaadheid toe te voegen. Hoe dit zij, de Schrift is hierin vervuld geworden, Jesaja 53:12. Hij is met de overtreders geteld geweest.
a. Het was een smaad voor Hem, dat Hij met hen gekruisigd werd. Hoewel Hij, zolang Hij leefde, afgescheiden is geweest van de zondaren, waren zij toch in hun dood niet gescheiden, heeft men Hem in de straf der snoodste misdadigers doen delen, alsof Hij ook in hun zonde gedeeld had, want Hij is zonde voor ons gemaakt, en Hij heeft de gelijkheid des zondigen vlezes aangenomen. In Zijn dood is Hij met de overtreders geteld geweest, en heeft Hij Zijn deel gehad met de goddelozen, opdat wij, bij onzen dood, met de heiligen mogen gerekend worden, en ons deel mogen hebben onder de uitverkorenen.
b. Het was nog ene versmaadheid te meer, dat Hij in het midden, tussen hen in, gekruisigd werd, alsof Hij de ergste was van de drie, de voornaamste boosdoener, want onder drie is het midden de plaats voor den voornaamste. Alles, iedere omstandigheid, hebben zij doen medewerken om Hem te onteren, alsof de grote Zaligmaker onder alle anderen de grootste zondaar was. Het was ook bedoeld om Hem in verwarring en ontsteltenis te brengen, Hem in Zijn laatste ogenblikken te kwellen en te ontrusten door de kreten, het gekerm en de godslasteringen van deze boosdoeners, die naar alle waarschijnlijkheid een afgrijselijk geschreeuw aanhieven toen zij aan het kruis genageld werden, maar Christus wilde de ellende der zondaren wel dragen, toen Hij leed ter hunner verlossing. Sommigen van Christus' apostelen zijn later gekruisigd geworden, zoals Petrus en Andreas, maar geen hunner is met Hem gekruisigd, opdat het den schijn niet zou hebben, dat zij gelijkelijk met Hem deelden in Zijne onderneming van genoegdoening voor de zonde der mensen en in het verkrijgen van leven en heerlijkheid. Daarom is Hij gekruisigd tussen twee boosdoeners, van wie men niet kon veronderstellen, dat zij iets bijgedragen hebben tot de verdienste van Zijn dood, want Hij heeft onze zonde gedragen in Zijn lichaam.
5. Door de lasteringen en smaadredenen, waarmee zij Hem overlaadden, toen Hij aan het kruis hing, hoewel wij niet lezen, dat zij enigerlei spot of smaad tot de moordenaars richtten, die met Hem gekruisigd waren. Men zou zo gedacht hebben, dat, toen zij Hem aan het kruis hadden genageld, zij nu hun ergst aan Hem hadden gedaan, en dat de boosaardigheid zelf nu uitgeput zou zijn. Het is waar, als een misdadiger aan de schandpaal werd gesteld, dan was het wel de gewoonte om, daar die straf minder was dan de doodstraf, hem zulke woorden van smaad toe te roepen, maar een stervende mens, al was hij dan ook een misdadiger, moet met medelijden worden behandeld. Het is wel een onverzadelijke dorst naar wraak, die door den dood, zelfs zo groten dood, nog niet bevredigd is. Maar om de vernedering van den Heere Jezus volkomen te maken, en te tonen dat Hij, toen Hij stierf, de ongerechtigheid heeft gedragen, werd Hij toen met versmaadheid beladen, en, voor zoveel blijkt, heeft geen Zijner vrienden, die den vorigen dag Hosanna geroepen hebben, Hem enigerlei eerbied of achting durven bewijzen. a. Die voorbijgingen lasterden Hem. Zijn ontzettende ellende en het voorbeeldig geduld, dat Hij er onder toonde, heeft hen niet vertederd: maar zij, die door hun geschreeuw Hem hiertoe hadden gebracht, denken zich nu te rechtvaardigen door hun smaadredenen, alsof zij er wèl aan gedaan hadden Hem te veroordelen. Zij lasterden Hem, en lastering was het in den striktsten zin des woords, kwaad sprekende van Hem, die het geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn. Let hier op: De personen, die Hem lasterden, die voorbijgingen, de reizigers, die over dien weg gingen, en het was een grote weg, leidende van Jeruzalem naar Gibeon. Zij waren bevooroordeeld tegen Hem door hetgeen zij van de handlangers van den hogepriester gehoord hadden. Het is zeer moeilijk, en er wordt meer vastberadenheid toe vereist dan men gewoonlijk ontmoet, om een goede mening te behouden van personen en zaken, die overal in minachting gebracht zijn. Iedereen is geneigd om te zeggen wat de meesten zeggen, en een steen te werpen op hetgeen men in een kwaad gerucht heeft gebracht. Hun gebaren van minachting jegens Hem- schuddende hun hoofden -hetgeen hun zegevieren te kennen geeft over Zijn val, en hun spotten met Hem, Jesaja 37:22, Jeremia 18:16, Klaagliederen 2:15. In gesproken woorden betekende dit. Heah! Zo hebben wij het gewenst, Psalm 35:25. 1) Zo hebben zij Hem bespot, die de Verlosser was van hun land, gelijk de Filistijnen Simson bespot hebben, die de verderver was van hun land. Tot zelfs dit gebaar is voorzegd, Psalm 22:8. Zij schudden hun hoofd, en Psalm 109:25. De smaadredenen, die zij gebruikten. Dezen zijn hier vermeld.
Ten eerste. Zij verweten Hem Zijn voornemen om den tempel te verwoesten. Hoewel de rechters zelven overtuigd waren, dat hetgeen Hij hieromtrent gezegd had verkeerd was voorgesteld-gelijk blijkt uit Markus 14:59- hebben zij toch ijverig dit gerucht onder het volk rondgestrooid, ten einde de blaam op Hem te werpen, dat Hij plan had den tempel te verwoesten, en er was niets dat het volk meer in woede tegen Hem kon ontsteken dan dit. En dit was niet de enige maal, dat de vijanden van Christus zich beijverd hebben om anderen van den Godsdienst en het volk van God te doen geloven wat zij zelven wisten onwaar te zijn, en dat de beschuldiging dus onrechtvaardig was. "Gij, die den tempel afbreekt, dat grote, sterke gebouw, beproef thans uwe kracht om dit kruis uit den grond te rukken, er de nagelen uit te trekken, en aldus uzelven te verlossen. Indien gij de macht hebt, waarop gij u beroemde, dan is het nu de geschikte tijd om haar tentoon te spreiden en er het bewijs van te leveren, want men veronderstelt, dat ieder wel het uiterste zal doen om zich zelven te redden." Dit was het, wat het kruis van Christus zulk ene ergernis deed zijn voor de Joden. Zij beschouwden het als onbestaanbaar met de macht van den Messias, Hij was gekruist door zwakheid, 2 Corinthiërs 13:4, zo scheen het hun toe, maar in werkelijkheid is Christus gekruist de kracht Gods. Ten tweede. Zij verweten Hem Zijn zeggen, dat Hij de Zoon van God was. Indien gij dit zijt, zeiden zij, zo kom af van het kruis. Nu nemen zij den duivel de woorden uit den mond, waarmee hij Hem in de woestijn verzocht had, Hoofdstuk 4:3, 6, en herhalen dien aanval: Indien gij de Zone Gods zijt. Zij denken, dat Hij nu of nooit bewijzen moet de Zone Gods te zijn, vergeten, dat Hij dit bewezen heeft door de wonderen, die Hij had gewrocht, inzonderheid Zijne opwekking van doden, en onwillig om te wachten op het volledig bewijs er van door Zijn eigen opstanding, waarnaar Hij hen zo dikwijls verwezen had, en die, zo zij er acht op hadden geslagen, de ergernis van het kruis voor hen weggenomen zou hebben. Dit komt er van als men de dingen naar het tegenwoordig aanzien beoordeelt, zonder het verledene te gedenken, en geduldig te wachten op hetgeen nog verder staat te geschieden.
b. De overpriesters en de schriftgeleerden-de kerkregeerders, -en de ouderlingen-de staatregeerders-bespotten Hem, vers 41. Zij achtten het niet genoeg het grauw hiertoe aan te zetten, neen, zij moeten Christus den smaad aandoen en zich zelven het genoegen geven, om in eigen persoon Hem te bespotten. Zij behoorden in den tempel te zijn, bezig met hun Godsdienstplichten, want het was de eerste dag van het feest der ongehevelde broden, wanneer er een heilige samenroeping was, Leviticus 23:7, maar zij waren hier op de plaats der terechtstelling, hun venijn uitspuwende tegen den Heere Jezus. Hoe ver was dit beneden de majesteit en den ernst van hun ambt en roeping! Was er iets, dat meer kon strekken om hen verachtelijk en onwaardig te maken voor het volk? Men zou gedacht hebben, dat, hoewel zij God niet vreesden en geen mens ontzagen, de gewone voorzichtigheid hun, die zozeer de hand hebben gehad in Christus' dood, had moeten gebieden, om zich zoveel mogelijk op den achtergrond te houden, maar voor hun boosaardigheid was niets te gering of te gemeen. Hebben zij zich nu zo verkleind om Christus te kwellen, en zullen wij dan vrezen ons te verkleinen door ons te voegen bij de menigte, om Hem eer aan te doen, en niet veeleer zeggen: Indien dit gering is, dan zal ik mij nog geringer houden? Twee dingen hebben de priesters en ouderlingen Hem verweten:
a. Dat Hij zich zelven niet kon verlossen, vers 42. Tevoren was Hij gesmaad in Zijn ambt als Profeet en Koning en thans in Zijn priesterlijk ambt als Verlosser.
Ten eerste. Zij nemen als waar en toegestemd aan, dat Hij zich zelven niet kon verlossen, en dat Hij dus de macht niet had, die Hij zich had toegeschreven, terwijl Hij in werkelijkheid zich niet wilde verlossen, omdat Hij wilde sterven om ons te verlossen. Zij hadden aldus behoren te redeneren: Hij heeft anderen verlost, dus zou Hij ook zich zelven kunnen verlossen, en zo Hij dit niet doet, moet Hij daar goede redenen voor hebben. Maar, ten tweede. Zij wilden te kennen geven, dat, daar Hij zich zelven niet verloste, al Zijn voorgeven van anderen te verlossen slechts bedrog en zinsbegoocheling was, en nooit werkelijk geschied is, ofschoon de waarheid Zijner wonderen onweerlegbaar was. Ten derde. Zij verwijten Hem smalend Zijne aanspraken op de Koning Israël's te zijn. Zij droomden van uitwendige praal en pracht voor den Messias, en daarom vonden zij het kruis in volstrekte tegenspraak met het koningschap over Israël, er gans onbestaanbaar mede. Er zijn velen, die wel ingenomen zouden zijn met den Koning Israël's, indien Hij slechts wilde afkomen van het kruis, indien zij Zijn koninkrijk konden hebben zonder de verdrukking door welke zij moeten heengaan om er in te komen. Maar de zaak is beslist: indien geen kruis, dan ook geen Christus, gene kroon. Zij, die met Hem willen heersen, moeten gewillig zijn om met Hem te lijden, want in deze wereld zijn Christus en Zijn kruis saamverbonden. Ten vierde. Zij zeiden Hem af te komen van het kruis. En wat zou er van ons en van het werk onzer verlossing en zaligheid geworden zijn, indien Hij door dezen spot en hoon geprikkeld, er zich toe had laten bewegen om af te komen van het kruis, en aldus Zijn werk onvoltooid had gelaten? Wij zouden voor eeuwig verloren zijn. Maar Zijn onveranderlijke liefde en vastberadenheid stelden Hem boven, en versterkten Hem tegen, deze verzoeking, zodat Hij niet faalde en niet ontmoedigd werd, Jesaja 42:4. 1) Ten vijfde. Zij beloofden, dat zij, indien Hij wilde afkomen van het kruis, in Hem zouden geloven. Laat Hem hun dit bewijs geven, dat Hij de Messias is, en zij zullen Hem als zodanig erkennen. Toen zij tevoren om een teken vroegen, zei Hij hun dat het teken, dat Hij hun geven zou, niet zou bestaan in Zijn afkomen van het kruis, maar in hetgeen een veel groter blijk zou wezen van Zijne macht, namelijk in Zijn opstaan uit het graf, maar zij hadden geen geduld om daar twee of drie dagen op te wachten. Indien Hij ware afgekomen van het kruis, zij zouden met evenveel reden hebben kunnen zeggen, dat de soldaten bedrog hadden gepleegd met de nagelen, als zij, toen Hij was opgestaan van de doden, gezegd hebben, dat de discipelen des nachts gekomen waren en Hem hadden gestolen. Maar als wij ons zelven beloven, dat wij zullen geloven, indien wij deze of die middelen of beweeggronden daartoe hebben, welke wij zelven uitdenken of voorschrijven, maar die God hiertoe bestemd en verordineerd heeft, niet gebruiken, dan is dit niet slechts een sterk bewijs van de bedrieglijkheid van ons hart, maar ook de domme uitvlucht van een hardnekkig, verderflijk ongeloof.
b. Dat God, Zijn Vader, Hem niet wilde verlossen, vers 43. Hij heeft op God vertrouwd, dat is: Hij gaf dit voor, want hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. Zij, die God Vader noemen, en zich zelven Zijne kinderen, belijden hiermede, dat zij op Hem vertrouwen, Psalm 9:11. Nu geven zij te kennen, dat Hij slechts zich zelven en anderen heeft bedrogen, toen Hij zich zozeer als den gunstgenoot des hemels heeft voorgesteld, want, indien Hij de Zone Gods ware geweest (zoals Jobs vrienden omtrent hem redeneerden) dan zou Hij niet overgelaten zijn aan al deze ellende en dit lijden, en nog veel minder zou Hij er in verlaten zijn geworden. Dit was een zwaard in Zijne beenderen, zoals David van iets dergelijks klaagt in Psalm 42:11 2), en het was een tweesnijdend zwaard, want het was bedoeld: Ten eerste. Om Hem te beschimpen, en de omstanders te doen denken, dat Hij een bedrieger was, alsof Zijn zeggen, dat Hij Gods Zoon was, nu duidelijk bewezen was onwaar te zijn. Ten tweede. Om Hem te verschrikken, en Hem tot mistrouwen in en wanhoop aan Zijns Vaders macht en liefde te brengen, hetgeen Hij, naar sommigen denken, vreesde, waartegen Hij gebeden heeft, en waarvan Hij verlost werd, Hebreeën 5:7. David klaagt meer over de pogingen van zijne vervolgers om zijn geloof aan het wankelen te brengen en hem van de hoop op God te doen aflaten, dan over hun pogingen om zijn troon te doen wankelen en hem uit zijn rijk te verdrijven, alsmede over hun zeggen: Hij heeft geen heil in God, Psalm 3:3, en :God heeft hem verlaten, Psalm 71: 11. Hierin. evenals in andere dingen, was hij een type van Christus. Ja die eigen woorden vermeldt David in zijn vermaarde profetie van Christus als gesproken door Zijne vijanden, Psalm 22:9, Hij heeft het op den Heere gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft. Deze priesters en schriftgeleerden moeten voorzeker hun psalter vergeten hebben, of zij zouden niet dezelfde woorden gebruikt hebben, zo nauwkeurig overeenkomende met type en profetie, maar de Schrift moest vervuld worden.
c. Om den smaad te voltooien zijn niet slechts de moordenaars, die met Hem gekruisigd werden, niet aldus gesmaad, alsof zij, bij Hem vergeleken, nog heiligen waren, maar hoewel zij tijdelijk met Hem leden, stemden ook zij in met Zijne vervolgers, en hebben zij Hem hetzelfde verweten, dat is: een hunner deed dit, die zei: Indien gij de Christus zijt, verlos uzelven en ons, Lukas 23:39. Men zou gedacht hebben, dat van alle mensen, deze moordenaar wel het minst oorzaak had, en ook het minst lust zou hebben, om Christus te bespotten. Deelgenoten in lijden, al is het ook uit verschillende oorzaak, hebben gewoonlijk medelijden met elkaar, en weinigen slechts zullen-wat zij vroeger ook gedaan mogen hebben-hun laatste ogenblikken met spotten en smalen doorbrengen. Maar het blijkt wel, dat ook het grootste lichaamslijden en de meest verootmoedigende bestraffingen der Voorzienigheid in zich zelven, en zonder de genade Gods, niet volstaan om het bederf der ziel ten onder te brengen. Aldus heeft dan onze Heere Jezus het op zich genomen om aan de gerechtigheid Gods, aan welker eer tekort was gedaan door de zonde, genoegdoening te geven, door te lijden in Zijne eer, niet slechts door zich te ontdoen van hetgeen Hem als Zone Gods toekwam, maar ook door zich te onderwerpen aan de uiterste schande en smaad, die den snoodsten der mensen aangedaan zouden kunnen worden. Omdat Hij zonde voor ons werd gemaakt, werd Hij aldus ook voor ons tot een vloek gemaakt, ten einde voor ons den smaad licht te maken, indien wij dien te eniger tijd hebben te lijden, en als, om der gerechtigheid wil, liegende alle kwaad tegen ons wordt gesproken. III. Het donker en dreigend aanzien des hemels, waaronder onze Heere Jezus, temidden van al dien smaad en verguizing der mensen, geleden heeft. Merk hieromtrent op:
1. Hoe dit werd aangeduid-door een buitengewone en wonderdadige zonsverduistering, welke drie uren aanhield, vers 45. Er was duisternis epi pasan tên gên -over de gehele aarde, aldus wordt het door de meeste overzetters verstaan, hoewel onze Bijbelvertalers het beperken tot dat land. Sommigen van de ouden beriepen zich op de jaarboeken des volks betreffende deze buitengewone zonsverduistering bij den dood van Christus, als op een welbekend feit, dat in die delen der wereld bekend maakte, dat er iets groots voorviel, zoals het teruggaan der zon in den tijd van Hizkia. Het is vermeld, dat Dionysius, te Heliopolis in Egypte, deze duisternis opgemerkt heeft, en toen zei: Aut Dens naturæ patitur, aut mundi machina dissolvitur:- Of de God der natuur is lijdende, of de machine der wereld valt in duigen. Een buitengewoon licht gaf kennis van de geboorte van Christus, Hoofdstuk 2:2, en daarom was het voegzaam en gepast, dat een buitengewone duisternis kennis gaf van Zijn dood, want Hij is het Licht der wereld. De smaadheden, onzen Heere Jezus aangedaan, hebben de hemelen ontzet en verschrikt, en ze zelfs in wanorde en verwarring gebracht. Zulk ene snoodheid had de zon nog nooit aanschouwd, en daarom trok zij zich terug en wilde haar niet zien. Deze verrassende, verbazingwekkende duisternis was bestemd om den mond te stoppen van die Godslasteraars, die Christus lasterden, terwijl Hij aan het kruis hing, en het schijnt wel, dat er voor het ogenblik zulk ene verschrikking op hen viel, dat, hoewel hun hart niet veranderd werd, zij nu toch stil zwegen, en bij zich zelven overwogen, wat hiervan de betekenis kon zijn, totdat na drie uren de duisternis ophield, en zij, evenals Farao toen de plaag voorbij was, hun hart wederom verhardden. Maar hetgeen inzonderheid met deze duisternis aangetoond werd, was:
a. Christus' strijd met de machten der duisternis, dien Hij toen gestreden heeft. Thans moesten de overste dezer wereld en zijne geweldhebbers, de machten der duisternis dezer eeuw, uitgeworpen, beroofd en overwonnen worden, en om Zijne overwinning des te schitterender te doen zijn, heeft Hij hen bestreden op hun eigen gebied, hun al het voordeel gevende, dat zij door deze duisternis over Hem hebben konden. Hij laat hun den wind en de zon, en toch stelt Hij hen teleur, verslaat Hij hen, en wordt alzo meer dan overwinnaar.
b. Dat de hemelse vertroostingen Hem thans werden onthouden. Deze duisternis wees op de donkere wolk, die thans over de menselijke ziel van onzen Heere Jezus was gekomen. God doet Zijne zon schijnen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, maar onzen Zaligmaker werd toen Hij zonde voor ons werd gemaakt, zelfs het licht der zon onthouden. Het is den ogen goed de zon te aanschouwen, omdat Zijne ziel toen echter geheel bedroefd was, en de beker des Goddelijken toorns onvermengd voor Hem gevuld was, werd zelfs het schijnen der zon geschorst. Toen de aarde Hem een droppel koud waters weigerde, heeft de hemel Hem een lichtstraal geweigerd, ons moetende verlossen van de buitenste duisternis, heeft Hij zelf in de diepte van Zijn lijden in duisternis gewandeld en geen licht gehad, Jesaja 50:10. Wij bevinden niet, dat Hij gedurende deze drie uren van duisternis, een enkel woord gezegd heeft. Dien tijd heeft Hij doorgebracht in een stil zich terugtrekken in Zijn eigen ziel, die nu in doodsstrijd was, worstelende met de machten der duisternis en den indruk in zich opnemende van Zijns Vaders ongenoegen, niet tegen zich zelven, maar tegen de zonde van den mens, waarvoor Hij thans Zijne ziel tot een schuldoffer stelde. Nooit zijn er sedert den dag, toen God den mens op aarde schiep, zulke drie uren geweest, nooit was er zulk een somber en ontzettend toneel aanschouwd, het was de crisis van de grote zaak van der mensen verlossing en zaliging. 2. Zijne klacht hierover, vers 46. Omtrent de negende ure, toen het weer licht begon te worden, riep Jezus na een langen, stillen strijd, ELI, ELI, LAMA SABACHTANI? De woorden zijn meegedeeld in het Syrisch, waarin zij werden gesproken, wijl dit dubbel merkwaardig was, en ook vanwege de verdraaide uitlegging, die Zijne vijanden er aan gaven, door Elia voor Eli te nemen. Merk hier nu op
a. Waaraan Hij die klacht ontleende-aan Psalm 22:2. Het is niet waarschijnlijk, dat Hij-gelijk sommigen denken-den gehelen Psalm uitgesproken heeft, maar wèl heeft Hij hiermede te kennen gegeven, dat de gehele Psalm op Hem toegepast moet worden, en dat David, in den geest, hier van Zijne vernedering en Zijne verhoging heeft gesproken. Dit, en het andere woord: In Uwe handen beveel ik mijn geest, heeft Hij aan David's psalmen ontleend (hoewel Hij zich wel in Zijn eigen woorden had kunnen uitdrukken), om ons te leren van welk nut het woord Gods voor ons is, om ons te leiden en te besturen in het gebed en ons het gebruik van Schriftuurlijke uitdrukkingen aan te bevelen in het gebed, hetgeen onze zwakheden te hulp kan komen.
b. Hoe Hij die woorden uitsprak-met een grote stem, hetgeen zeer grote benauwdheid en heftige pijn aanduidt, terwijl toch nog de natuurlijke kracht in Hem aanwezig was, alsmede de grote vurigheid van geest in dezen uitroep. Nu is de Schrift vervuld geworden, Joël 3:15, 16, De zon en de maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haren glans ingetrokken. En de Heere zal uit Zion brullen, en uit Jeruzalem Zijne stem geven. David spreekt dikwijls van zijn luid roepen in het gebed. Psalm 55:17, 18.
c. Waarin de klacht bestond-Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten? Een vreemde klacht in den mond van onzen Heere Jezus, die- hiervan zijn wij zeker-Gods uitverkorene was, in wie Zijne ziel een welbehagen had, Jesaja 42:1, en in wie Hij altijd een welbehagen heeft gehad. De Vader had Hem thans lief: ja, Hij wist, dat daarom de Vader Hem liefhad, overmits Hij Zijn leven aflegde voor de schapen. Maar hoe! dan toch door Hem verlaten, en dat wel temidden van Zijn lijden! Voorwaar, nooit was er ene smart gelijk aan die smart, die zulk ene klacht afperste aan de lippen van enen, die, volkomen vrij zijnde van zonde, nooit ene verschrikking kon wezen voor zich zelven, maar het hart kent zijn eigen bittere droefheid. Geen wonder, dat ene klacht als deze de aarde deed beven en de rotsen deed scheuren, want het is genoeg, om aan al wie het horen zal, de beide oren te doen klinken, en er behoort met den diepsten eerbied van te worden gesproken. Merk op:
A. Dat onze Heere Jezus in Zijn lijden voor een tijd verlaten is geweest door Zijn Vader. Dit zegt Hij zelf, die, hiervan zijn wij zeker, zich omtrent Zijn eigen zaak niet kon vergissen. Niet alsof de eenheid tussen Zijn Goddelijke en Zijn menselijke natuur ook maar in het minst verzwakt of geschokt was, neen, Hij heeft toen door den eeuwigen Geest zich zelven geofferd, en ook evenmin alsof er ene afneming was in des Vaders liefde voor Hem, of van Zijne liefde voor den Vader, wij zijn er zeker van, dat er in Zijn gemoed gene verschrikking was voor God, geen wanhopen aan Zijne gunst, niets van de kwelling of pijniging der hel, maar Zijn Vader verliet Hem, dat is: Ten eerste. Hij gaf Hem over in de handen Zijner vijanden, en Hij verscheen niet om Hem uit hun handen te verlossen. Hij liet de machten der duisternis tegen Hem los, en liet hun toe hun ergst tegen Hem te doen, erger dan tegen Job Nu is de Schrift vervuld geworden, Job 16:11. God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen, en geen engel is van den hemel gezonden om Hem te verlossen, geen vriend op aarde verwekt om voor Hem in de bres te staan. Ten tweede. Hij onttrok Hem het troostrijke gevoel van Zijn welbehagen in Hem. Toen voor het eerst Zijne ziel ontroerd was, kwam ene stem uit den hemel om Hem te vertroosten, Johannes 12:27, 28. Toen Hij in doodsbenauwdheid was in den hof, verscheen Hem een engel uit den hemel om Hem te versterken, maar nu had Hij noch ene stem om Hem te vertroosten, noch een engel om Hem te versterken. God verborg Zijn aangezicht voor Hem, en voor een wijle onttrok Hij Hem Zijn stok en staf in de duistere vallei, God verliet Hem, niet zoals Hij Saul verliet, Hem overlatende aan een eindeloze vertwijfeling, maar zoals Hij somwijlen David verliet, Hem overlatende aan een ogenblikkelijke, voorbijgaande moedeloosheid. Ten derde. Hij liet een smartelijke bewustheid in Zijne ziel komen van Zijn toorn tegen den mens om de zonde. Christus is zonde voor ons gemaakt, een vloek voor ons gemaakt, en daarom heeft God, hoewel Hem liefhebbende als Zoon, Hem toornig aangezien als Borg. Het behaagde Hem deze indrukken in zich toe te laten, en af te zien van het weerstaan er van, dat Hij gekund zou hebben, omdat Hij zich wilde voegen naar dit deel van Zijne onderneming, zoals Hij zich naar al het overige gevoegd had, toen het in Zijne macht was het te vermijden.
B. Dat Christus' verlaten zijn door Zijn Vader het smartelijkste was van al Zijn lijden, en hetgeen, waarover Hij het meest heeft geklaagd. Dat ontlokte Hem de treurigste tonen. Hij zei niet: Waarom wordt Ik gegeseld? en bespogen? en aan het kruis genageld? Ook heeft Hij tot de discipelen niet gezegd, toen zij Hem den rug toekeerden: Waarom hebt gij Mij verlaten? Maar toen Zijn Vader zich verre hield, heeft Hij dien kreet geslaakt, want dit was het dat gal en alsem in Zijn lijdensbeker heeft gemengd, dit was het, dat de wateren tot aan de ziel deed komen, Psalm 69:2, 3.
C. Dat onze Heere Jezus, zelfs toen Hij aldus door Zijn Vader werd verlaten, zich toch aan Hem vasthield als aan Zijn God, Mijn God, Mijn God, hoewel Gij Mij verlaat, toch de Mijne. Christus was Gods dienstknecht in het volbrengen van het werk der verlossing, Hem moest Hij genoegdoening geven, en door Hem moest Hij geholpen en gekroond worden, en deswege noemt Hij Hem Zijn God, want thans was Hij bezig Zijn wil te doen, Jesaja 49:5-9. Dit ondersteunde en schraagde Hem, dat zelfs in de diepte van Zijn lijden God Zijn God was. Zie hoe Zijne vijanden goddelooslijk den spot dreven met deze klacht, vers 47. Zij zeiden: Deze roept Elias. Sommigen denken, dat dit ene vergissing der onwetendheid was van de Romeinse soldaten, die wel eens over Elias hadden horen spreken en dat de Joden de komst van Elias verwachtten, maar de betekenis niet kenden van Eli Eli, en alzo die domme uitlegging aan deze woorden van Christus gegeven hebben, en wellicht ook het laatste gedeelte van hetgeen Hij zei niet gehoord hebben van wege het geraas dat het volk maakte. Vele smaadredenen tegen het woord van God ontstaan uit grove vergissingen. Goddelijke waarheden worden dikwijls verdraaid en verdorven door onwetendheid, door onbekendheid met de taal en den stijl der Schrift. Zij, die maar half horen, verwringen wat zij horen. Maar anderen denken, dat het de moedwillige vergissing was van sommigen der Joden, die zeer goed wisten wat Hij zei, maar gezind en geneigd waren om Hem te bespotten, en zich en hun gezellen over Hem vrolijk te maken, Hem voor te stellen als iemand die, van God verlaten zijnde, nu op schepselen gaat vertrouwen, wellicht ook te kennen gevende, dat Hij, die voorgaf zelf de Messias te zijn, zich nu zou verheugen om Elias te zien, die slechts als voorloper van den Messias verwacht werd. Het is niets nieuws dat de Godsvruchtigste uitlatingen van de beste mensen door onheilige spotters belachelijk worden gemaakt, en wij moeten het ook niet vreemd vinden, als hetgeen wèl en juist gezegd is in gebed en prediking verkeerd wordt uitgelegd, en dan gebruikt wordt om ons te smaden. Dat is met Christus' woorden geschied, hoewel nooit enig mens gesproken heeft zoals Hij sprak. IV. De koude vertroosting, die Zijne vijanden Hem toedienden in Zijne stervensuur, en die gelijk al het overige was.
1. Sommigen gaven Hem edik te drinken, vers 48, in plaats van een hartsterkenden dronk om Hem te versterken en te verkwikken onder Zijn zwaar lijden, tergden zij Hem met hetgeen niet slechts nog toedeed aan den smaad, waarmee zij Hem overlaadden, maar slechts al te duidelijk dien beker der zwijmeling voorstelde, dien de Vader in Zijne hand had gegeven. Een van hen liep toe om hem te halen, dienstvaardig voor Hem schijnende, maar in werkelijkheid blijde met ene gelegenheid om Hem te smaden en te beledigen, en bevreesd, dat iemand anders hem dit uit de handen zou nemen.
2. Met hetzelfde doel van Hem te verbijsteren en te honen, verwijzen zij Hem naar Elias, vers 49, "Houd op, laat ons zien, of Elias komt, om hem te verlossen. Kom, laat hem, er is niets in hemel of op aarde, dat hem kan helpen, laat ons niets doen, hetzij om zijn dood te verhaasten of te vertragen, heeft hij zich op Elias beroepen, laat hem dan naar Elias gaan."