20. En zij gingen, gehoorzaam aan Zijn bevel (
Vers 15), daarna, toen de belofte van de Heilige Geest over hen was vervuld en de kerk eerst in het heilige land (
Handelingen 1:8) gesticht was, uit Jeruzalem a) en predikten overal, totdat zij eindelijk met hunprediking ook tot Rome, in hun tijd het einde der aarde, doordrongen, en b) de Heere (
Filippenzen 2:11) werkte mee, zodat hun prediking ook vruchten droeg en Hij bevestigde het woord dat zij verkondigden door tekenen, die daarop volgden, zoals die te voren (
Vers 17, ) waren voorzegd. Amen.
a) 1 Timotheus 3:16. b) Hebreeën 2:4.
De aarde in het licht van de hemelvaart van Christus: in dit licht zien wij haar gewijd 1) tot een land van het geloof, 2) tot een plaats van de prediking van het Evangelie, 3) tot een voorhof van de hemel en 4) tot een schouwplaats van de hemelse werkzaamheid van Christus.
Hemel en aarde in het licht van de hemelvaart: I. de hemel 1) hoog boven deze wereld, 2) ontsloten voor deze wereld, 3) neerdalende tot deze wereld. II. de aarde 1) een school van het geloof, 2) een plaats van de belofte, 3) een tempel van de eer van God.
Hoe zich de heerlijkheid van de opgevaren Verlosser in de wereld overwinnend betoont. 1) in de toerusting en uitzending van Zijn boden, 2) in de verzameling en zaligmaking van Zijn leden, 3) in de krachtige leiding en bewaring van Zijn kerk.
Hoe Jezus door Zijn hemelvaart alles, wat vroeger gesloten was, heeft ontsloten: 1) het menselijk hart voor het geloof, 2) de hele aardbodem voor het Evangelie, 3) de hemel tot een ingang voor allen, die in Hem geloven. Wat de verhoogde Heer aan de Zijnen vermaakt, in zijn hoge ernst en in zijn zoete troost: Hij laat hun achter 1) een streng bestraffend woord, maar ook een liefdevolle zegen, 2) een moeilijken last, maar ook een heerlijke toerusting, 3) een zware pelgrimstocht, maar ook een zalige bestemming.
SLOTWOORD OP HET EVANGELIE VAN MARKUS
Bij de geschiedenis van Jezus' gevangenneming leerden wij in Hoofdstuk 14:51, 52 een jongeling kennen. Door wat daar vermeld wordt heeft onze Evangelist zijn vroegere betrekking tot de Heere, toen die nog op aarde was, voorgesteld. Zijn Hebreeuwse naam is Johannes; de Romeinsen bijnaam Markus, die hij droeg, heeft hij misschien pas bij zijn intreden in de dienst van de apostelen aangenomen. Nu eens wordt hij alleen Johannes (Hand. 13:6, 13), dan alleen Markus (Handelingen 15:39. Colossenzen 4:10. 2 Timotheus 4:11. Filemon 1:24), dan weer Johannes Markus (Handelingen 12:12, 25; 15:37) genoemd. Als zijn moeder wordt Maria genoemd, een vrouw die ten tijde van de ter dood brenging van Jakobus de oudere in Jeruzalem woonde en in de gemeente groot aanzien had (Handelingen 12:12). Haar huis lag waarschijnlijk in het Kedrondal, ongeveer daar waar tegenwoordig de kerk van de heilige maagd staat, dus onmiddellijk aan de tuin Gethsémané, waaruit de boven medegedeelde gebeurtenis gemakkelijk wordt verklaard, maar ook de andere, dat Petrus bij zijn redding uit de gevangenis zich hierheen wendde om zich van daar verder in veiligheid te begeven. Het is zonder twijfel ook Petrus geweest, die voor Markus het middel was, dat deze een aanhanger van Jezus, een waarachtig Christen is geworden en een lid van de gemeente (1 Petrus . 5:13). Waarschijnlijk is na zijn verloochening deze apostel al naar dat huis in het Kedrondal gevlucht (vgl. bij Hoofdstuk 16:1), heeft hij daar de tijd tot aan de opstanding doorgebracht en heeft hij daar ook de verschijning van de Opgestane (Lukas 24:34. 1 Corinthiërs 15:5) gehad, zodat zijn ervaringen mede ten nutte van Maria en haar zoon zijn gekomen. Nadat hij 14 jaar lang lid was van de gemeente in Jeruzalem, werd Johannes Markus door zijn neef Barnabas in het jaar 44 na Christus met de gemeente in Antiochië in Syrië in aanraking gebracht (Handelingen 12:25). Van die tijd af vergezelde hij Barnabas en Paulus op de eerste zendingsreis (van het jaar 46-48) en had hier zeker de bestemming om de leer van hen beiden, die geen van de evangelische feiten door eigen waarneming kende, te bevestigen en te versterken door Evangelische mededelingen waartoe hij als leerling van Petrus, wiens onmiddellijke mededelingen hij trouw kon weergeven, zeer geschikt was (Efeze 4:11). Hieruit is te verklaren waarom van Markus in Handelingen 13 niet meteen bij de uitzending en afreis melding wordt gemaakt, maar pas als van het begin van de werkzaamheid in de Joodse synagoge sprake is. Toen men echter na de werkzaamheid op Cyprus en in Perge van de streken aan de kust verder in het binnenland, naar de berglanden van Klein-Azië wilde gaan, werd Markus, zoals het schijnt, bang, keerde hij weer terug en ging hij naar zijn moeder in Jeruzalem (Hand. 13:5, 13). Hier vindt Barnabas hem, toen deze in het jaar 50 met Paulus naar het concilie van de Apostelen was gereisd; hij neemt hem vandaar voor de tweede keer met zich naar Antiochië (Handelingen 15:2, 30). Toen nu in het volgende jaar een tweede zendingsreis werd ondernomen, werden omwille van hem Barnabas en Paulus het oneens, want de eerste wilde hem ook op deze reis als helper meenemen, terwijl deze hem niet wilde hebben. Zo verenigt Paulus zich met Silas om de voorgenomen reis te volbrengen, Barnabas daarentegen scheept zich met Markus naar Cyprus in (Handelingen 15:30, ). Beiden zijn vanaf dat moment een lange tijd voor de zending onder de heidenen zo goed als niet meer aanwezig en worden daarom ook niet meer in de geschiedenis van de apostelen vermeld. Wanneer Paulus in 1 Corinthiërs 9:6 nog eens van Barnabas als van zijn collega melding maakt, dan doet hij het met het oog op de oorspronkelijk gemeenschappelijke vocatie (Handelingen 13:2), zonder daarmee enigszins te willen zeggen, dat de genoemde ook nu nog zijn eigenlijke roeping als heidenapostel in gemeenschap met hem waarnam; integendeel heeft Barnabas na die scheiding zich wel aan Petrus zijde geplaatst en de zending onder de Joden tot zijn levensdoel gekozen. Als Paulus na het eindigen van zijn tweede zendingsreis zich enige tijd in Antiochië ophoudt (Handelingen 18:22, ), vindt het in Galaten 2:11, vermelde voorval met Petrus plaats en Barnabas volgt geheel het gedrag van deze laatsten. Heeft nu Paulus dadelijk Petrus van zijn onrecht overtuigd, dan overwonnen toch de tegenstanders van de heidenapostel, de enghartige Judaïsten te Jeruzalem, die zich tot een bepaalde partij van Jakobus hadden georganiseerd en ook Petrus en Barnabas met hun grondstellingen hadden aangestoken, zelfs zo, dat voortaan Paulus een moeilijk standpunt en een harde strijd ook in zijn eigen gemeenten had te voeren ten gevolge van de dwaalleer, zoals wij die pas in de brief aan de Galaten vinden en het zelfs tot een ontkennen van zijn apostolische waardigheid kwam. In dat jaar 54 na Christus heeft Petrus van Antiochië af zich zeker verder naar het oosten tot de Joden in het Perzische rijk gewend en ten slotte zijn verblijfplaats te Babylon aan de Eufraat genomen. Barnabas heeft hem toen Markus als helper meegegeven; hij zelf is echter eerst in Antiochië gebleven, totdat hem vervolgens na de gevangenschap van Paulus in 58, de verwijdering van deze van de gemeenten te Derbe, Lystre, Iconium en Antiochië in Pisidië, aan welke stichting hij werkelijk aandeel had gehad, op de gedachten bracht onder deze gemeenten voor zich een arbeidsveld te zoeken. Nu beproefde hij van daar zijn werkzaamheid in Klein Azië uit te breiden, met name ook tot de gemeenten te Kolosse, Laodicea en Hiërapolis. Paulus kon hem daartoe het recht niet toestaan en liet zijn gemeenten hem niet aannemen, waardoor natuurlijk de spanning tot het toppunt steeg. Het kwam echter snel tot ene wending toen de Apostel van Cesarea naar Rome werd gevoerd tot verantwoording voor de keizer. Waarschijnlijk is het Silvanus geweest, die Petrus over het lot van de gevangene, naar Rome gevoerde Paulus nadere berichten naar Babylon heeft overgebracht (1 Petrus . 5:12). Omdat Petrus het einde van die gevangenschap (niet de bevrijding, zoals men gewoonlijk aanneemt, maar de ter dood brenging) wel voorspelde deed hij alle moeite om een verzoening tussen zijn partij en de tot bloedgetuige geroepen mede-apostel tot stand te brengen, voordat deze uit de wereld ging. Hij kon zo voor alle dingen Markus aan de gevangene, die zo zeer apostolische hulp nodig had, om ook uit zijn gevangenis nog in zijn gemeente werkzaam te zijn, ten dienste aanbieden. Paulus nam de aanbieding aan en droeg Timotheüs te Efeze op om, wanneer hij naar hem toekwam, Markus mee te brengen, want hij was hem "zeer nut tot de dienst" (2). Door middel van Markus had echter Petrus ook Barnabas aanleiding gegeven tot een verzoening met hem, met wie hij vroeger zo zeer bevriend was geweest. Toen nu de eerste te Rome aankwam en ook daar die verzoening wilde, vond Paulus zich gedwongen, in de spoedig daarop afgezonden brief aan de Kolossensen (4:10) de vroeger over Barnabas gegeven aanwijzing om hem niet aan alle nemen, weer terug te trekken en zo de herstelde band te bezegelen. Zo ongeveer ontwikkelden zich de zaken nog in de loop van het eerste jaar van de gevangenschap van de apostels in Rome (61 na Chr. ). Ook in Filemon 1:24 zien wij Markus weer als helper bij hem. De verdere ontwikkeling in de eerstvolgende drie jaren, hoe Petrus in Rome kwam en naast Paulus daar voor de uitbreiding van het Evangelie werkzaam was, het proces van de laatste slecht afliep en zijn dood ten gevolge had, hoe Markus nu weer geheel in dienst van de eerste stond, totdat die in de vervolging van Nero de dood vond, zullen wij, om hier niet te uitvoerig te worden, aan het slot van de Handelingen van de Apostelen meedelen.
Wij willen nu meedelen wat Papias over het ontstaan van het Evangelie van Markus bericht. Papias namelijk, bisschop van Hiërapolis in Klein Frygië omtrent het midden van de 2de eeuw, heeft in 5 boeken een uitlegging van de woorden van de Heere geschreven, die wel op enige brokstukken na verloren is gegaan. Wat wij echter daarvan nog hebben toont dat het werk een geschiedkundige voorstelling was van Christus' werkzaamheid en van Zijn prediking. Dit werk moest uit de mondelinge overleveringen van de eerste apostelen putten en nog alles samenvatten, wat uit de apostolische kringen van mededelingen over de gebeurtenissen kon worden gevonden en kon dienen om de vroegere schriftelijke optekeningen aan te vullen, te verduidelijken en te verklaren. Tot dit doel deed hij deels onderzoek bij hen die tot de apostelen, of, zoals hij ze noemt, tot de oudsten in nadere betrekking hebben gestaan, om hun woorden te vernemen. Hij kwam deels in onmiddellijk contact met twee discipelen van de Heere, met Aristion (waarbij men misschien aan Lukas - aristeuwn = lucens - moet denken) en de presbyter (oudste = apostel) Johannes. Wat hij in zijn vroege jeugd over het ontstaan van het Markus' Evangelie vernam, is dit: "Markus als hermeneut (tolk of concipient) van Petrus, schreef de woorden en daden van Christus, die hij zich herinnerde, nauwkeurig neer, maar niet op rij, want hij was noch toehoorder, noch volgeling van de Heere. " Een nadere uiteenzetting is pas mogelijk bij het bespreken van het oponthoud van Petrus en Markus te Rome, waar de laatste zonder twijfel onder leiding van de eerste zijn evangelie gemaakt heeft. Daardoor vervulde hij de toezegging in 2 Petrus 1:15 vv. Hij werkte daaraan tot aan het uitbreken van de vervolging onder Nero op het laatst van Juli 64 n. C. 16:8). Wij moeten voor twee zaken op onze hoede zijn; aan de ene kant voor de mening van hen die ons evangelie voor geen volledige, naar een bepaald plan gerangschikte mededeling van de daden van de Heere houden, maar alleen voor een kunsteloze bij elkaar voeging van het een en ander en aan de andere kant voor de tegenovergestelde mening, die aan het Markus-evangelie, wat de geschiedkundige opvolging van de gebeurtenissen aangaat, de voorrang boven de andere evangeliën wil toekennen. Wij menen naar beide kanten hier de juiste opvatting te hebben blootgelegd, totdat later ook de verhouding van de derde Evangelist tot de geschiedkundige stof die hij bewerkte, blijken zal. Markus heeft, zoals Riggenbach juist opmerkt, de verhalen die wij bij anderen korter vinden, vaker met levendige trekken verrijkt en voor ons een aantal treffende woorden van de Heere bewaard. Hij voegt bij de Hebreeuwse woorden de vertaling, maar geeft ze eerst in het Hebreeuws. Wij moeten daarbij zijn, moeten het met eigen oren horen hoe het woord van de kracht oorspronkelijk luidde. Omgekeerd bedient hij zich meer dan de anderen midden in het Griekse verhaal van Latijnse namen en titels. Zo doet de tolk van de apostel in Rome; hij verenigt zorgvuldigheid in bijzonderheden met eenvoudige verhevenheid in het geheel; uit de mond van de apostel van de daden tekent hij de Romeinen, dat volk van daden, de Zoon van God in de kracht van Zijn daden.