1. Paulus, een apostel van Jezus Christus (volgens betere lezing: "Christus Jezus 1), naar het bevel van God, onze Zaligmaker (
Lukas 1:47 Judas 1:25) en de Heere Jezus Christus, die onze hoop is, grond, middelpunt en doel van onze hoop (
Colossenzen 1:27) 2).
1) De apostel begint ook hier zijn schrijven op de manier, waarop hij anders tegenover de dwaalleraars zijn apostolisch gezag op de voorgrond plaatst 1 Thessalonicenzen 1:1. De apostel is toch, zoals wij bij Handelingen 19:20 hebben uiteengezet, onder de neerbuigende druk van de waarnemingen, te Corinthiërs gemaakt, naar Efeze gezonden. Hier, te Efeze, dreigden van de kant van de dwaalleraars ook reeds gevaren; zij hadden daar echter nog niet zoveel terrein gewonnen als te Corinthiërs en het aanzien van de apostel stond nog vast. Opdat het echter hier niet zover komen zou als daar, terwijl de geëxcommuniceerde agitatoren Hymeneüs en Alexander (vers 20) zeker grote lust openbaarden om het daarheen te leiden, had Paulus Timotheus als zijn delegaat of plaatsbekleder te Efeze achtergelaten (Vers 3. en "Ac 16:3 en hij voorziet nu deze in het voorliggende epistel met de nodige instructies voor zijn werkzaamheid, omdat hij zelf voor onbepaalde tijd van die stad verwijderd moest blijven. Nu ligt het in de aard van de zaak, dat hij zijn eigen ambtsbevoegdheid op nadrukkelijke manier doet gelden, om in Timotheus, die vreesachtig van aard was 1 Thessalonicenzen 3:5, het bewustzijn van de waardigheid en de autoriteit van het ambt op te wekken, dat hem door een apostel van de Heere was opgedragen.
2) Het behoort tot de eigenaardigheden van de pastoraalbrieven, dat Paulus de naam "onze Zaligmaker", die hij in de overige brieven van Christus gebruikt, op God de Vader overdraagt (Hoofdstuk 2:3; 4:10 2; 10; 3:4), dat duidelijk geschiedt met het oog daarop, dat het door Jezus Christus teweeg gebrachte heil in de Vader de bewerker heeft naar Zijn raadsbesluit. Verder is het een bijzondere eigenaardigheid van de beide brieven aan Timotheus, dat Paulus de ambtsnaam "Christus" plaatst voor de historische persoon "Jezus", in wie de Messiaanse beloften van het Oude Testament vervuld zijn, al is het ook niet altijd. Dat staat zonder twijfel daarmee in verband, dat Timotheus, wat zijn afkomst van moeders kant aangaat, tot het Joodse volk behoorde (vgl. bij Handelingen 16:3), terwijl Titus een Griek was (Galaten 2:3) en voor deze de dubbele naam "Jezus Christus" het gehele begrip van Verlosser en Zaligmaker insloot. Nog nauwer wordt de kring van eigenaardigheden getrokken, als op onze plaats Christus Jezus wordt voorgesteld als "onze hoop. " Men heeft gemeend, dat deze naam doelde op een tijd van de vervaardiging van de brief, waarin de apostel, aan het einde van zijn loopbaan staande en moe van de zware strijd, vol verlangen uitzag naar de verlossing van alle kwaad. Men begrijpt echter niet, waardoor, als dat de grond van die naam was, die niet veeleer in de tweede brief van Timotheus voorkomt (vgl. 2 Timotheus 4:18); wij kunnen dus slechts zoveel daaruit afleiden, dat toen Paulus deze eerste brief schreef, hij zeer diep in zijn hart getroffen was. De tweede verklaring wordt bij v. Hofmann gevonden: "De naam van "God" als van onze Zaligmaker herinnert aan de dank, die wij Hem verschuldigd zijn en die van de "Heere Jezus" als van die, die onze hoop is, terwijl Zijn terugkomst onze verheerlijking zal zijn, wekt op tot geduld en volharding in Zijn dienst. Aan het een en het andere gedenkt de apostel bij het volvoeren van zijn opdracht, maar ook Timotheus moet daaraan gedachtig zijn bij de vervulling van zijn roeping. "
De hoop, een anker van de ziel! Zou er onder al de gewijde beelden een schoner zijn en juister dan dit? Een schip zonder anker, ten prooi aan golven en baren en van alle kanten door klippen en rotsen bedreigd, ziedaar een ziel zonder hoop. In waarheid, de spreuk: "hoop doet leven" wordt iedere dag door tal van bewijzen gestaafd, ja, ook dan, wanneer de levenszon daalt, houdt de hoop haar fakkel ons voor in de nevelen van de dood en het graf en zeker kon de grootste dichter van de middeleeuwen geen treffender opschrift op de plaats van de pijniging plaatsen, dan dat beroemde: "Laat alle hoop achter, u, die hier binnentreedt". Maar waar is de hoop, die de mens niet vroeger of later teleurstelt en de zondaar niet ontzinkt, als hij het oog op de hemelhoge berg van zijn overtreding slaat? Of er bestaat niets, of het is dit, waarop de Christen het oog heeft, wanneer hij roemt in Jezus Christus die onze hoop is. "Die onze hoop is. " Weer een van die grondige en zinrijke uitdrukkingen, waaraan wij Paulus herkennen en die het op treffende manier doen uitkomen wie en wat de Christus was beide voor zijn innigst bewustzijn en voor zijn dagelijks vernieuwde levenservaring. Alweer, omschrijf haar en u heeft haar tevens verwaterd: weerspreek haar en de Christelijke geloofsroem is tegelijk op uw lippen bestorven. Merkwaardig dat deze apostel van het geloof de Christus als zijn hoop en die van zijn geliefde discipel vermeldt in een brief, reeds tegen het einde van zijn loopbaan geschreven; als de avond valt, beginnen zich de sterren voor het oog in te liefelijker glans te vertonen. Zeker zou zo'n woord bespottelijke onzin geweest zijn, als de Christus in zijn schatting niet hoger dan in die van het ongeloof van onze eeuw had gestaan, maar even zeker hecht het nadenken en de ondervinding van iedere Christen aan deze uitspraak het zegel. Ja echt, Christus zelf is het voorwerp van de hoop van de Zijnen. Zij richt zich, heeft het nog herinnering nodig, niet op iets in hen zelf, of in de wereld rondom hen; zelfs niet op God buiten Christus of het Opperwezen, of de Voorzienigheid in het algemeen, maar op Hem, in wie het grote woord: "Emmanuel, God met ons" tot waarheid geworden is en zonder wie niemand tot de Vader kan komen. Hij kan onze hoop zijn, omdat Hij meer is dan alle mensen en engelen samen, zelf God, geopenbaard in het vlees. Hij wil onze hoop zijn, omdat Hij vrijwillig als Vriend en Broeder en Redder is opgetreden van ons verloren en afkerig geslacht. Hij moest het wezen, of het geldt nog altijd tenslotte van ons: "Geen hoop hebbend en als zonder God in de wereld. " Meer nog; Christus is de grond van onze hoop, omdat al wat ons voor wanhoop bewaart en nog moed geeft het zinkend hoofd weer op te beuren, uitsluitend in Hem en Zijn werk wordt gevonden. Neem Zijn verschijning en Zijn woord, Zijn lijden en dood, Zijn opstanding en heerlijkheid weg en geheel het huis van uw hoop, hoe schitterend het voor uw oog moge prijken, het zinkt voor de eerste storm van nood en dood tot een reddeloze puinhoop in één. Hij is het, wie God, naar het zinrijk woord van een ander apostel (1 Petrus 1:21) heerlijkheid en eer gegeven heeft, "opdat ons geloof en onze hoop op God zijn zou. " Om alles te zeggen, "Christus is het leven van onze hoop; zoals die buiten Hem kwijnt en sterft, zo wortelt en groeit zij te meer, naarmate wij aan Hem ons vastklemmen en toenemen in Zijn gemeenschap. Daarom gewaagt Paulus elders (Koloss. 1:27) van "Christus onder ons, als de hoop van de heerlijkheid", het is de Geest van Christus, die daar binnen het waarachtig leven van de hoop niet slechts wekt, maar voedt en bewaart en altijd overvloediger maakt. De plant moet noodzakelijk sterven, zodra zij niet langer de stralen indrinkt van deze éne levenwekkende zon. Immers Christus is niet slechts het waardig en voldoende, maar het enig en eeuwig middelpunt van al de hoop van de Zijnen. Die eenvoudige waarheid, zo onbetwistbaar en belangrijk in zichzelf, zou zij niet vooral de herinnering waardig zijn in de tegenwoordige dagen? Maar zeker is een oppervlakkige blik reeds voldoende, om ons te doen opmerken, dat een wel gegronde en blijmoedige hoop steeds geringer plaats inneemt in het hart van velen, die zich Christenen noemen en dat menig verborgen leven aan een stille wanhoop ten prooi is, die als een worm de edelste delen doorknaagt. Verder dan tot onderwerp over wat nu eenmaal onvermijdelijk is, kunnen het velen van dit geslacht niet meer brengen, maar als in cijfers kon uitgedrukt worden hoeveel armer menige ziel sinds de laatste twintig jaren aan het leven van de hoop is geworden, u mag vrijelijk aannemen, dat het tekort niet minder dan miljoenen bedragen zou; dat komt, omdat de tijdgeest met Christus gebroken heeft en zich, zover hij nog godsdienstig wil zijn, op het standpunt van zuiver natuurlijke godsdienst terugzet en deze heeft - geen Evangelie van de hoop. Die de Zoon niet heeft, die heeft ook de Vader niet en die de Vader niet heeft, waarop zal hij hopen? Christus of - wanhoop; het is de grote vraag van onze tijd. De geest van de waarheid zelf leert ons het enig antwoord verstaan!