11. En de menigte, die met Hem binnentraden, zei: Deze is Jezus, de profeet van Nazareth in Galilea, die daar zo vele tekenen en wonderen heeft gedaan.
Zo nam Jezus dan een keer openlijk de hulde aan, Hem door de grote menigte als de Messias toegebracht en verklaarde Zich dus voor dezen, door die hulde niet alleen aan te nemen, maar er ook niet onduidelijk aanleiding toe te geven. Had geheel het volk, hadden inzonderheid de oversten van het volk in die erkentenis gedeeld en Hem aangenomen, hadden zij ook nu nog bedacht wat tot hun vrede diende, hoe gelukkig was dit niet alleen voor hen geweest, maar ook voor de instandhouding van hun hele staat.
Ofschoon de hele stad beroert wordt, Jezus blijft dezelfde en zet Zijn tocht naar de tempel voort. Worden wij dan van mensen met loftuitingen overladen, laat ons onze effenheid van geest zoeken te bewaren. Of komen zij niet voort uit de mond van zondige, onstandvastige schepselen, wier woord geen het minste geldend bewijs van ware verdienste bevat en ons veeleer moest doen blozen bij de gedachte, dat bij de Heere alleen gerechtigheid is, maar bij ons beschaamdheid van de aangezichten.
De wachtende discipelen hoeven niet naar een antwoord te zoeken. Wie van de profeten heeft het niet in hun mond gelegd? Wie is deze? Vraag het Mozes en hij zal u zeggen: "het vrouwenzaad dat van de slang de kop zal vermorzelen. " Vraag het uw vader Jakob en hij zal u zeggen: "de Silo van de stam van Juda. " Vraag het David en hij zal u zeggen: "de Koning van de ere; " vraag het Jesaja en hij zal zeggen: "Emmanuël, Wonderlijk, Raad, sterke God, Vredevorst" vraag het Jeremia, en hij zal u zeggen: "de rechtvaardige Spreukenit; " vraag het Daniël en hij zal u zeggen: "de Messias", vraag het Johannes de Doper, hij zal u zeggen: "het Lam van God", de God van de profeten heeft u gezegd: "Deze is Mijn geliefde Zoon, waarin Ik Mijn welbehagen heb. " Ja, zelfs de duivels zijn genoodzaakt geweest te bekennen, "ik ken u, wie Gij bent, de Heilige van God. " Aan geen enkele kant heeft Christus Zichzelf zonder getuigenis gelaten. "Jeruzalem kende de persoon van Jezus genoeg, om zich de vraag te kunnen sparen, wanneer zij wilde". Zij moesten echter in hun ergernis en hun verdriet, dat zij over de gehele gebeurtenis hadden, toch vragen, alsof zij daarmee ook een woord uit het Oude Testament (Psalm 24:8, 10) tot eer van Christus moesten vervullen; jammer slechts dat degenen, die Jezus vergezelden geen ondubbelzinnig antwoord gaven, maar zich in hun belijdenis door de trotse stad lieten terughouden - "het is alsof de eerste koude lucht uit Jeruzalem hen reeds aangewaaid had. " Maar de Farizeeeën, zo lezen wij in Johannes 12:19, spraken onder elkaar: "ziet u wel dat u gans niet vordert? Zie de gehele wereld gaat Hem na. " Zij voelden dus wel dat het hen veel moeite en volharding zou kosten om deze Profeet van Nazareth uit Galilea te verbannen. Jezus zelf ging, zoals Markus nauwkeuriger dan onze Evangelist bericht, voor heden slechts in de tempel, om alles in ogenschouw te nemen en aldus een soort van kerkvisitatie te houden. De in de volgende afdeling gemelde kerkreformatie hield Hij pas de volgende dag, als het eerste werk van deze dag, de maandag van de lijdensweek. Nadat Hij alles wat Hij gezien had ("overal de geestelijke dood in het omhulsel van leven, de gehele verwoesting, in schijnbare bloei van het leven, het voltooide heidendom op de Godgewijde vlakte van Moria)" met een heldere blik en ondoorgrondelijk zwijgen in Zijn trouw hart had opgenomen, ging Hij laat in de avond, onder geleide van Zijn discipelen, naar Bethanië terug.
Voor wij de geschiedenis van de laatste levensdagen van Jezus verder vervolgen, is het nodig dat wij ons wat nader met de stad Jeruzalem, die de plaats van Zijn lijden en sterven zou zijn (Lukas 13:33) bekend maken. Wij moeten dan van het tegenwoordige Jeruzalem uitgaan, want eerst door vele gissingen komt men tot een voorstelling hoe de stad er in de tijd van Jezus en de apostelen uitgezien heeft, waarbij echter nog vele verdere onderzoekingen dan die tot hiertoe met haar uitkomsten voor ons liggen, voorbehouden blijft. Wat de Engelse geneesheer Richardson meer dan 50 jaar geleden schreef, dat is niettegenstaande alle onderzoekingen, die sinds die tijd gedaan zijn, nog altijd waar: "het is een Tantaluskwelling voor de reizigers. Die de plaats van bepaalde gebouwen van Jeruzalem, of de schouwplaatsen van gedenkwaardige gebeurtenissen opzoeken, dat het grootste gedeelte van de onderwerpen, waarvan in de Heilige Schrift of in het boek van Josephus melding gemaakt is, geheel verdwenen en tot de grond toe verwoest zijn, zonder zelfs een spoor achter te laten, dat te kennen geeft, waar ze gestaan hebben. Pas wanneer het een keer lukt om in geheel Jeruzalem zulke opgravingen te doen, zoals aan de noordkant van Zion zijn gemaakt, kan men ontdekkingen verwachten, die een einde maken aan de moeilijkheden, die tot hiertoe niet opgelost zijn; maar zulke opgravingen zijn op zichzelf reeds een zeer grote moeilijkheid, omdat het puin gedeeltelijk 30-40 voet hoog bovenop de bodem van de stad ligt.
a. Het tegenwoordige Jeruzalem, met haar goed onderhouden, gedeeltelijk van tinnen voorziene muren, maakt van buiten de indruk van een middeleeuwse vesting: de duizenden van huizen, kerken en moskeeën, koepels, benevens de hoog zich verheffende minaretten (ronde torens) van de moskeeën geven haar een schilderachtig en groots aanzien. Naderen wij de stad op de van Sichem komende straat, dus van het noorden, waar men een veel meer gunstige aanblik op de stad heeft dan van het westen, omdat daar de hoge stadsmuur het uitzicht belemmert en slechts de toppen van enige minarets daarboven te voorschijn komen, vinden wij omstreeks 1/6 mijl te voren de Heuvel Skopus. Daar stond eens de hogepriester Jaddua aan het hoofd van zijn Klerus tegenover Alexander de Grote (1 Makk. 1:4 Aanm. ); daar sloegen de Romeinen naderhand het eerst hun leger op 28:31). Een stukje verder zien wij links van de straat eerst het graf van Simon de rechtvaardige (1 Makk. 1:11 Aanm. ), waarnaar de Joden heden ten dage nog pelgrimstochten maken, namelijk op de 23ste dag na Pasen, zijn sterfdag. Daarna komen de zogenaamde graven van de koningen. Een in rotsen uitgehouwen holle weg voert in een voorhof, dat door 20 voet hoge rotswanden omgeven is; daaruit komt men door een kleine, nauwe deur in een rij van 5 doodkamers, elk van 12-20 voet in het vierkant. Dat zijn niet de graven van Israëlitische koningen, omdat David en zijn opvolgers aan de zuidkant van Zion begraven liggen; maar met recht wordt verondersteld, dat hier het graf is van de koningin Helena van Adiabene, een landschap van Assyrië, die, zoals Josefus (Want. 20:2, 5; 4:3) meldt, met haar zoon Izatus reeds in haar vaderland voor het Jodendom gewonnen werd, na de dood van haar man naar Jeruzalem overstak, daar juist in de tijd van een zware hongersnood kwam (Handelingen 11:27, ) en nu dezen door opkopen in Alexandrië en Cyprus probeerde te stuiten. Na de dood van haar zoon keerde zij weliswaar weer naar haar vaderland terug, maar stierf snel, waarop haar kleinzoon haar beenderen en die van Izates naar Jeruzalem liet overbrengen, om ze in die pyramiden-grafkelder bij te zetten. Ongeveer 200 stappen voor de stadsmuur, eveneens links van de weg zien wij de Jeremias-grot, een rotsmassa, die naar het zuiden afloopt en de vorm heeft van stapels, evenals de rotsmonumenten van de stadsmuur, die daar tegenover staan. Met deze heeft hij zonder twijfel vroeger één rug gevormd; de daartussen liggende diepte is zeker kunstmatig gevormd, omdat men hier grote massa's steen uitgehouwen heeft, om ze voor bouwen te besteden. Volgens de geologische beschouwingen van professor Fraas in Stuttgart, is de steen een soort van hard marmer; de grote marmerblokken van de tempel zijn uit deze rots uitgehouwen. Daar nu de Jeremia's grot, zoals wij nader aanwijzen zullen, die har naam daarvan heeft, dat de profeet hier volgens de overlevering zijn klaagliederen geschreven heeft, de eigenlijke Calvariënberg of hoofdschedelplaats Golgotha is, zo is ook dat wonderlijk voor onze ogen, dat Christus juist op een plaats is gekruisigd geworden, waar de herinnering aan het woord van de Schrift (Psalm 118:22): "De steen, die de bouwlieden verworpen hebben, is geworden tot een hoofd van de hoeks", reeds voor het uiterlijke zo vervuld is geworden. "Van de Heere is dat geschied", zo mogen wij wel zeggen en wel tot een getuigenis voor Hem, opdat het woord van Christus, dat zij tot een getuigenis tegen Hem hadden willen misbruiken: "breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem weer oprichten (Hoofdstuk 26:61. Johannes 2:19) in het volle licht van de waarheid treedt. Geen plaats in de nabijheid van de stad, schrijft Furrer, komt zozeer overeen met de opgaven van de Evangeliën. De heuvel, aan welks zuidkant de grot uitgehouwen is, heeft een brede rug en loopt tegen het noorden bijna onmerkbaar uit; westelijk van die heuvel is de drukke en zeker overoude straat. Juist aan drukke straten hadden de Romeinen de gewoonte de misdadigers te kruisigen en zo wordt het ons juist begrijpelijk, wat in Markus 15:29 van de voorbijgangers gezegd wordt. Voor de grot zelf ligt een met allerlei bomen beplante tuin, die door een muur naar buiten omheind wordt; binnen heeft een Mohammedaanse familie haar woonplaats, terwijl zich boven de grot een eveneens Mohammedaans kerkhof bevindt. Van hier komt men aan de poort van Damascus, die in het dal ligt en de schoonste van alle poorten van Jeruzalem is. Door deze poort droeg dus Christus Zijn kruis (Hebreeën 13:12) en weer door die enige tientallen van jaren later ook de apostel Paulus in de nacht naar Cesaréa gevoerd (Handelingen 23:31). b. Wanneer wij de stad binnentreden, komt ons dadelijk de klacht en de vraag van Jeremia in de gedachten (Klaagt. 2:15): "Is dit die stad, waar men van zei, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde van de hele aarde?" Want behalve dat de straten nauw en slecht geplaveid zijn, de huizen over het algemeen onaanzienlijk, met kleine ingangen en getraliede vensters en allen van grijze krijtsteen, waardoor een grote eentonigheid ontstaat; verder behalve dat het aan bronnen met water ontbreekt en aan tuinen en bomen een groot gebrek is, ontmoet het oog anders veel, dat ontstemt en leed doet - vervallen gewelfde gangen, half of geheel vervallen gebouwen, lege vijvers en grote puinhopen; en wat een treurige indruk maken overigens de ontmoetingen die men heeft! Daar zijn bovenal die ongelukkige mensen, wie alle aanraking met anderen verboden is, maar die er toch niet in verhinderd worden, dat zij het hun aangewezen kwartier bij de Zionspoort in het zuiden van de stad verlaten en hun verminkte handen naar een aalmoes uitstrekken, de zogenaamde melaatsen; zo ook die arme kinderen van Israël (en hun getal is zeer groot), die in de bitterste armoede leven, daarheen sluipend, met bleke gezichten in vuile klederen, die naar Jeruzalem gekomen zijn om daar te sterven, of om daar te zoeken wat daar niet te vinden is; verder het grote aantal honden, die zonder meester rondlopen en de hier en daar verspreide geraamten van dieren, want wat valt, blijft liggen, totdat de alles verslindende honden de opruiming bezorgd hebben. Maar toch heeft Jeruzalem bij dat alles nog zijn bekoorlijkheden, het is altijd een schone, oosterse stad. Naar de godsdiensten en volken, die daar hun zetel hebben, wordt zij in vier kwartieren verdeeld: 1) het Armenische kwartier op de Zion; 2) het Jodenkwartier, dat dicht daarnaast, naar het oosten ligt, maar het kleinste van allen is; 3) het Mohammedaanse kwartier, dat in grootte de anderen verre overtreft en in het westen en noorden de tempelberg insluit; 4) het Christenkwartier, dat het noordwestelijk gedeelte van de stad inneemt. Bij onze intrede in de stad hebben wij aan de linkerkant het Mohammedanenkwartier; op de plaats, waar de via-dolorosa (weg van de pijn) de straat van Damascus doorsnijdt, ligt het Pruisische consulaat met de pastorie van de Duitse geestelijke, zowel als het hospitaal, dat nu van de Balley Brandenburg van de Johanniterorde overgenomen is. Wij gaan dit voorbij, evenals het Christen-kwartier in zijn noordelijk, weinig interessant gedeelte van de stad en bezoeken dadelijk de via-dolorosa. In haar geheel heeft deze straat een lengte van niet meer dan 8 tot 900 stappen; zij begint noordelijk van de tempelplaats bij het zogenaamde rechthuis van Pilatus, dat nu tot kazerne dient en waarin men de kamers nog aanwijst, waar Jezus gevangen zat, waar de gerechtszaal zich bevond, waar de doornenkroon voor Hem gevlochten en Hij toen bespot werd. Uit dat huis gaat men de berg af, hier bevond zich vroeger de trap, die de Heiland met het kruis zou zijn afgedaald; hij is echter naar Rome gebracht en wordt nu in een bijzonder gebouw naast de kerk St. Johan van Lateraan bewaard. Omstreeks 50 stappen daarvan bevindt zich de Ecco homo-boog, waarop Pilatus de Heere volgens de overlevering voorstelt met de woorden: "Zie, de mens!" Het is een boven de straat gaande bedekte gang, het overblijfsel van een oude Romeinse ereboog uit de tijd van keizer Hadriaan en heeft voor de heilige geschiedenis niet die betekenis, die men hem toeschrijft; evenwel vermelden wij die (sinds enige tijd is de rechterhelft van de boog in een daaraan gebouwde kloosterkerk ingesloten), omdat hij ten minste op een plaats staat, waar de wegvoering naar Golgotha werkelijk haar weg genomen heeft. Verder komt men een kerk voorbij, waar Maria bij het gezicht van haar onder het kruis neerzinkende Zoon in onmacht gevallen zou zijn; hier, waar de straat, die van het noordwesten komt, de weg van de pijn doorsnijdt, zou de ontmoeting met Simon van Cyrene plaats gehad hebben. Nu blijft de weg van de pijn een tijd lang met die straat verenigd, totdat hij naar het westen gaat; hier wordt het huis van de rijke man tegenover dat, waar Lazarus woonde, aangewezen; dan volgt het huis van de heilige Veronika, die het bloed en zweet van de Heere met haar sluier afdroogde. Wij komen nu aan de porta Judiciaria, of rechtspoort; hier is Jezus uit de stad in de vrije lucht gekomen (Hebreeën 13:13); het is nu nog circa 200 stappen tot de heuvel Golgotha. Voordat men daar komt, volgt eerst de plaats, waar de Heere tot de vrouwen gesproken heeft: "Ween niet over Mij enz. " en een stukje verder de plaats van Zijn derde val. Hier eindigt de via dolorosa, omdat de rij huizen aan de noordkant van de kerk van het graf de toegang tot deze sluit. Wat de laatste, de kerk van het heilige graf aangaat, die is niet een kerk maar veeleer een verzameling kerken, kapellen en heiligdommen en deze gebouwen staan weer in verband met kloosters van verschillende belijdenissen. De toegang daartoe is van de zuidkant, recht tegenover de ruïnen van het oude Johanniter-hospitaal. Wij willen beproeven de lezer met de voornaamste vertrekken van de zogenaamde kerk van het heilige graf bekend te maken. Vóór de ingang bevindt zich een niet onaanzienlijk voorhof, dat met geelachtige stenen geplaveid is en een kwadraat vormt, gewoonlijk door verkopers en verkoopsters bezet, die de pelgrims, rozenkranzen, crusifixen, waskaarsen en dergelijken te koop aanbieden. Terwijl wij deze en tegelijk de voorkant van de kerk van het heilige graf voorstellen, maken wij eerst opmerkzaam op de toren, die links in de hoek staat, uit marmerblokken opgetrokken is, maar slechts nog twee verdiepingen heeft; de heerlijke klokken, die Godfried van Bouillon daar heeft laten brengen, hebben slechts korte tijd haar galmen over Jeruzalem en zijn hoogten laten weerklinken; want reeds in 1187 liet Sultan Saladin ze met hamers verbrijzelen. Dadelijk naast de toren zien wij de beide portalen van de kerk, boven elk portaal verheft zich een venster met versieringen, het oostelijke is echter toegemetseld, alleen het westelijke vergunt de toegang. Komt men door het portaal de kerk zelf binnen, ziet men links een divan met tapijten en kussens, waarop de Turkse deurwachters neerliggen, hun pijp rokend bij hun koffie. Wij keren ons rechts en komen door een trap van 18 treden in die kapel, die de plaats moet omsluiten, waar de Heere aan het kruis genageld is; wij komen vandaar uit in een tweede, onmiddellijk daaraan grenzende en eveneens gewelfde koepel. Hier bevinden wij ons naar de mening van de mensen op de hoofdschedelplaats zelf, waar het kruis van Christus tussen dat van de beide kwaaddoeners opgericht was. Aan de oostkant staat een hoogaltaar met het kruis erachter en traliewerk er voor, dat met goud en edelgesteenten bezet is. Onder het altaar ziet men de grond van de naakte rots door het traliewerk heen; daarin bevinden zich drie gaten, die een regelmatige driehoek vormen, die gezegd worden te zijn de gaten, waarin de drie kruisen stonden; het middelste, dat van de Verlosser is met zilver ingelegd en van het zuidelijke, dat van de verharde moordenaar, door een scheur gescheiden. Dagelijks klinkt hier het oude gezang: vexilla regis prodeunt (de vanen van de koning gaan vooraan). Terwijl nu in de onderste verdieping, onder de zo-even beschreven beide kapellen, omdat zich het refectorim van de Grieken en hier de kapel van Adam bevindt, wiens schedel op deze plaats gelegen moet hebben en dan door het bloed van Christus overstroomd moest zijn geworden, hebben zij in de verdieping, die daarboven opgericht is, een afdeling van het Griekse klooster, zodat het gehele Golgotha-gebouw, dat door een bijzonder dak overwelfd is, uit drie verdiepingen bestaat. Als wij uit de kruisigingskapel de voor ons liggende trap afgaan en ons bij de uitgang een weinig links wenden, hebben wij de steen van de zalving voor ons, een langwerpig, met traliewerk omgeven en roodgevlekt marmerblok van 8 voet lang en 2 voet breed, waarop het lijk van Christus door Jozef van Arimathea en Nicodémus zou zijn gezalfd. Wij gaan nu door het portaal, totdat er naderhand bijzonder over zal gesproken worden, zonder ons er door op te houden en wenden ons westelijk, zo komen wij door 3 traliedeuren, tussen 2 brede pilaren in de eigenlijke kerk van het heilige graf; zij vormt een cilinder met een koepeldak, waaraan de doorsnede 72 stappen bedraagt; het koepeldak echter, zoals het zich van buiten in de gevel van de kerk van het graf vertoont achter de beide portalen, heeft in het midden een grote cirkelvormige bedekte opening met een traliewerk van draad, waardoor het licht in de kerk valt. Recht onder deze opening is het heilige graf; het is als een kerk in de kerk en wordt tot bescherming tegen de regen door een grote baldaquin overdekt. Voor de ingang, die zich aan de oostkant bevindt en met edelgesteenten prachtig versierd is, staat aan iedere kant een stenen rustbank, waar naast op hoge, zilveren kandelaren een aantal waskaarsen branden. Het binnenste van dit overwelfde huisje, dat van buiten met marmeren zuilen versierd en met marmeren platen bekleed is, ongeveer 30 voet lang en 15 voet breed, met een achthoekig op zuilen rustend koepeldak, is naar de manier van de oude graven in 2 afdelingen verdeeld. De voorste vormt de engelenkapel, de achterste het graf zelf, het laatste is 8 voet hoog, 7 voet lang en 6 voet breed en bevat een soort van sarkofaag van rood gespikkeld marmer. Van het dak van de grot hangen 48 gouden en zilveren lampen, waarvan de meesten het wapen van het Oostenrijkse keizer-huis dragen; zij worden dag en nacht brandend gehouden; de walm, die daardoor opstijgt, trekt door de openingen van het dak. Wij verlaten het binnenste van het heiligdom, nemen nog vluchtig de westkant daarvan in ogenschouw, die afgerond schijnt en waar de kleine, onaanzienlijke kapel van de Kopten aangebouwd is, maar merken juist tegenover de laatste, in de nabijheid van het graf nog een andere onversierde kapel: het is die van de Syrische Christenen. Aan het zuidwestelijk einde daarvan voert een smalle, korte gang één trap diep onder de grond van de kerk van het heilige graf naar de graven van Jozef van Arimathea en Nikodemus. Het zou te lang duren, wanneer wij langer wilden stilstaan bij het gewicht, dat men kortelings aan deze graven heeft toegekend bij de vraag over de echtheid van het heilige graf. Wij begeven ons liever naar de reeds aangehaalde ruimte en staan hier in het portaal van het katholieken-koor, zoals de Grieken, of van het Griekse koor, zoals de westerse Christenen dit tweede grote heiligdom van de kerk van het heilige graf noemen. De ster van verschillende kleuren van steen, die in de marmeren grond van het portaal ingelegd is (volgens anderen is het een halve bal in een omstreeks 2 voet hoge beker van marmer), wijst de plaats aan, die de Grieken met het oog op Psalm 74:12 (Septuaginta en Vulgata vertalen hier: "Maar God is onze Koning van ouds af; Hij heeft verlossing gewerkt in het midden van de aarde") voor het middelpunt der aarde houden. Zo wij ons nu van hier verder naar het oosten begeven, hebben wij de eigenlijke kerk van de Grieken voor ons, over welks allerheiligste zich de tweede met boogvensters voorziene en slank in de hoogte gaande koepel welft, die wij in de gevel van de kerk van het heilig graf verder oostelijk achter de voorste, bredere, maar kleinere koepel bemerken. De gehele kerk, bijzonder het altaar en de stoelen van de patriarchen zijn met grote pracht en veel glans, maar met weinig smaak versierd; aan de rechterkant van de achterruimte bevindt zich de zuil improperii (d. i. van de beschimping, - Bunsen heeft de tekst tot een gezang "improperia" gemaakt, dat toen zeer in gebruik gekomen is: Wat heb ik u gedaan, mijn volk enz. ), waaraan Christus gekroond en bespot werd; een eind verder komt men door een trap van 28 treden aan de kapel van Helena, waar zich een altaar van de bekeerde kwaaddoener en in de achtergrond een van Helena bevindt. Rechts gaat men verder 13 trappen af naar de plaats, waar, naar het verhaal, het kruis van Christus naast dat van de beide moordenaars zich bevond. Wij moeten ons hier, om de betekenis van de beide kapellen te verstaan, voorstellen, wat de geschiedenis van de kerk van het heilige graf verhaalt. In de eerste eeuwen na Christus maakte men van Golgotha in het geheel geen melding; pas Eusebius en Hiëronymus in de 4de eeuw berichten het volgende: Goddeloze mensen hebben om het goddelijke gedenkteken van de onsterfelijkheid, namelijk het heil aanbrengende graf, waaruit Christus uit de doden opgestaan is, aan de duisternis en de vergetelheid over te geven, aarde over de plaatsen gebracht en daar zelfs een heiligdom opgericht voor de heidense godin Venus, opdat daardoor de Christenen van de verering zouden afgehouden worden. Nadat onder keizer Constantijn (van 306-337 na Christus) op wonderbare manier het teken van het allerheiligste lijden van Christus, dat zo lang onder de aarde verborgen geweest is, weer gevonden was, ruimde deze keizer alle hindernissen weg die door de heidenen gemaakt waren en liet hij een prachtige tempel boven het graf bouwen", Op welke wonderbare manier dit gebeurd is, berichten Eusebius en Hiëronymus weer aan de bisschop Cyrillus van Jeruzalem, (omstreeks in het jaar 348 na Christus); pas latere schrijvers vertellen, toen de moeder van de keizer, de heilige Helena, in het jaar 325 haar bedevaart naar Palestina maakte, heeft zij op de plaats, waar de Venus tempel gestaan heeft, die door Constantijn is verwoest geworden en wel op de plaats, die de aan haar gewijde kapel omsluit, zo lang gebeden, dat de Heere het haar mocht doen gelukken om het heilige graf en het kruis weer te vinden, totdat zij door goddelijke ingeving met de plaats bekend werd, waar zij opgravingen zou laten doen. Het is dezelfde plaats waar nu de kapel van het kruis staat; daar hadden de Joden, om de gedachtenis aan het kruis van Christus geheel te vernietigen, de drie kruisen in een diepte geworpen; zij werden weer aan het licht gebracht. Het kruis van Christus herkende men echter daaraan, dat bisschop Makarius een doodzieke met de beide kruisen van de boosdoeners tevergeefs aanraakte, maar haar toch door het opleggen van het derde kruis volkomen genas. De Basilika (door de keizer gestichte kerk) die van het jaar 326-336 gebouwd werd, stond tot het jaar 614, toen zij bij de invallen van de Parthers onder Kosroes II door het vuur geheel verwoest werd; zij werd intussen snel weer opgebouwd, bij de verovering van Jeruzalem onder Kalif Omar in het jaar 637 verschoond, 300 jaar later bij een opstand door brand vernield, naderhand zelfs geheel verwoest, maar toch opnieuw opgebouwd; maar in 1010 weer verwoest, totdat deze vierde opbouwing in het jaar 1048 voltooid werd. Deze vierde of vijfde kerk van het heilige graf is die, die de kruisvaarders in 1099 met zulke overdreven gevoelens betraden; zij heeft toen in de volgende eeuw vele wisselingen door vergrotingen, verwoestingen en verbeteringen ondergaan totdat in het jaar 1808 een vuur, dat aan de kant van het Griekse klooster in het zuidoosten van de kerk uitgebroken was, grote verwoestingen aanrichtte. De nieuwe opbouwing deden de Grieken op hun kosten en naar hun smaak, waardoor zij vele voorrechten verkregen; zij voltooiden die reeds in het jaar 1810. Terwijl wij door de kerk van de Grieken en het portaal van de Katholieken onze terugtocht nemen en nog eens de kapel van het heilige graf binnentreden, zien wij aan de noordoostelijke kant van de laatste, reeds daar buiten aan de zuilengang aangebouwd, kapel van de verschijning of vrouwenkapel, die aan de Rooms Katholieke kerk toebehoort; in de ruimte daarvoor zien wij een paar cirkels, die plaatsen aanwijzen, waar de Opgestane aan Maria Magdalena verschenen is; de kapel zelf moet de plaats zijn, waar Christus Zich aan Zijn moeder openbaarde. Die kapel heeft een orgel, het enige in de gehele kerk van het heilige graf en de tonen klinken niet zelden door de grote ruimten van het heiligdom om de harten van de vromen te verheffen. Wanneer wij deze kapel uitgaan, werpen wij nog een blik op de bewonderenswaardige voorste koepel. Nadat die koepel reeds sinds tientallen van jaren verbetering nodig had, wilde de Russische regering het werk beginnen, maar kon daartoe geen toestemming verkrijgen; in de verdere loop van de onderhandelingen, die daarover plaats hadden, volgde het overtrekken van de Pruth en in verband daarmee de Krim-oorlog. In het voorjaar van 1856 verwoestte een storm bijna tweederde van de koepel en Frankrijk en Rusland namen het werk van de verbetering gemeenschappelijk ter hand, dat nu voltooid is.
c. Laten wij ons nu door het voorhof weer naar de straat begeven, die 3 trappen hoger ligt dan de andere en waartoe een zeer kleine uitgang leidt, zodat men er slechts gebukt door kan komen. Wij willen ons echter, voordat wij tot een nieuw onderwerp overgaan, met de vraag bezig houden: hebben wij ons op de plaats waar wij vandaan komen, werkelijk op de plek bevonden, waar de Heere gekruisigd en begraven werd en op de derde dag weer opstond? Of zou men Golgotha niet veeleer aan een ander einde van de stad moeten zoeken? Wanneer zo velen, die zich met de oplossing van deze belangrijke vraag bezig gehouden hebben onmiskenbaar door de pogingen geleid werden, om al de vrome gevoelens, die sinds meer dan 1500 jaren de harten van de gelovigen op die plaats bewogen hebben, niet als misleiding van de verbeeldingskracht te laten voorkomen, maar de plaats zelf met een zekere mate van de kracht van het kruis van Christus te voorzien, zo heeft daarentegen Luther, die bij zijn reis naar Rome in het jaar 1510 met vurige aandacht de treden van de heilige trap, waarvan wij hier boven bij de beschrijving van de via dolorosa spraken, opkroop, om zeker te worden van de vergeving van zijn zonden, maar wie het daar juist te moede was, alsof een donderende stem hem toeriep: "De rechtvaardige zal door het geloof leven", zich aldus uitgedrukt: "God vraagt naar het graf waar Christus in gelegen heeft, dat de Saracenen in bezit hebben even zoveel als naar alle koeien van Zwitserland. " Ja, wanneer wij denken aan al de bloedige strijd onder de Christenen in Jeruzalem en aan al de gruwelen, die sinds zoveel eeuwen op de vermeende grafplaats begaan zijn en nog dagelijks daar gebeuren (men denkt bijvoorbeeld aan het Griekse kluchtspel met het aansteken van het heilige vuur op zaterdag voor Pasen! (vgl. v. Raümer, Palestina bl. 327, ), kunnen wij slechts de gevoelens delen van degenen die daar zeggen: "Het zou ons liever zijn dat een plaats, die zo ontwijd is, in waarheid niet de plaats is, waar onze Heer en Heiland door Zijn lijden, sterven en opstaan de zonde en de dood overwon. " Wij zeggen met van de Velde: dat de Heere het graf van Mozes verborgen heeft (Deuteronomium 34:6), wel wetend, dat het volk afgoderij bedrijven zou, moet ons leren, welk doel Hij met het graf van Christus gehad heeft; het is toch dat graf, dat alleen onder alle graven van de aarde op de jongste dag zijn dode niet meer hoeft te geven, het graf van de Rechter zelf; Zijn heerlijkheid is dus een verborgene in God, die pas in de toekomst geopenbaard zal worden (Colossenzen 3:3, ) en geen uitwendige versieringen behoeft als vlechtingen van het haar, het omhangen met goud of klederen (1 Petrus . 3:3). Men heeft met grote nadruk gezegd, dat toch een bijna onafgebroken keten van overleveringen voor de echtheid van het heilige graf spreekt, maar aan deze keten van overleveringen ontbreekt de belangrijkste schakel, namelijk het begin in de eerste 3 eeuwen na Christus. Niet anders dan door een wonder, zoals de legende zelf beweert, is de ontwijde en geheel ter vergetelheid bestemde plaats weer kunnen gevonden worden. Van welke aard dat wonder nu geweest is, daarover luidt het bericht zeer verschillend, terwijl er, zoals wij reeds meegedeeld hebben, sprake is geweest van goddelijke ingeving, die de moeder van Constantijn ondervonden heeft; zij heeft de Joden, om de 3 kruisen uit te vinden, aan de pijnbank onderworpen. Hier staan wij zeker op de grond van enkel menselijke sage en wanneer wij nu daartegen zeggen, dat de Evangelisten slechts zeer in het algemeen van de plaats spreken, zonder die een bijzondere heiligheid toe te kennen en de apostelen in hun brieven nooit op die plaat als een levend bewijs voor de opstanding van Christus terugkomen, kunnen wij het slechts voor een dwaling van menselijke vroomheid houden, wanneer zij de plaats hebben willen vinden met het doel, om die een bijzondere heiligheid te verlenen. Zo'n poging komt dan ook eerst in de kerk voor, toen de neiging om door het beschouwen van de gedenktekenen van het Christendom in Palestina zich te stichten en in het Christelijk geloof op te groeien, reeds een bijgelovige richting nam. Volgens Hoofdstuk 27:32; 28:11. Johannes 19:11. Hebreeën 13:12, staat het ontwijfelbaar vast, dat de plaatsen van de kruisiging en van de begrafenis van Christus buiten de ringmuren van Jeruzalem lagen; dit is nu bij de plaats, waar wij straks vertoefd hebben, niet het geval; zij ligt veeleer binnen de muren van de tegenwoordige stad. Men heeft deze omstandigheid ten gunste van de echtheid van het heilige graf aangeduid, omdat men niet kon verklaren, waarom juist zo'n plaats daartoe uitgekozen was geworden, die den schijn niet voor heeft, wanneer men niet een bepaalde bewustheid gehad had, die krachtiger werkt dan de schijn, de bewustheid van de overlevering vanouds af, waaruit wel zeker zou blijken, dat de tweede muur van de stad in de tijd van Christus zich niet zo ver naar het noordwesten uitstrekte als tegenwoordig het geval is. Deze zou zich dan aangesloten hebben aan het middelste gedeelte van de noordelijke muur aan de Zionsberg en van daar over de porta Judieiaria naar de berg Antonia hebben gelopen, óf wanneer zij verder westelijk nabij de toren Hippikus begon en zo de vijver van Hiskía in een boog omringde, maar zich dan toch snel in een oostelijke richting hebben gewend, zodat de plaats waar het heilige graf is, daar buiten kwam te liggen. Volgens deze beschouwing zou de gehele noordelijke helft van de tegenwoordige stadsmuur rusten op de fundamenten van de derde muur, die door Agrippa pas na de tijd van Jezus begonnen is en in de laatste Joodse oorlog door de Joden voltooid is. Josefus meldt namelijk: Door 3 muren was de stad omringd, waar niet ontoegankelijke engten haar omringden; want daaraan stond slechts een ringmuur. Van de 3 muren was de oudste wegens de spelonken en hoogten boven hem, onbedwingelijk; zijn natuurlijke vastheid werd door David en Salomo en de volgende koningen, die iets aan dit werk ten koste legden, nog kunstig verhoogd, hij liep in het noorden van de Hippikustoren uit, strekte zich uit tot aan de Xystus, sloot zich dan aan het raadhuis aan en eindigde met de westelijke zuilengang van de tempels. De tweede muur liep van de poort Gennath af; hij omringde slechts de noordelijke hellingen en strekte zich uit tot de burg Antonia. De derde had zijn uitgangspunt weer bij de Hippikustoren, strekte zich uit naar het noorden tot aan de toren Psephinos, liep vervolgens tegenover het graf van Helena naar de graven van de koningen, ging rondom de hoektoren bij het gedenkteken van de voller en sloot zich eindelijk aan de oude muur in het dal Kedron aan. Agrippa was zijn stichter; hij richtte hem op om de nieuw bebouwde gedeelten van de oude stad te beschermen. Door de aangroeiende bevolking werden de inwoners namelijk gedwongen zich aan de andere kant van de oude muur uit te breiden. Men bouwde over de noordkant van de tempelberg tegen de heuvel aan en breidde die zo uit, dat nog een tweede berg, Bezetha, tegenover de burg Antonia, maar toch door een diepe gracht daarvan gescheiden, bebouwd werd. Terwijl nu deze kant zonder bescherming was, begon Agrippa I (41-44 na Christus) reeds de vroeger genoemde muur; hij vreesde echter ten slotte dat keizer Claudius uit de grootheid van het gebouw achterdocht mocht voeden en liet het werk rusten, nadat de grondmuur gelegd was. Wij willen nu niet nader treden in de redenen van de anderen, die daarentegen de noordelijke helft van de tegenwoordige stadsmuur voor de door Josefus beschreven tweede muur honden en daarom de derde muur verder naar het noorden plaatsen; wij treden liever geheel op het standpunt van degenen, die zoals boven gemeld is, de tweede muur zo plaatsen, dat het Golgotha van de overleveringen buiten die muur komt te liggen en pas de derde muur met de tegenwoordige in het jaar 1536-39 gebouwde noordelijke helft van de stadsmuur zon overeenkomen. Wat is echter daarmee gewonnen voor de echtheid van de plaats van de kruisiging en begrafenis van Christus, zoals de sage dat verhaalt? Zegt Josefus niet uitdrukkelijk, dat ten gevolge van de aangroeiende bevolking in de tijd van Agrippa de inwoners zich reeds lang minstens zover over de omtrek van de oude muur hadden uitgebreid, dat er een muur nodig was om het nieuwgebouwde gedeelte van de stad te beschermen? Deze nieuw gebouwde gedeelten strekten zich in elk geval naar het noordwesten tot aan het Latijnse klooster, naar het noorden tot aan de Damascuspoort over den Bezetha-heuvel uit, ook wanneer het aan een muur ontbrak, die hen omringde. Nu zal men Jezus toch in geen geval midden in dit nieuw gebouwde gedeelte gekruisigd hebben, maar het "buiten het kamp" in Hebreeën 13:13 heeft pas dan zijn volle recht, wanneer men de plaats van de kruisiging buiten het nieuw gebouwde gedeelte van de stad verplaatst - de poort naar de straat die naar Sichem voert, hadden zij zeker reeds, al ontbrak het hun ook aan een hele muur. Wat echter de boven aangehaalde zeer opmerkelijke zaak aangaat, dat de overlevering voor Golgotha een punt genomen heeft, dat ten minste nog lag binnen de stad, wanneer het ook niet juist binnen de stadsmuur lag, wordt dat dan volkomen daardoor verklaard, dat men voor het heiligdom, dat men wilde oprichten, een veilige plaats nodig had, die niet aan alle oorlogsverwoestingen overgegeven was. Op het standpunt van het vrome geloof van de oudheid, dat doorgaans niet kritisch was als dat van onze tegenwoordige tijd, bedacht men niet eerst of de keuze, die men gedaan had, ook door de wetenschap gerechtvaardigd kon worden, maar onder de leiding van God is het door dit misverstand gebeurt, dat, zoals Korte zegt, de echte plaats van Golgotha door het woest liggen zijn sabbat van de Heere gevierd heeft tot op deze dag. Dat de echte plaats geen andere kan zijn, dan de boven beschreven Jeremias-grot, blijkt onder andere uit de vorm van de heuvel, die geheel de vorm van een schedel heeft. De voor Christus uitgekoze plaats om Hem ter dood te brengen, heeft om zijn vorm de naam "hoofdschedelplaats" gedragen, afgezien van het doel, waartoe hij nu gebruikt werd, maar niet omdat hij de gewone plaats voor de terdoodbrenging van misdadigers geweest was en daar overal mensenschedels gelegen zouden hebben. Dat blijkt ook uit de eenvoudige overweging, dat de Joden in geen geval in de nabijheid van een landstraat schedels en andere doodsbeenderen dulden, maar de ter dood gebrachten dadelijk ter aarde bestelden (Deuteronomium 21:22,. Dit blijkt verder daaruit, dat zich daar dicht bij een tuin met een familiegraf bevond (Johannes 19:41), dat zeker niet in de onmiddellijke omgeving van een richtplaats voor misdadigers het geval zou geweest zijn. Het blijkt eindelijk uit de vertaling in de grondtekst van de Hebreeën, uitdrukking Golgotha, die niet spreekt van de plaats van de schedels, maar van de schedel (Hoofdstuk 27:33. Markus 15:22. Johannes 19:17), ja, de plaats zelf juist als schedel aanwijst (Lukas 23:33. )
d. Wij wenden ons nu eerst zuidelijk naar de ruïnen van het grote Johanniter-hospitaal, die een ruimte van 140. 000 vierkante ellen innemen. De schone, grote, bijna in het midden van de stad gelegen plaats ligt voor het grootste gedeelte woest en wordt tot het verbouwen van veldbonnen gebruikt; de ruïnen, die er nog staan met enige weinige bewoonde ruimten, zullen wij naderhand leren kennen; laat ons eerst in het kort de geschiedenis van de Johanniter-orde herinneren. Zij is voortgesproten uit een verbintenis van kooplieden te Amalfi, een Napolitaanse zeestad, die in het jaar 1048 een gesticht vestigden tot bescherming van de pelgrims, die naar Jeruzalem gingen, hier in de nabijheid van het graf van Christus een kerk met een monnikenklooster bouwden en snel daarna daaraan een hospitaal tot verpleging van arme en zieke pelgrims verbonden. Tot beschermheer had men in het begin de patriarch van Alexandrië Johannes Eleemosijnarius (d. i. aalmoezengever van 606-616 na Christus), beroemd door zijn barmhartigheid jegens armen en lijdenden, gekozen, totdat later op grond van de legende, dat Zacharias, de vader van Johannes de Doper, op dezelfde plaats, waar men gebouwd had, een toevluchtsoord gevonden had, diens zoon tot beschermheilige aangenomen heeft. Nadat deze broederschap door paus Paschalis II in het jaar 1099 een bijzondere orde geworden was en door Godfried van Bouillon grote goederen en bezittingen gekregen had, voegde de Procurator van de orde, Raymond du Puy, in het jaar 1118 bij de kloostergelofte ook de verplichting om tegen de ongelovigen te strijden. Hij verdeelde het gehele genootschap in 3 klassen: ridders, priesters en dienende broeders, waarvan de eerste voor de oorlog, de derde voor de verpleging van de pelgrims was. Maar snel veranderde de orde meer en meer in een eigenlijk geestelijke ridderorde, die een magister hospitalis had en die door zijn dapperheid en grote uitbreiding, zowel als door voorrechten, die hem van de pauselijke stoel ten deel werden, tot grote macht en tot rijkdom kwam. Toen Jeruzalem door Saladin veroverd was (1187) verplaatste de orde zijn zetel naar Ptolemeus; toen ook deze stad door de sultan van Egypte veroverd werd (1291), ging zij naar Limisso op Cyprus, later naar Rhodus en bleef in het bezit van dit eiland tot het jaar 1522 (daarvan de naam "Rhodisers"). In het jaar 1530 kregen de Johanniters van keizer Karel V het eiland Malta tot leen (daarvan de naam Maltezer ridders), maar verloren het door verraderij aan Napoleon op diens tocht naar Egypte (1798) en hebben het, niettegenstaande het bezit van dit eiland hun door de vrede van Parijs in 1814 verzekerd werd, niet teruggekregen. In meerdere landen was de orde opgeheven en waren haar bezittingen ingetrokken; ook in Pruissen gebeurde dat in 1810; toch werd in 1812 een ordesdecoratie gesticht die voor de adel bestemd en onder bescherming van de koning stond, die de naam draagt van Pruisische Johannieterorde. In het jaar 1853 volgde door Frederik Wilhelm IV een herstelling van de oudere orde. Terwijl wij nu de Johanniterplaats nader beschouwen komt ons eerst de Omar-Moskee met een zeer hoge minaret in het gezicht, waar deze kalief bij de verovering van Jeruzalem in het jaar 637 zijn gebed zou hebben verricht; links daarvan is de plaats van het vroegere paleis van de grootmeester; nu staat daar een Grieks klooster onder de naam van "naar het heilige Gethsémané". Aan de westkant bevindt zich een Turks bad; daaraan sluit zich de tweede Griekse kerk met het daarbij behorende hospitaal van Johannes de Doper. De ruïnen aan de zuid- en oostkant laten zich niet nader bepalen wat hun vroegere bestemming aanwijst; vervolgens komen wij aan het oude ridderhospitaal, een hof door gewelfde portalen en vervallen woningen omgeven. Het is een vriendelijk huis, om namelijk Duitsers en in het bijzonder Pruissen op te nemen en verkrijgt een toelage van de orde van de Johanniters. Noordelijk daarvan is de ruïne van de heerlijke oude Johanniter-kerk: Maria latina major, die kort geleden door de sultan aan de koning van Pruissen is geschonken. Bijzondere opmerkzaamheid wekt het schone ingangsportaal op, dat rijk met uitgehouwen stenen versierd is en de namen van de twaalf maanden allegorisch voorstelt. Toen Saladin Jeruzalem veroverde ging dit gehele heerlijke eigendom van de Johanniters in het bezit van de Turken over; het werd later aan de Omar-moskee op Moria als een erfelijk kerkleen ingelijfd; maar het Johanniterhospitaal bleef onder de naam van Moristan voor zijn doel behouden. Onder het Turkse bestuur is alles intussen hoe langer hoe meer vervallen. Een aanmerkelijk gedeelte van de plaats heeft men aan de Grieken verkocht; nog kort geleden heeft men de ruïnen van de oude kerk, zoals wij reeds gezegd hebben, aan Pruissen geschonken, waar men reeds begonnen is een Duits-evangelische kerk te stichten. Wij wenden ons nu oostelijk: daar waar het looiers kwartier, zoals dat kleine stuk van de straat heet, eindigt, liggen naar het zuiden drie, tamelijk lange, overwelfde straten, die de bazaar of markt van de stad vormen. Wij nemen echter onze weg naar het noorden, om weer de via dolorosa te bereiken. Wij gaan daar het huis van de Duitse predikant voorbij en komen aan het einde van de weg der smarten, in de straat, die naar de oostpoort voert. Hier bevindt zich aan onze rechterkant een langwerpige gracht, tamelijk diep, die de naam Bethesda draagt, omdat de overlevering die gracht houdt voor de vijver, waarvan in Johannes 5:2 gesproken wordt; de grond is nu droog en gedeeltelijk met heestergewas en bomen bezet; het westelijk einde is bebouwd. Er gaan aan de westkant twee hoge geweven naast elkaar van die onder de huizen heen; de zuidkant daarentegen wordt door de noordoostkant van de tempelplaats gevormd. De poort, waaraan wij nu komen, heet de Stefanuspoort, omdat Stefanus voor die poort ter rechterkant af naar het zuiden gestenigd geworden zou zijn (Handelingen 7:56, ), of de Schaapspoort (Johannes 5:2. Nehemia 3:1), omdat de schapen, die Jeruzalem op het Paasfeest zoveel nodig had, door die poort gedreven werden, zoals dan ook nu de Bedouïnen met hun schapen nog uit de weiden tussen Bethanië en de Jordaan of uit het land ten oosten van de Jordaan hierin komen. Twee andere poorten, die echter gesloten zijn, zijn de eerste de Herodespoort, die omstreeks in het midden tussen de Damascuspoort en de noordoostelijke hoek van de stad gelegen is, die slechts klein en moeilijk te herkennen is en de gouden poort, die midden in de oostelijke muur van de tempel gelegen is en daarom zo genoemd wordt, omdat men die bij vergissing voor de poort houdt, die in Handelingen 3:2 als de "schone" aangeduid wordt. Haar dubbele ronde boog doet ons aan Romeinse bouwstijl denken en is uit de tijd van keizer Hadrianus. In de tijd van de kruistochten werd die poort elk jaar op Palmzondag geopend, omdat men geloofde, dat Jezus door deze poort Zijn intocht in de stad gehouden had en ook de Mohammedanen hebben de sage, dat eens een koning door die poort zal intrekken, om de stad in bezit te nemen en zich tot Heer van de ganse aarde te verheffen, waarom zij haar met de grootste gestrengheid bewaken en steeds gesloten houden.
e. Onze weg voert ons verder door de Stefanus-poort naar het Kedrondal en over een brug naar Gethsémané. Dat is een tuin, die in de hoek van de beide wegen ligt, die van de brug af, de een over de Olijfberg naar de Hemelvaartskerk, de andere meer zuidelijk over de helling van de berg naar Bethanië heenleiden. Hij heeft een ruimte van 160 voet in het vierkant, is met een kleinen stenen muur omgeven en bevat 8 grote, oude olijfbomen. Binnen deze muur wijst men de plaatsen aan, waar de Heere bad, waar de discipelen sliepen, waar Judas de verraderlijke kus gaf (Hoofdstuk 26:36, ), de laatste plaats is door de Turken, als een plaats, die ook voor hen vervloekt is, ommuurd, zodat niemand daarbij komen kan. Sinds men in de laatste tijd de tuin van binnen door witte staketten en bloembedden ontsierd heeft, lijkt hij niet meer op het beeld, dat men zich gewoonlijk van de in een treurig donker gehulde olijfbomen vormt. Nu kan men niet nauwkeurig de plaats van Gethsémané aangeven: "Slechts bijgelovige verering heeft een nauwkeurigheid van stappen nodig, die nooit te bereiken is; en voor de vrijere mens, hoe gemoedelijk hij ook gestemd moge zijn, heeft dat juist een eigenaardige bekoorlijkheid, dat men door een lichte nevel verhinderd wordt om zulke door daden van de geest geheiligde plaatsen in hun volle juistheid te bereiken. " Toch bevinden wij ons hier minste zeker in de nabijheid van de plaats van het allerheiligste zielelijden van Jezus. Op de steile hoogten van de Moria schitterden de tinnen van de tempel van het oude verbond, zoals nog heden de overoude muren zich daar verheffen. De Tempel van het nieuwe verbond lag biddend in het stof en evenals daar zinnebeeldig op duizenden van offerdieren de zonden gelegd werden, zodat zij de dood stierven, die de offeraars verdiend hadden, zo was Christus hier het Lam van God, dat de zonde van de wereld op Zich nam; de straf lag op Hem, opdat wij vrede zouden hebben. "
f. Laten wij nu naar de brug over de Kedron terugkeren, die wij reeds vroeger passeerden en die uit een 17 voet boven de waterbedding liggende boog bestaat, dan hebben wij dadelijk, nadat wij de brug overgegaan zijn, aan onze rechterhand de aan de Grieken behorende kerk van het graf van de maagd Maria. Wij wenden ons naar het zuiden en komen beneden de zuidoostelijke hoek van de Omar-moskée boven op de tempelplaats, bij de gedenktekenen van Josafat, Absalom enz. op de nauwste plaats van het Kedrondal, waar het tot een engte wordt tussen twee hoge bergen, die zich omstreeks 150 voet hoog daarboven verheffen. Verder wordt het weer wijder; daar, waar wij aan onze rechterhand de Mariabron hebben (2Sa 17:17), bevindt zich een weinig verder onder in het dal aan de linkerhand het dorp Siloah (Sivall): het ligt zeer verstrooid en zijn stenen hutten zijn meest allen van holen of uitgehouwen graven opgebouwd, op meerdere plaatsen worden zelfs de graven zonder verdere aanbouw tot woningen gebruikt. De dorpsbewoners staan bekend als een ruw volk, maar onderscheiden zich door hun vlijt. Van de berg van de ergernis, aan welks voet het dorp ligt, van de bron Siloah, die wij hier geheel in de nabijheid hebben, als ook van de in het verenigingspunt van het Kedrondal met het dal Hinnom gelegen Koningstuin, de Rogelbron en de steen Soheleth hebben wij op de daarop betrekkelijke plaatsen in het Oude Testament gesproken. In het Nieuwe Testament komt slechts de vijver van Siloah voor, die 1100 voet van de vijver Siloah verwijderd en door een kanaal met haar verbonden is (Lukas 13:4. Johannes 9:7). Verder naar het westen trekt dan de berg van de boze raad, die vlak tegenover de berg van de ergernis ligt, aan welks noordoostelijke helling zich de plaats Akeldama bevindt, onze opmerkzaamheid tot zich, op die berg wordt ons een landhuis van Kajafas aangewezen en dit moet de plaats zijn, waar de Joden voor het eerst het besluit opvatten om Jezus te doden (Johannes 11:27, ); maar Akeldama of de akker van het bloed is de akker van de pottenbakkers, die voor het bloedgeld van Judas gekocht en voor de begrafenis van vreemdelingen bestemd is (Hoofdstuk 27:7. Handelingen 1:18, ). De juistheid van de veronderstelling dat dit de plaats is, zou men wel niet kunnen betwijfelen, omdat nog tegenwoordig in de nabijheid witte klei gegraven wordt en ook de in Jeremia 19:2 aangehaalde zonnepoort, evenals het huis van de pottenbakkers in Jeremia 18:2 ons naar het dal van Hinnom verwijzen en men door de akker van de pottenbakkers, dus een door de pottenbakkers van Jeruzalem uitgeputte kleigroeve moet verstaan, die daarom ook slechts zo'n geringe prijs kostte.
g. Terwijl wij ons nu naar het westen wenden, naar het zuidelijk gedeelte van de berg Sion, moet men allereerst opmerken, dat het oude Jeruzalem met zijn muur hier verder reikte dan het tegenwoordige; wij moeten daarom nog voor de poort van Sion zelf de plaats beschouwen (omdat hij eens tot de stad behoorde), waar het graf van David ligt, waarover wij reeds in 1 Kon. 2:10 het nodige aangemerkt hebben. Er ligt iets opmerkelijks in, wanneer de legende boven dit graf het Coenaculum, of de zaal, waar de Heere het heilig avondmaal in gezet heeft en waar dan de uitstorting van de Heilige Geest gevolgd is, heeft laten oprichten. Ook verkrijgen de woorden van de Apostel in Handelingen 2:29 : "Dat hij beide gestorven en begraven is en zijn graf is onder ons tot op deze dag", hierdoor een bijzondere betekenis; maar juist daarin ligt ook de verklaring, hoe men erop gekomen is om de plaats hierheen te verleggen, terwijl die werkelijk ergens anders was. Onmiddellijk achter het graf van David ligt volgens de overlevering het huis van de Hogepriester Kajafas, waar Petrus de Heere verloochend heeft, wat echter eveneens niet met de werkelijkheid overeenkomt, maar slechts een schone gedachte verlichamelijkt. Wanneer wij nu de Zions-poort binnentreden, hebben wij aan de rechterkant van de muur de ellendige hutten van de melaatsen; dat zijn die jammerlijke mensen, die zoals wij reeds aangemerkt hebben, in de nauwe straten van de stad rondlopend en bedelend hun uitgeteerde aangezichten en afgeteerde handen naar de voorbijgangers uitstrekken. Niet ver van de hutten zien wij een Armenisch nonnenklooster met een bijzondere kerk, gebouwd op de plaats waar het huis van Annas moet gestaan hebben. Wij bevinden ons hier reeds binnen het Armenische kwartier en nemen de uitgebreide gebouwen van het Armenische of Zionklooster nader in ogenschouw, dat in zijn voorhoven en huizen in de tijd van het Paasfeest vaak vele duizenden pelgrims herbergt. Aan de linkerkant van de stadsmuur naar de Davidsburg heen is de kloostertuin; maar het voornaamste heiligdom is de kerk van Jakobus van de Ouderen, die met het klooster verbonden is, op de plaats waar men meent dat hij onthoofd is (Handelingen 12:1, ). Noordelijk van deze heilige plaatsen van de Armeniërs hebben wij aan onze linkerhand, naar de Jaffapoort heen, de citadel van de stad, met de zogenaamden Davidstoren of Hippikus 5:9). Aan onze rechterhand in de nabijheid van de toren Phasaëlis en wel op dezelfde plaats, waar Herodes de Grote zich zijn prachtig paleis gebouwd had (Slotaanm. bij 1 Makkabeeën Nr. 11 a) ziet men de Christus- kerk met de daarbij gebouwde woning van de Engelse consul. De bouwstijl is modern gotisch, de vorm van de kerk het Latijnse kruis. Zij heeft haar bestaan te danken aan de bemoeiing van de Pruisische koning Frederik Wilhelm IV, die ook het Anglikaanse bisdom op die plaats met 100. 000 thaler begiftigd heeft; maar de Engelsen hebben de Duitse predikant slechts zoveel toegestaan, dat hij om de andere zondag `s middags een evangelische godsdienstoefening in de kerk mag houden, waarom het bezit van een eigen kerk, waarop zij nu uitzicht hebben, een zeer dringende behoefte was. Wat de bouw van deze Duits-evangelische kerk aangaat, men ging dadelijk na het in bezit nemen van het terrein, aan het opruimen van de plaats, waarbij meer dan 100, 000 vrachten puin verwijderd moesten worden en ook zeer merkwaardige ontdekkingen gedaan werden. Kruisgangen, grote portalen, gewelven zijn ontdekt; de belangrijkste was, dat er een gehele kapel ontdekt werd. Men besloot dadelijk om die kapel uit te bouwen; het werk is voor korte tijd voltooid en de Duitse gemeente kan nu haar godsdienstoefening in deze kapel houden, totdat de eigenlijke kerk voltooid zal zijn.
V. Vers 12-22. Mattheus vertelt hier weer op die korte en krachtige wijze, die wij reeds vaker bij hem opgemerkt hebben en neemt de gebeurtenissen van Jezus' eerste intreden in de tempel van palmzondagavond tot aan Zijn intreden op de dinsdagmorgen in een beeld tezamen; in het Evangelie van Markus kan men het voorval nauwkeurig lezen in de volgende samenhang. Op Palmzondag, toen de Heere in de tempel kwam, zag Hij eerst naar de toestand daar en keerde `s avonds naar Bethanië terug om daar te overnachten; op de volgende morgen, als Hij van daar weer naar Jeruzalem gaat, spreekt Hij onderweg Zijn vloek uit over de onvruchtbare vijgenboom, oefent hierop in de tempel Zijn profetenambt uit, terwijl Hij die reinigt en leert nu het volk en geneest de zieken. Nadat Hij de haat van de Farizeeën en schriftgeleerden heeft tegengestaan, begeeft Hij Zich aan de avond weer naar Bethanië; en pas op dinsdagmorgen bij Zijn tweede terugkomst naar Jeruzalem, zien de discipelen, dat de vijgenboom verdord is, geven hun verwondering te kennen en ontvangen de onderwijzing over de macht van het geloof (Markus 11:11-26. Lukas 19:45-48).