Mattheus 24:1-3
Hier is: l. Christus' verlaten van den tempel en Zijn openbaren arbeid aldaar. Aan het einde van het vorige hoofdstuk had Hij gezegd: Uw huis wordt u woest gelaten, en hier vervulde Hij Zijn woord, Hij ging uit en vertrok van den tempel. De wijze van uitdrukking is opmerkelijk, Hij ging niet slechts uit den tempel, maar vertrok van den tempel, nam er voor goed afscheid van. Hij vertrok om nimmer terug te keren, en dan volgt onmiddellijk de voorzegging van zijne verwoesting. Dat huis wordt in waarheid woest gelaten, waaruit Christus vertrokken is.
Wee hun, als Ik van hen zal geweken zijn, Hosea 9:12, Jeremia 6:8. Het was nu tijd om hun Ikabod, de ere is weggevoerd, de bescherming is weggevoerd, uit te zuchten. Drie dagen daarna werd de voorhang des tempels gescheurd, toen Christus hem verliet, is alles gemeen en onrein geworden. Maar Christus is niet vertrokken, voordat zij Hem hadden verdreven, Hij heeft hen niet verworpen, voordat zij Hem hadden verworpen.
II. Zijne rede voor de discipelen. Hij verliet den tempel, maar de twaalven heeft Hij niet verlaten. Zij waren het zaad van de Evangeliekerk, die verrijkt zou worden door de verwerping der Joden. Toen Hij den tempel verliet, hebben ook Zijne discipelen hem verlaten, en zij kwamen tot Hem. Het is goed te wezen waar Christus is, en te verlaten wat door Hem verlaten wordt. Zij kwamen tot Hem om in het verborgen door Hem onderwezen te worden, nadat Zijn openbare prediking had opgehouden, want de verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vrezen. Hij had gesproken van den ondergang der Joodse kerk in gelijkenissen toen Hij tot de schare sprak, en, als gewoonlijk, heeft Hij die gelijkenissen hier voor Zijne discipelen verklaard.
1. Zijne discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen des tempels te tonen. Het was een statig, schoon gebouw, een van de wonderen der wereld, gene kosten waren gespaard, geen kunst ongebruikt gelaten om hem prachtig en heerlijk te maken. Hoewel hij minder schoon was dan Salomo's tempel, en zijn begin gering was, was toch zijn laatste zeer vermeerderd geworden. Hij was rijkelijk voorzien van gaven en offeranden, die nog voortdurend toenamen. Zij toonden Christus deze dingen, en verlangden dat Hij ze zou opmerken, wellicht, omdat zij zelven er grotelijks behagen in hadden, en dit ook van Hem verwachtten. Zij hadden meestal in Galilea gewoond, ver van den tempel, hadden hem slechts zelden gezien, en waren dus des te meer getroffen van bewonder-ing op het gezicht er van, en zij dachten, dat Hij al deze heerlijkheid evenzeer zou bewonderen als zij, en zij wilden Hem afleiden van Zijne smart, die Hem wellicht overstelpte. Zelfs goede en Godvruchtige mensen kunnen wel eens al te veel ingenomen zijn met uiterlijke pracht en haar overschatten, zelfs in de dingen Gods, terwijl wij, evenals Christus, daaraan gestorven moesten zijn, en er met minachting op moesten neerzien. De tempel was inderdaad heerlijk, maar
a. zijn glans was beneveld en bevlekt door de zonde van de priesters en het volk, de goddeloze leer der Farizeeën, die het goud hoger stelde dan den tempel, die het heiligde, was genoeg om al de schoonheid der tempelsieraden te bederven.
b. Zijne heerlijkheid was in de schaduw gesteld door de tegenwoordigheid van Christus, die zelf de heerlijkheid was van dit laatste huis, Haggai 2:10, zodat de gebouwen, in vergelijking met die grotere heerlijkheid, gene heerlijkheid hadden. Of wel, als treurende er over, dat dit huis woest gelaten zou worden. Zij toonden Hem de gebouwen, als wilden zij Hem bewegen het vonnis te herroepen: Heere, laat dit heilig en heerlijk huis, waarin onze vaders U geprezen en verheerlijkt hebben, niet tot verwoesting worden. Zij vergaten hoe vele omstandigheden ten opzichte van Salomo's tempel getoond hadden, hoe weinig God die uitwendige heerlijkheid telde, waarmee zij zoveel ophadden, toen het volk goddeloos was, 2 Kronieken 7:21, Dit hoge huis zal door de zonde laag naar beneden worden gebracht. Christus had onlangs gezien op kostelijke zielen en er over geweend, Lukas 19:41. De discipelen zien op de prachtige gebouwen, en zijn geneigd er over te wenen. Hierin, evenals in andere dingen, zijn Zijne gedachten niet als onze gedachten. Het was kleingeestig van de discipelen om zoveel op te hebben met fraaie gebouwen, het was iets kinderachtigs in hen.
2. Hierop voorzegt Christus de algehele verwoesting, die over deze plaats zou komen, vers 2. Een gelovig voorzien van het verval en te gronde gaan van alle wereldse heerlijkheid zal ons helpen om haar niet te overschatten, en er ons hart niet op te stellen. Het schoonste lichaam valt weldra den wormen ten prooi, en het fraaiste gebouw zal spoedig niets dan een puinhoop zijn. En zullen wij dan onze ogen gericht houden op datgene, hetwelk zo spoedig niet meer zijn zal, en met zoveel bewondering zien op hetgeen wij eerlang ongetwijfeld met minachting zullen beschouwen? Ziet gij niet al deze dingen? Zij wilden, dat Christus ze zou aanzien, en er even ingenomen mede zou zijn, als zij zelven dit waren, Hij wilde, dat zij ze zouden aanzien en er even koud en onverschillig voor zouden zijn, als Hij dit was. Er is een zien op deze dingen, dat ons goed kan doen, als wij ze zo zien, dat wij ze doorzien en er het einde van zien. In plaats nu van het raadsbesluit te vernietigen, bevestigt Christus het, Voorwaar zeg Ik u, hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden. Hij spreekt er van als van een stelligen, gewissen ondergang: Ik zeg, Ik, die weet wat Ik zeg, en weet waar te maken wat Ik zeg, neemt er Mijn woord voor, dat het zo zijn zal. Ik, de Amen, de getrouwe Getuige, zeg. Alle oordeel den Zoon overgegeven zijnde, zijn de bedreigingen, zowel als de beloften, allen ja en amen in Hem, Hebreeën 6:17, 18. Hij spreekt er van als van een algehelen ondergang. De tempel zal niet slechts beroofd, geplunderd en ontsierd worden, maar gans en al afgebroken en in puin gelegd worden. Niet een steen zal op den anderen steen gelaten worden. Bij het bouwen van den tweeden tempel werd er acht op gegeven hoe steen op steen gelegd werd, Haggai 2:16, en hier, bij zijn ondergang, hoe er niet een steen op den anderen steen gelaten zal worden. De geschiedenis deelt ons mede, dat dit vervuld werd, want, hoewel Titus, toen hij de stad innam, alles deed wat hij kon om den tempel te sparen, heeft hij de verwoede krijgslieden er toch niet van kunnen terughouden, om hem gans en al te verwoesten, en dit geschiedde zo volkomen, dat Turnus Rufus den grond omploegde, waarop hij gestaan heeft, waardoor dus deze Schriftuurplaats vervuld werd: Om uwentwil zal Zion als een akker geploegd worden, Micha 3:12. En toen later, in den tijd van Julianus de Afvallige, de Joden door hem aangemoedigd werden om, als tegenstand tegen den Christelijken Godsdienst, hun tempel weer op te bouwen, werd, hetgeen er van de ruïne nog was overgebleven, geheel en al neergeworpen, om den grond effen te maken voor een nieuw fondament. Maar die poging werd verijdeld door de wonderdadige uitbarsting van vuur uit den grond, waardoor het fondament, dat zij legden, werd verwoest en de bouwers weggeschrikt werden. Nu ligt in deze voorzegging van den tempel tevens de voorzegging opgesloten van het einde der ceremoniële wet en het Levitische priesterschap.
3. De discipelen betwistten noch de waarheid noch de rechtvaardigheid van dit oordeel, evenmin als de vervulling er van, maar zij vroegen naar den tijd, wanneer dit zal geschieden, en naar de tekenen, die er de nadering van zullen aankondigen, vers 3. Merk op a. Waar zij dit vroegen, in de afzondering, als Hij op den Olijfberg gezeten was. Waarschijnlijk was Hij op den terugweg van Bethanië, en zat Hij daar neer om uit te rusten. De Olijfberg was vlak tegenover den tempel, zodat Hij van daar het volle gezicht er op had van uit de verte. Dáár zat Hij neer, als een rechter op den rechterstoel, de tempel en de stad voor Hem, als voor de balie, en aldus heeft Hij het vonnis er over geveld. Wij lezen, Ezechiël 11:23, dat de heerlijkheid des Heeren oprees van het midden der stad, en stond op den berg, en zo is Christus, de grote Shechina, naar dezen berg gegaan.
b. De vraag zelf. Wanneer zullen deze dingen zijn? En welk zal het teken zijn van Uwe toekomst en van de voleinding der wereld? Dus eigenlijk drie vragen. Sommigen denken, dat deze vragen allen betrekking hebben op ene en dezelfde zaak-de verwoesting van den tempel, en het einde van de Joodse kerk en natie, waarvan Christus zelf had gesproken, als van Zijne komst, Hoofdstuk 16:28, en die de voleinding zou wezen der eeuw (want aldus kan het gelezen worden), het einde van deze bedeling. Of wel, zij dachten dat de verwoesting van den tempel het einde der wereld moest zijn. Indien dat huis verwoest wordt, dan kan de wereld niet meer blijven bestaan, want de rabbijnen plachten te zeggen, dat het huis des heiligdoms een der zeven dingen was, om wier wil de wereld was gemaakt, en zij denken dat, indien dit zo is, de wereld den tempel dan ook niet zal overleven. Anderen denken, dat hun vraag: Wanneer zullen deze dingen zijn? betrekking heeft op de verwoesting van Jeruzalem, en de twee andere op het einde der wereld, of wel, dat Christus' komst betrekking kan hebben op Zijne oprichting van Zijn Evangelie-koninkrijk, en het einde der wereld op den oordeelsdag. Ik ben veeleer geneigd te denken, dat hun vraag niet verder ging dan tot op de gebeurtenis, die Christus thans voorzegde. Maar uit andere Schriftuurplaatsen blijkt, dat zij zeer verwarde denkbeelden hadden omtrent toekomstige gebeurtenissen, zodat het misschien niet mogelijk is, om een bepaalden zin aan hun vraag te geven. Maar hoewel Christus in Zijn antwoord de vergissingen Zijner discipelen niet in zo vele woorden herstelt of verbetert (dat moet geschieden door de uitstorting des Geestes), ziet Hij toch verder dan hun vraag gaat, en onderricht Hij Zijne kerk, niet slechts omtrent de grote gebeurtenissen van die eeuw, de verwoesting van Jeruzalem, maar ook betreffende Zijne wederkomst aan het einde des tijds, waarover Hij nu in Zijne rede gaat spreken, en het is duidelijk, dat Hij daar ook in het volgende hoofdstuk van spreekt, daar dit het vervolg Zijner rede bevat.