Mattheus 21:1-16
Al de vier evangelisten maken melding van Christus' triomfantelijken intocht in Jeruzalem, vijf dagen voor Zijn dood. Het pascha was op den veertienden dag der maand, en dit was de tiende, op welken dag door de wet was geboden, dat het paaslam tot den dienst werd afgezonderd, Exodus 12:3. Op dien dag werd dus Christus, ons Pascha, dat voor ons geslacht zou worden, openlijk vertoond. Zodat dit de inleiding was tot Zijn lijden. Hij had Zijn intrek genomen in Bethanië, een dorp, niet ver van Jeruzalem, op den avond tevoren had Maria bij een avondmaal Zijne voeten gezalfd, Johannes 12:3. Maar, zoals gewoonlijk gezanten doen, had Hij Zijn openbaren intocht tot enigen tijd na zijne aankomst uitgesteld. Onze Heere Jezus heeft veel gereisd, en het was Zijne gewoonte om te voet van Galilea naar Jeruzalem te reizen, hetgeen zowel vernederend als vermoeiend was. Menige moeizamen voetstap had Hij af te leggen, toen Hij het land doorging goed doende. Hoe weinig betaamt het den Christenen, om zo bovenmate bezorgd te zijn voor hun gemak en hetgeen met hun werelds aanzien strookt, als hun Meester zo heel weinig daarvan had! Toch heeft Hij eens in Zijn leven in staatsie gereden, thans namelijk, toen Hij opging naar Jeruzalem om te lijden en te sterven, alsof dat het genoegen en de bevordering was, waarnaar Hij streefde en verlangde. Nu hebben wij hier:
I. De voorziening, die getroffen was voor deze plechtigheid, en die was zeer armelijk en alledaags, geheel in overeenstemming met Zijn koninkrijk, dat niet van deze wereld is. Er waren geen wapenherauten, geen trompetgeschal ging voor Hem uit, geen staatsiekoetsen, geen livreien. Zulke dingen waren niet in overeenstemming met Zijn tegenwoordigen staat van vernedering, maar zij zullen ver overtroffen worden bij Zijne wederkomst, waarvoor Zijn heerlijke verschijning in majesteit is weggelegd, als de laatste bazuin zal geblazen worden, en de heerlijke, schitterende engelen Zijne herauten en dienaren zullen zijn, en de wolken Zijne wagens. Maar bij deze openlijke verschijning:
1. Was de toebereiding plotseling en in der haast. Voor Zijne heerlijkheid in de andere wereld, en de onze met Hem, waren de toebereidselen gemaakt van voor de grondlegging der wereld, want dat was de heerlijkheid, waar Zijn hart op gesteld was. Voor Zijne heerlijkheid in deze wereld was Hij als dood, en daarom heeft Hij, hoewel Hij haar in het vooruitzicht had, niet vooraf beraamd. Zij waren nu te Bethfage, ene voorstad van Jeruzalem, en ten opzichte van alles (zeggen de Joodse geleerden) tot Jeruzalem gerekend. Het was een lange straat naar den kant van den Olijfberg. Toen Hij daar aankwam, zond Hij twee discipelen, sommigen denken Petrus en Johannes, om Hem een ezel te halen, want er stond geen voor Hem gereed.
2. Het was zeer gering, zeer onaanzienlijk. Hij zond slechts om ene ezelin en haar veulen, vers 2. In dat land werden ezels veel gebruikt om te reizen, paarden werden slechts door aanzienlijken gehouden of voor den oorlog gebruikt. Christus zou een cherub hebben kunnen ontbieden om Hem te dragen, Psalm 18:11, maar hoewel Hij door Zijn naam Jah, die Hem aanduidt als God, rijdt in den hemel, rijdt Hij thans door Zijn naam Jezus, Emmanuel, God met ons, in Zijn staat der vernedering, op ene ezelin. Sommigen zijn echter van mening, dat Hij hiermede het oog had op de gewoonte in Israël, dat de rechters op witte ezelinnen rijden, Richteren 5:10, en hun zonen op ezelsveulens, Richteren 12:24. En Christus wilde aldus Zijne intrede doen, niet als een veroveraar, maar als de Rechter Israël's. 3. Die ezelin was ook Zijn eigendom niet, zij was slechts geleend. Hoewel Hij geen eigen huis had, zou men toch denken dat Hij, evenals andere reizende lieden, die leven van hun vrienden, een eigen ezel zou gehad hebben, om Hem heen en weer te dragen, maar om onzentwille is Hij in ieder opzicht arm geworden, 2 Corinthiërs 8:9. Het spreekwoord zegt: Wie leeft van borgen, leeft met zorgen, of smarten, hierin dus, evenals in andere dingen is Christus een man van smarten. Hij had van de goederen dezer wereld niets anders dan wat Hem gegeven of geleend werd. De discipelen, die gezonden werden om deze ezelin te lenen, moesten zeggen: De Heere heeft ze van node. Zij, die in nood zijn, moeten zich niet schamen om hun nood te bekennen, en ook niet zeggen, evenals de onrechtvaardige rentmeester: Te bedelen schaam ik mij, Lukas 16:3. Maar van den anderen kant behoort niemand zijne vrienden te misleiden of hun vriendelijkheid te misbruiken, door van hen te bedelen of te borgen als hij het niet nodig heeft. In het lenen van deze ezelin hebben wij
a. Een voorbeeld van Christus' weten. Want in deze gans toevallige omstandigheden, wist Christus Zijn discipelen toch nauwkeurig te zeggen, waar zij ene ezelin gebonden zouden vinden en een veulen met haar. Zijne alwetendheid strekte zich uit over de geringste Zijner schepselen, ezelinnen en hare veulens, en haar gebonden of losgemaakt zijn. Zorgt God ook voor de ossen? 1 Corinthiërs 9:9. Ongetwijfeld, en Hij wilde Bileams ezelin niet mishandeld zien. Hij kent al Zijne schepselen, om ze tot Zijne doeleinden te laten dienen.
b. Wij hebben hier een voorbeeld van Zijne macht over de geesten der mensen. Het hart van de geringste onderdanen, zowel als dat der koningen, is in de hand des Heeren. Christus laat Zijn recht gelden om deze ezelin te gebruiken door hun te gebieden haar tot Hem te brengen, de volheid der aarde is des Heeren Christus. Maar Hij voorziet enige moeilijkheid, die de discipelen zouden ontmoeten, toen zij op dezen dienst uitgingen, zij moeten haar niet clam et secreto, stil en in het verborgen, wegnemen, maar voor de ogen van den eigenaar, en nog veel minder, vi et armis -met geweld van wapenen, maar met de toestemming van den eigenaar, en Hij blijft er borg voor, dat zij die toestemming zullen hebben: Indien u iemand iets zegt, zo zult gij zeggen, dat de Heere deze van node heeft. Als Christus zo iets te doen geeft, zal Hij er ons in door helpen. Hij voorziet ons van een antwoord op de tegenwerpingen, waarmee men ons zal aanvallen, en maakt dit antwoord afdoend, zoals hier: Hij zal ze terstond zenden. Door de ezelin tot Zijn dienst te gebieden, toonde Christus dat Hij is de Heere der heirscharen, en door het hart van den eigenaar te neigen om haar zonder waarborg of onderpand te zenden, toonde Hij dat Hij is de God der geesten van alle vlees, en dat Hij het hart der mensen kan buigen.
c. Wij hebben hier een voorbeeld van rechtvaardigheid en eerlijkheid in het niet gebruiken der ezelin, al is het ook om er slechts een paar straten op te rijden, zonder de toestemming van den eigenaar. Naar sommiger lezing van de laatste zinsnede, zien wij er nog verder een regel der billijkheid in aangewezen: Gij zult zeggen: de Heere heeft ze van node, en Hij, (dat is de Heere) zal ze terstond terugzenden, en er zorg voor dragen dat zij den eigenaar veilig en wel teruggegeven zullen worden, zodra Hij er mede gereed is. Wat wij lenen moeten wij in goede orde en ter bestemder tijd teruggeven, want de goddeloze ontleent en geeft niet weer. Er moet voor geleend goed zorg worden gedragen, dat het niet wordt beschadigd. Ach, mijn heer! want het was geleend.
II. De voorzegging, die hierin vervuld werd, vers 4, 5. In alles wat onze Heere Jezus deed en leed, had Hij hier het oog op: opdat de Schriften zouden vervuld worden. Gelijk de profeten uitzagen naar Hem, -hebben zij ook allen van Hem getuigd-en zo heeft Hij op hen gezien, opdat alles wat van den Messias geschreven was, nauwkeurig in Hem vervuld zou worden. Dit inzonderheid was van Hem geschreven in Zacheria 9:9, als inleiding van een grote voorzegging van het koninkrijk van den Messias: Zegt der dochter Zions: Zie, uw Koning komt. Nu hebben wij er hier op te letten:
1. Hoe de komst van Christus voorzegd is: Zegt der dochter Zions, de kerk, den heiligen berg. Zie, uw Koning komt tot u. Jezus Christus is de Koning der kerk, een uit onze broederen, aan ons gelijk, overeenkomstig de wet des koninkrijks, Deuteronomium 17:15. Hij is gesteld tot Koning over de kerk, Psalm 2:6. Hij is door de kerk als Koning aangenomen, de dochter Zions zweert Hem hulde en trouw, Hosea 1:11. Christus, de Koning Zijner kerk, kwam tot Zijne kerk, in deze lagere wereld, Hij kwam tot u, om over u te heersen, om in u te heersen, om voor u te heersen, Hij is een Hoofd boven alle dingen in de gemeente, Efeze 1:22. Hij kwam tot Zion, opdat uit Zion de wet zou uitgaan, want de kerk en hare belangen waren voor den Verlosser alles in alles. Er was aan de kerk tevoren kennis gegeven van de komst haars Konings: Zegt der dochter Zions. Christus wil, dat naar Zijne komst zal worden uitgezien, dat zij verwacht zal worden. Zegt der dochter Zions, opdat zij uitga en den Koning Salomo aanschouwe, Hooglied 3:11. De aankondiging van Christus' komst wordt gemeenlijk ingeleid met een "Ziet!" Een woord om de aandacht gaande te maken en bewondering op te wekken. Ziet, uw Koning komt, ziet, en verwondert u over Hem, ziet, en heet Hem welkom! Hier is een wezenlijk bewonderenswaardige koningstocht. Pilatus heeft, evenals Kajafas, niet geweten wat hij zei, toen hij dat woord sprak: Ziet uw Koning, Johannes 19:14.
2. Hoe Zijne komst wordt beschreven. Als een koning komt, verwacht men iets groots en heerlijks, inzonderheid als hij komt om zijn koninkrijk in bezit te nemen. De Koning, die Heere der heirscharen, werd gezien, zittende op een hogen en verheven troon, Jesaja 6:1, maar hier zien wij niets hiervan, Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op ene ezelin. Als Christus in Zijne heerlijkheid wilde verschijnen, dan is het in zachtmoedigheid, niet in majesteit. Zijn aard is zeer zacht. Hij komt niet in toorn, om wrake te doen, maar in genade, om verlossing te werken. Hij is zachtmoedig om den grootsten smaad en de zwaarste mishandeling te verduren, om Zions wil, zachtmoedig om de dwaasheden en onbarmhartigheid te verdragen van Zions eigen kinderen. Hij is toegankelijk en verbiddelijk. Hij is zachtmoedig, niet slechts als leraar, maar als heerser, Hij heerst door liefde. Zijne heerschappij is zacht en vriendelijk, en Zijne wetten zijn niet geschreven in het bloed Zijner onderdanen, maar in Zijn eigen bloed. Zijn juk is zacht. Als blijk hiervan is Zijne verschijning, Zijne wijze van optreden, zeer gering, zittende op ene ezelin, een dier, niet geschapen voor staatsie of praal, maar om lasten te dragen, langzaam in hare bewegingen, maar veilig en standvastig. De voorzegging hiervan, zo lang tevoren, en de zorg om de voorzegging nauwkeurig in vervulling te bren gen, duiden aan, dat er een bijzondere betekenis in ligt opgesloten ter aanmoediging van arme zielen, om zich tot Christus te wenden. Zions Koning komt aangereden, niet op een steigerend paard, dat de bedeesde smekeling niet zou durven naderen, of op een galopperend paard, dat de bidder op zwakke en langzaam voortschrijdende voeten niet zou kunnen bijhouden, maar op een kalme, rustige ezelin, opdat ook de armsten Zijner onderdanen niet afgeschrikt zouden worden om tot Hem te naderen. Er wordt in de profetie ook melding gemaakt van een veulen, een jong der ezelinnen, en daarom zond Christus om de ezelin met het veulen, opdat de Schrift zou vervuld worden.
III. De intocht zelf, die in overeenstemming was met de toebereiding, beide geheel ontbloot van wereldse pracht, en toch beide vergezeld van geestelijke macht. Men lette hier op: 1. Zijne toerusting. De discipelen heengegaan zijnde, en gedaan hebbende gelijk Jezus hun bevolen had, vers 6. Zij gingen de ezelin en het veulen halen, niet twijfelende ze te zullen vinden, en te bevinden dat de eigenaar bereid was ze ter leen af te staan. Christus' bevelen moeten niet betwist, maar gehoorzaamd worden, en zij, die ze in oprechtheid gehoorzamen, zullen niet beschaamd of teleurgesteld uitkomen. Zij brachten de ezelin en het veulen. Het geringe en verachtelijke van het dier, waarop Christus reed, zou vergoed hebben kunnen worden door het kostbare en sierlijke van de optuiging, maar ook deze was als al het overige, zoals Hij het vond. Er was niet eens een zadel voor de ezelin, maar de discipelen wierpen sommigen van hun kledingstukken er op, en bij gebrek aan beter, moest het hiermede gedaan worden. Wij behoren niet al te kieskeurig te zijn, niet al te zeer er op gesteld te wezen, dat alles wat tot ons gemak moet dienen, zo uiterst goed verzorgd is In deze dingen betaamt ons een heilige onverschilligheid, waaruit blijkt, dat wij er ons hart niet op hebben gezet, en dat wij den regel des apostels hebben geleerd: Romeinen 12:16, tevreden te zijn met geringe dingen. Voor reizigers kan alles dienen, en er is schoonheid gelegen in een zekere soort van onverschilligheid, een edele veronachtzaming. Evenwel, de discipelen voorzagen Hem van het beste wat zij hadden, zij hadden er niet tegen om hun klederen te bederven in den dienst huns Heeren. Wij moeten de klederen, die wij aanhebben, niet te kostbaar achten, om ze op te geven voor den dienst van Christus, om er Zijn arme beproefde leden mede te bekleden. Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed, Hoofdstuk 25:36. Christus heeft zich voor ons ontbloot.
2. Zijn gevolg, waarin niets statigs of prachtigs was te ontdekken. Zions Koning komt tot Zion, en der dochter Zions was Zijne komst sedert lang aangezegd, toch wordt Hij niet door de edelen of groten des lands vergezeld, geen overheidspersonen gaan Hem tegemoet, zoals men dit van hen had kunnen verwachten. De sleutelen der stad hadden Hem behoren aangeboden te worden, en met alle mogelijke staatsie en geriefelijkheid had men Hem naar de stoelen des gerichts, de stoelen van het huis van David moeten leiden. Niets van dat alles geschiedt. Toch heeft Hij Zijn gevolg, een grote schare. Zij behoorden slechts tot het gemene volk, het grauw, met welke benaming wij die schare allicht bestempeld zouden hebben, deze heeft aan de plechtigheid van Christus' triomf luister bijgezet, maar niemand anders. De overpriesters en de ouderlingen hebben zich wel later bij de schare gevoegd, die Christus beledigde aan het kruis, maar niemand van hen wordt gevonden onder de schare, die Hem eerde. Gij ziet uwe roeping, broeders, niet vele machtigen, niet vele edelen vergezellen Christus, maar het dwaze der wereld, en het zwakke der wereld, en het verachte der wereld, 1 Corinthiërs 1:26, 28. Christus wordt geëerd door de schare, de menigte, meer dan door de pracht Zijner volgers, want Hij schat de mensen naar hun zielen, niet naar hun aanzien of wijdse eretitels. Betreffende deze grote schare wordt ons hier gezegd:
a. Wat zij deden, overeenkomstig hun besten wil en vermogen, zij beijver- den zich om Christus te eren. Zij spreidden hun klederen op den weg, opdat Hij er over heen zou rijden. Toen Jehu tot koning werd uitgeroepen, hebben de krijgsoversten hun klederen onder hem gelegd, ten teken dat zij zich aan hem onderwierpen. Zij, die Christus als hun Koning aannemen, moeten alles wat zij hebben onder Zijne voeten leggen, de klederen, ten teken van het hart, want als Christus komt, maar niet als iemand anders komt, dan moet tot de ziel worden gezegd: Buig u neer, opdat Hij over u ga. Sommigen denken, dat deze klederen niet op den grond werden gespreid, maar op de heggen en muren, om den weg te versieren, zoals wanneer een optocht opgeluisterd wordt door tapijten over balkons te hangen. Dit was slechts een armelijk vertoon van staatsie, maar Christus nam hun goeden wil aan voor de daad, en hierin wordt ons geleerd om er naar te streven Christus welkom te heten, Christus en Zijne genade, Christus en Zijn Evangelie in ons hart en in ons huis. Hoe zullen wij onzen eerbied voor Christus uitdrukken? Welke eer zal Hem aangedaan worden? Anderen hieuwen takken van de bomen, en spreidden ze op den weg, gelijk zij plachten te doen bij het Loofhuttenfeest, ten teken van vrijheid, overwinning en vreugde, want van de verborgenheid van dit feest wordt gesproken, als inzonderheid behorende tot de Evangelietijden, Zacheria 14:16.
b. Wat zij zeiden: die voorgingen en die volgden stemden met elkaar in, zowel degenen, die zijne komst aankondigden, als zij, die Hem vergezelden met hun gejuich, riepen, zeggende: Hosanna den Zone David's, vers 9. Bij het ronddragen van takken op het Loofhuttenfeest, waren zij gewoon Hosanna te roepen, vandaar dat zij hun bundels van takken Hosanna's noemden. Hosanna betekent: Och Heere! geef nu heil, verwijzende naar Psalm 118:25, 26, in welken psalm van den Messias geprofeteerd wordt als den steen, die tot een hoofd des hoeks is geworden, hoewel de bouwlieden hem verworpen hadden, en al Zijn trouwe onderdanen triomferen met Hem, en vergezellen Hem met de oprechte en hartelijke wensen voor den voorspoed Zijner onderneming.
Hosanna den Zone David's: Dit doen wij ter ere van den Zone David's. De Hosanna's, die Christus vergezelden, wijzen op twee dingen. Hun welkom heten aan Zijn koninkrijk. Hosanna is van gelijke betekenis als Gezegend is Hij, die komt in den naam des Heeren! Betreffende dezen Zone David's was voorzegd, dat alle heidenen Hem welgelukzalig zullen roemen, Psalm 72:17. Dezen hier begonnen hiermede, en alle ware gelovigen van alle eeuwen stemmen er mede in, en noemen Hem welgelukzalig, het is de echte taal des geloofs. Jezus Christus komt in den naam des Heeren, Hij is geheiligd, en in de wereld gezonden als Middelaar. Dezen heeft God de Vader verzegeld. De komst van Christus in den naam des Heeren is alle aanneming waardig, en wij allen behoren te zeggen: Gezegend is Hij, die komt, Hem te loven en een welbehagen in Hem te hebben. Laat van Zijne komst in den naam des Heeren gesproken worden met innige, sterke liefde, ter onzer vertroosting, en met blij gejuich ter Zijner eer en verheerlijking. Wèl mogen wij zeggen: Gezegend is Hij, want het is in Hem, dat wij gezegend zijn. Wèl mogen wij Hem volgen met onze zegenspraak, die ons tegenkomt met de Zijne. Hun goede wensen voor Zijn koninkrijk, aangeduid in hun Hosanna, vuriglijk begerende, dat voorspoed en zegen het mogen kenmerken, en dat het een overwinnend koninkrijk zijn zal. Geef nu voorspoed voor het koninkrijk. Indien zij dit verstonden van een tijdelijk koninkrijk, en daarop hun hart hebben gesteld, dan was dat een vergissing, die na korten tijd hersteld zal worden, evenwel hun goede wil was den Heere welbehaaglijk, en werd door Hem aangenomen. Het is onze plicht den voorspoed en het welslagen van Christus' koninkrijk in deze wereld ernstiglijk te begeren en er vuriglijk om te bidden. Aldus zal men geduriglijk voor Hem bidden, Psalm 72:15, dat Zijne belangen in deze wereld voorspoed mogen hebben, en dat Hij, hoewel rijdende op een ezelin, voorspoediglijk moge rijden, vanwege deze zachtmoedigheid, Psalm 45:5. Dit bedoelen wij als wij bidden: Uw koninkrijk kome. Zij voegen er bij: Hosanna in de hoogste. Laat voorspoed in de hoogste mate Hem vergezellen, laat Hem een naam hebben boven allen naam, een troon boven elke troon, of wel: Laat ons Hem prijzen op de beste wijze, met verheven liefde en genegenheid, of: Laat onze gebeden voor Zijne kerk opklimmen ten hemel, tot de hoogste hemelen, en van daar vrede en heil voor Hem brengen, Psalm 20:7. De Heere behoudt Zijn Gezalfde, Hij zal hem verhoren uit den hemel Zijner heiligheid.
3. Zijn onthaal in Jeruzalem, vers 19. Als Hij te Jeruzalem inkwam, werd de gehele stad beroerd. Ieder merkte Hem op. Sommigen werden beroerd door het nieuwe der zaak, anderen door spot om het geringe en onaanzienlijke er van. Sommigen wellicht door vreugde, die wachtten op de vertroosting Israël's, anderen, van de soort der Farizeeën, door nijd en toorn. Zo verschillend zijn de bewegingen en roerselen van het hart der mensen bij de nadering van Christus' koninkrijk. Van deze beroering wordt ons voorts meegedeeld
a. Wat de burgers zeiden: Wie is deze? Zij schijnen onwetend geweest te zijn betreffende Christus. Hoewel Hij de heerlijkheid was van het volk Israël, heeft Israël Hem toch niet gekend. Hoewel Hij zich had onderscheiden door de vele wonderen onder hen gewrocht, hebben de dochters van Jeruzalem Hem toch niet onderscheiden van een anderen liefste, Hooglied 5:9. De Heilige dus onbekend in de heilige stad! In plaatsen, waar het helderste licht schijnt en de Godsdienst het meest beleden wordt, is meer onwetendheid dan wij denken. Toch waren zij nieuwsgierig naar Hem. Wie is deze, die zo hemelhoog wordt geprezen, en zo zeer de aandacht trekt? Wie is deze Koning der ere, die toegang verlangt in ons hart? Psalm 24:8, Jesaja 63:1.
b. Wat de schare antwoordde: Deze is Jezus, vers 11. De schare was beter met Christus bekend dan de aanzienlijken. De stem des volks is soms de stem Gods. In het bericht, dat zij van Hem gaven, hadden zij gelijk met Hem den profeet, den groten profeet, te noemen. Totnutoe was Hij bekend als een profeet, lerende en wonderen werkende, nu vergezellen zij Hem als een koning. Van de drie ambten van Christus was Zijn priesterlijk ambt het laatst ontdekt. Toch vergisten zij zich ook, daar zij zeiden dat Hij van Nazareth was, en dit droeg bij om sommigen in hun vooroordeel tegen Hem te stijven. Sommigen zijn bereid van Christus te getuigen en willen Hem gaarne eren, maar zij zijn in dwaling omtrent Hem, en van die dwaling zouden zij wel spoedig terugkomen, indien zij zich de moeite gaven om beter te onderzoeken.