Mattheus 28:16-20
Deze evangelist gaat stilzwijgend verscheidene andere verschijningen van Christus voorbij, die door Lukas en Johannes worden meegedeeld, en haast zich tot deze, die de plechtigste van allen was, als beloofd en meermalen voor Zijn dood en na Zijne opstanding voorzegd. Merk op:
I. Hoe de discipelen zich voor die verschijning naar de gegeven aanwijzing gedroegen, vers 16. Zij zijn heengegaan naar Galilea, een lange reis om slechts een enkele maal Christus te zien, maar dit was die reis wel waardig. Zij hadden Hem verscheidene malen te Jeruzalem gezien, en toch gingen zij naar Galilea om Hem ook daar nog te zien.
1. Omdat Hij het alzo bepaald had. Hoewel het nodeloos scheen om naar Galilea te gaan ten einde Hem te zien, dien zij te Jeruzalem konden zien, en zij ook weer spoedig naar Jeruzalem terug moeten keren voor Zijn hemelvaart, hadden zij toch nu geleerd Christus' bevelen te gehoorzamen zonder tegenwerpingen te maken. Zij, die gemeenschap met Christus willen onderhouden, moeten tot Hem gaan waar Hij hen verwacht. Zij, die Hem ontmoet hebben in het gebruik van het ene genademiddel, moeten Hem wederom ontmoeten in het gebruik van een ander genademiddel, zij, die Hem te Jeruzalem hebben gezien, moeten ook naar Galilea gaan.
2. Omdat dit een openbare en algemene samenkomst was. Zij hadden zelven Hem gezien en met Hem gesproken, maar dit verontschuldigde hen niet van tegenwoordig te zijn in een plechtige vergadering, waar velen samen zouden komen om Hem te zien. Onze gemeenschapsoefening met God in de binnenkamer moet ons het bijwonen der openbare Godsverering niet doen verzuimen, als wij daar de gelegenheid toe hebben, want God bemint de poorten van Zion, en dat moeten ook wij. De plaats der samenkomst was een berg in Galilea, waarschijnlijk dezelfde berg, waarop Hij van gedaante werd veranderd. Dáár kwamen zij bijeen, ter wille der afzondering, en wellicht ook om den staat van verhoging aan te duiden, waartoe Hij was ingegaan en Zijn naderen tot de wereld hierboven.
II. Hoe zij door Jezus' verschijning werden aangedaan, vers 17. Nu was het de tijd, dat Hij van meer dan vijfhonderd broederen op eenmaal gezien is, 1 Corinthiërs 15:6. Sommigen denken, dat zij Hem eerst op een afstand gezien hebben, boven in de lucht ephthê epanoo -Hij werd gezien boven, van vijf honderd broederen (aldus lezen zij) hetgeen aanleiding gaf aan sommigen tot twijfel, totdat Hij naderbij kwam, vers 18, en toen waren zij voldaan. Er wordt ons gezegd:
1. Dat zij Hem aanbaden. Velen van hen deden dit, ja zij schijnen het allen gedaan te hebben: zij bewezen Hem Goddelijke eer, te kennen gegeven door een uitwendige uitdrukking van aanbidding. Allen, die den Heere Jezus zien met het oog des geloofs, moeten Hem aanbidden.
2. Maar sommigen twijfelden, sommigen van hen, die daar tegenwoordig waren. Zelfs onder hen, die aanbidden, zijn er sommigen, die twijfelen. Het geloof van hen, die oprecht zijn, kan toch nog zwak en wankelend wezen. Zij twijfelden-edistasan, zij waren in onzekerheid, werden nog heen en weer bewogen als de schalen van een balans, als het moeilijk te zeggen is naar welken kant de evenaar zal overhellen. Deze twijfelingen werden later weggenomen, en hun geloof nam toe tot volle verzekerdheid, en het strekte grotelijks tot eer van Christus, dat de discipelen twijfelden voordat zij geloofden, zodat men niet van hen zeggen kan dat zij lichtgelovig waren, gans bereid om bedrogen te worden, want zij hebben eerst gevraagd, in twijfel getrokken, en alle dingen onderzocht, voordat zij behielden hetgeen waar was, en dat zij bevonden waar te zijn.
III. Wat Jezus Christus tot hen zei, vers 18-20. Jezus, bij hen komende, sprak tot hen. Hoewel er daar geweest zijn, die twijfelden, toch heeft Hij hen daarom niet verworpen, want het gekrookte riet zal Hij niet verbreken. Hij bleet niet op een afstand, maar kwam bij hen, en gaf hun zulke overtuigende blijken van Zijne opstanding, dat de weifelende schaal naar den goeden kant overhelde, en hun geloof de overwinning behaalde op hun twijfel. Hij is bij hen gekomen, en heeft gemeenzaam met hen gesproken, zoals een vriend spreekt tot zijn vriend, opdat zij ten volle genoegen zouden nemen met den last, dien Hij hun ging opdragen. Hij, die tot God naderde om tot Hem te spreken voor ons, nadert tot ons om tot ons te spreken van Hem. Christus gaf thans aan Zijne apostelen de grote oorkonde van Zijn koninkrijk in de wereld, zond hen uit als zijne gezanten en overhandigde hun hier hun geloofsbrieven. Ten opzichte van deze grote oorkonde hebben wij te letten op twee dingen:
1. De opdracht, die onze Heere Jezus zelf van den Vader heeft ontvangen. Hij gaat Zijne apostelen machtigen, en zo iemand nu vraagt, door wat macht Hij dit doet en wie Hem deze macht heeft gegeven, dan zegt Hij ons hier: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde, een zeer groot woord, dat door niemand gezegd kan worden dan door Hem. Hiermede geeft Hij Zijn algemene heerschappij te kennen als Middelaar, welke de grote grondslag is van den Christelijken Godsdienst. Hij heeft alle macht. Merk op
a. van waar Hij deze macht heeft. Hij heeft haar niet op zich genomen, of er zich wederrechtelijk meester van gemaakt, zij was Hem gegeven, Hij had er wettig recht op, en was er mede bekleed door een schenking van Hem, die de bron en oorsprong is van alle zijn, en bijgevolg van alle macht. God heeft Hem gezalfd als Koning, Psalm 2:6, Hem op den troon geplaatst, Lukas 1:42. Als God evengelijk met den Vader, was alle macht oorspronkelijk en wezenlijk Zijne, maar als Middelaar, als Godmens, is Hem alle macht gegeven, deels als beloning voor Zijn werk (omdat Hij zich vernederd heeft, heeft God Hem verhoogd), en deels tengevolge en ter bevordering van Zijn doel of voornemen. Die macht is Hem gegeven over alle vlees, opdat Hij aan allen, die Hem gegeven zijn, het eeuwige leven zou geven, Johannes 17:2, en om aldus onze zaligheid krachtdadiglijk te volmaken. Met die macht is Hij na Zijne opstanding op nog schitterender wijze bekleed geworden. Tevoren heeft Hij macht gehad, macht om de zonden te vergeven, Hoofdstuk 9:9, maar nu is Hem alle macht gegeven. Thans gaat Hij voor zich zelven een koninkrijk ontvangen, Lukas 19:12, gaat Hij zich nederzetten aan Gods rechterhand, Psalm 110:
1. Het verkregen hebbende, blijft er voor Hem nu niets te doen over dan er bezit van te nemen, het is Zijne tot in eeuwigheid.
b. Waar Hij deze macht heeft: in hemel en op aarde, hetgeen het heelal omvat. Christus is de enige algemene monarch, Hij is Heere van allen, Handelingen 10:36. Hij heeft alle macht in den hemel. Hij heeft macht van heerschappij over de engelen, zij zijn allen Zijn nederige dienstknechten Efeziërs 1:20, 21. Hij heeft macht van voorspraak bij Zijn Vader, uit kracht van Zijne verzoening en genoegdoening. Hij treedt tussenbeide, niet als smekeling maar als eiser: Vader, Ik wil. Hij heeft ook alle macht op aarde, door het zoenoffer overmocht hebbende bij God, overmag Hij ook bij de mensen, en handelt met hen als machthebbende door den dienst der verzoening. In alle zaken en over alle personen is Hij in werkelijkheid de opperbestuurder en regeerder. Door Hem regeren de koningen. Alle zielen zijn Zijne, voor Hem moet alle hart en alle knie gebogen worden, en moet alle tong Hem belijden de Heere te zijn. Dit zegt onze Heere Jezus hun, niet slechts om hen te overtuigen van de macht, die Hij had om hun deze opdracht te geven en hen uit te zenden ter volvoering van die opdracht, maar ook om de ergernis van het kruis weg te nemen. Zij hadden gene reden om zich Christus gekruisigd te schamen, nu zij Hem aldus verheerlijkt zagen.
2. Den last, dien Hij gaf aan hen, die Hij uitzond, Gaat dan henen. Die last wordt gegeven:
a. Aan de apostelen in de eerste plaats, de eerste, de voornaamste staatsministers in Christus' koninkrijk, de bouwmeesters, die het fondament der kerk hebben gelegd. Nu zijn zij, die Christus gevolgd zijn in de wedergeboorte, op tronen gezet, Lukas 22:30. Gaat henen. Het is niet slechts een woord van bevel, zoals: Zoon, ga heen en werk, maar een woord van bemoediging: Gaat henen, en vreest niet, heb Ik u niet gezonden? Gaat henen, en maakt uw levenswerk van dezen arbeid. Zij moeten geen hogen staat gaan voeren, de volken niet oproepen om voor hen te verschijnen, maar zij moeten heengaan en hun het Evangelie brengen. Gaat henen. Totnutoe hebben zij zo gehecht aan Christus' lichamelijke tegenwoordigheid, gevoelden er zich van afhankelijk, vonden daar al hun blijdschap en hoop in, maar nu ontslaat Christus hen van hun tegenwoordig-zijn met Hem, en zendt hen uit op ander werk. Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen zweeft om ze tot vliegen op te wekken, Deuteronomium 32:11, zo wekt Christus Zijne discipelen op, om zich te verspreiden over de wereld.
b. Die opdracht wordt ook gegeven aan hun opvolgers, de predikers van het Evangelie, wier werk het is om het Evangelie over te leveren van eeuw tot eeuw tot aan de einden der aarde in den tijd, zoals het hun werk was om het over te leveren van volk tot volk tot aan de einden der aarde in plaats, en niet minder noodzakelijk. De Oud-Testamentische belofte van een Evangeliebediening is gegeven aan ene opvolging, Jesaja 59:21, en dit moet alzo verstaan worden, hoe anders zou Christus met hen kunnen wezen tot de voleinding der wereld? Bij zijne hemelvaart heeft Christus niet slechts apostelen en profeten gegeven, maar ook herders en leraars, Efeze 4:11. Merk nu op:
I. Hoe ver deze opdracht zich uitstrekt, tot alle volken. Gaat henen en onderwijst alle volken. Niet dat zij allen tezamen aan alle plaatsen moeten gaan, maar met onderling overleg en goedvinden moeten zij zich verspreiden op zulk ene wijze, als het meest bevorderlijk is aan de verbreiding van het licht des Evangelies. Nu wordt hierdoor duidelijk te kennen gegeven dat het de wil van Christus is: ten eerste, dat het verbond hetwelk God in het bijzonder met de Joden had gemaakt, nu geëindigd en teniet gedaan is. Dit woord heeft den middelmuur des afscheidsels verbroken, die zolang de heidenen buitengesloten hield van een zichtbaren kerkstaat, en terwijl het aan de apostelen bij hun eerste uitzending verboden was om op den weg der heidenen te gaan, werden zij nu uitgezonden tot alle volken. Ten tweede. Dat de zaligheid door Christus aangeboden moet worden aan allen, en niemand buitengesloten moet worden dan die zich zelven door hun ongeloof en onboetvaardigheid buitensluiten. De zaligheid, die zij hebben te prediken, is algemeen, die wil, kome en doe zijn voordeel met, make gebruik van, de acte van kwijtschelding, want er is in Christus Jezus geen onderscheid tussen Jood en Griek. Ten derde. Dat het Christendom ineengestrengeld moet worden met de nationale instellingen, de koninkrijken der wereld Christus' koninkrijken moeten worden, en hun koningen de voedstervaders der kerk. II. Wat de hoofdbedoeling is van deze opdracht om alle volken te onderwijzen. Mattheusate -Laat hen toe als discipelen, doet het uiterste wat gij kunt om de volken tot Christenvolken te maken. Niet: Gaat henen tot de volken en kondigt het oordeel Gods over hen aan, zoals Jona bij de Ninevieten, en zoals de andere Oud- Testamentische profeten (hoewel zij wel redenen hadden dit te verwachten van wege hun goddeloosheid) maar, gaat henen, maakt hen tot discipelen. Christus, de Middelaar, richt een koninkrijk op in de wereld: brengt de volken toe om er onderdanen van te zijn, Hij richt ene school op, brengt de volken toe om er de leerlingen van te zijn, Hij richt een leger op om krijg te voeren tegen de machten der duisternis, werft de volken aan om dienst te nemen onder Zijne banier. Het werk, dat de apostelen te doen hadden, was den Christelijken Godsdienst op te richten aan alle plaatsen, en het was een zeer eervol werk, de daden van de helden der wereld waren, hierbij vergeleken, als niets. Zij hebben de volken ten onder gebracht uit eigenbelang, en maakten hen ongelukkig, de apostelen hebben hen overwonnen voor Christus, en maakten hen gelukkig.
III. De instructies, die zij ontvingen voor de uitvoering van hun opdracht.
Ten eerste. Zij moeten discipelen toelaten door de heilige plechtigheid van den doop.
Gaat henen tot alle volken, predikt hun het Evangelie, doet wonderen onder hen, beweegt hen zelven te komen en hun kinderen met zich te brengen, tot de kerk, en ontvangt hen dan, hen en de hunnen, in de kerk door den doop des waters, hetzij door onderdompeling in het water, of door water op hen te gieten of te sprenkelen, hetgeen het meest-gepaste schijnt te zijn, omdat de zaak op die wijze het meest wordt uitgedrukt, zoals in Jesaja 44:3, Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Titus 3:5, 6, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes, dewelke Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten, en Ezechiël 36:25, Ik zal rein water op u sprengen. En Jesaja 52:15, Alzo zal Hij vele heidenen besprengen, hetgeen ene profetie schijnt te wezen van deze opdracht om de volken te dopen.
Ten tweede. Deze doop moet toegediend worden in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Dat is:
1. Op gezag van den hemel en niet van de mensen, want Zijne dienstknechten handelen op gezag van de drie Personen der Goddelijke Drie-eenheid, die allen samenwerken, gelijk als voor onze schepping, alzo ook in onze verlossing. Zij hebben hun opdracht onder het grootzegel des hemels, hetgeen eer toevoegt aan deze inzetting, hoewel zij voor een vleselijk oog, evenmin als Hij die haar ingesteld heeft, gedaante noch heerlijkheid heeft.
2. Den naam aanroepende van Vader, Zoon en Heiligen Geest. Alle dingen worden geheiligd door gebed, en inzonderheid het water des doops. Het gebed des geloofs verkrijgt de tegenwoordigheid van God in de inzetting, die er de glans en schoonheid, het leven en de kracht van is. Maar:
3. Het is in den naam eis to onoma van Vader, Zoon en Heiligen Geest, dit was bedoeld als het kort begrip van de eerste beginselen van den Christelijken Godsdienst en van het nieuwe verbond, en dienovereenkomstig zijn de aloude geloofsbelijdenissen opgesteld. Door onzen doop belijden wij plechtig: a. Onze instemming met de openbaring der Schrift betreffende God, den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest. Wij belijden ons geloof dat er een God is, dat er slechts een God is, dat in de Godheid een Vader. is die genereert, een Zoon die gegenereerd is, en een Heilige Geest van beiden uitgaande. Wij zijn gedoopt, niet in de namen, maar in den naam van Vader, Zoon en Geest, hetgeen duidelijk te kennen geeft, dat deze drie een zijn, en hun naam een. De afzonderlijke vermelding van de drie Personen in de Drie-eenheid, hier in den Christelijken doop en in de Christelijke zegenspraak, 2 Corinthiërs 13:13, is een volledig bewijs van de leer der Drie-eenheid, en heeft er veel toe bijgedragen om haar zuiver en onverkort te bewaren door alle eeuwen van de kerk, want niets is groter en ontzagwekkender in de Christelijke bijeenkomsten dan deze twee.
b. Onze toestemming tot een verbondsbetrekking tot God, den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest. De doop is een sacrament, dat is een eed, hij is een eed van afzwering, waarmee wij de wereld en het vlees verloochenen als mededingers van God op den troon van ons hart, en een eed van trouw, waarmee wij ons zelven overgeven en toewijden aan God, om de Zijnen te wezen, ons zelven met lichaam, ziel en geest te laten leiden en regeren door Zijn wil en gelukkig te zijn in Zijne gunst. Daarom wordt de doop toegepast op den persoon, want het is de persoon, die Gode toegewijd wordt. Het is in den naam des Vaders, gelovende Hem te zijn de Vader van onzen Heere Jezus Christus (want dat is het, wat hier in de eerste plaats bedoeld wordt), door eeuwige generatie, en onze Vader, als onze Schepper, Bewaarder en Weldoener, aan wie wij ons daarom overgeven, als aan onzen Eigenaar en Opperheer, om ons te besturen en over ons te beschikken, als onzen Heerser om ons te regeren door Zijne wet, en als ons hoogste Goed. Het is in den naam des Zoons, des Heeren Jezus Christus, des Zoons van God, en evengelijk met den Vader. De doop is op bijzondere wijze toegediend in den naam des Heeren Jezus, Handelingen 8:16. In den doop zeggen wij met Petrus: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods, Hoofdstuk 16:16, en met Thomas: Mijn Heere en mijn God, Johannes 20:28. Wij nemen Christus aan om onze Profeet, Priester en Koning te zijn, en geven ons over om door Hem onderwezen, verlost en geregeerd te worden. Het is in den naam des Heiligen Geestes: gelovende in de Godheid van den Heiligen Geest en in Zijne werking om onze verlossing tot stand te brengen, geven wij ons over aan Zijne leiding en werking, als die ons heiligt, onderwijst, bestuurt en regeert.
Ten derde. Zij, die aldus gedoopt en onder de discipelen van Christus zijn aangenomen, moeten onderwezen worden, vers 19, lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb. Hiermede worden twee dingen aangeduid.
1. De plicht van discipelen, van alle gedoopte Christenen. Zij moeten onderhouden alles wat Christus geboden heeft, en om dit te kunnen, moeten zij zich onderwerpen aan het onderwijs van hen, die Hij zendt. Onze toelating tot de zichtbare kerk heeft nog iets anders ten doel, als Christus ons tot discipelen heeft gemaakt, dan heeft Hij nog niet afgedaan met ons. Hij werft krijgsknechten aan om hen op te leiden tot Zijn dienst. Allen die gedoopt zijn staan onder de verplichting
a. Om het gebod van Christus tot het richtsnoer huns levens te maken. Er is ene wet des geloofs, en wij worden gezegd onder de wet van Christus te zijn, door den doop zijn wij onder verplichting gekomen, en wij moeten gehoorzamen.
b. Wij moeten letten op hetgeen Christus geboden heeft. Voor de rechte gehoorzaamheid aan Christus' geboden wordt oplettendheid geëist, wij lopen gevaar van iets te zullen missen, indien wij niet goed acht geven, en in al onze gehoorzaamheid moeten wij het oog hebben op het gebod, en hetgeen wij doen moeten wij doen als den Heere.
c. Wij moeten alles onderhouden wat Hij geboden heeft, alles, zonder uitzondering, al de zedelijke plichten en al de inzettingen. Onze gehoorzaamheid aan de wetten van Christus is niet oprecht als zij niet algemeen is, wij moeten staan volmaakt en volkomen in al den wil van God.
d. Zich te bepalen tot de geboden van Christus, evenmin er iets van af te doen, als er iets aan toe te doen.
e. Hun plicht te leren overeenkomstig de wet van Christus van hen, die Hij tot leraren in Zijne school heeft aangesteld, want daartoe zijn wij in Zijne school gekomen.
2. De plicht van Christus' apostelen en dienaren, en deze is: de geboden van Christus te onderwijzen, ze aan Zijne discipelen te verklaren, hen te wijzen op de noodzakelijkheid der gehoorzaamheid, en hen te helpen om de algemene geboden van Christus toe te passen op bijzondere gevallen. Zij moeten hen leren, niet hun eigen bedenksels, maar de inzettingen van Christus, daaraan moeten zij nauwgezet vasthouden, en in de kennis daarvan moeten de Christenen worden opgevoed. Hiermede is een blijvende Evangeliedienst ingesteld in de kerk, tot opbouwing van het lichaam van Christus, totdat wij allen komen. tot een volkomen man, Efeze 4:11-13. Totdat de erfgenamen des hemels meerderjarig zijn moeten zij onder voogden en verzorgers zijn.
3. De verzekering, die Hij hun geeft van Zijn geestelijke tegenwoordigheid met hen bij de vervulling van hun opdracht, En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Deze grote en dierbare belofte wordt ingeleid met een "ziet', om hun geloof te versterken en hun opmerkzaamheid er voor gaande te maken. Let hier op, het is iets, waarvan gij zeker kunt zijn, waarop gij staat kunt maken. Merk op:
a. De gunst, hun beloofd. Ik ben met ulieden. Niet: Ik zal met ulieden zijn, maar Ik ben, ego eimi. Gelijk God Mozes gezonden heeft, zo zendt Christus Zijne apostelen met dezen naam Ik ben, want Hij is God, voor wie verleden, heden en toekomst een is. Openbaring 1:8. Hij stond nu op het punt van hen te verlaten, Zijn lichamelijke tegenwoordigheid zal hun nu ontnomen worden, en dit smartte hen, maar Hij verzekert hun van Zijn geestelijke tegenwoordigheid, die hun nodiger en nuttiger was dan Zijn lichamelijke tegenwoordigheid zijn kon. Ik ben met ulieden, dat is: Mijn Geest is met u, de Trooster zal bij u blijven, Johannes 16:7. Ik ben met u, niet tegen u, met u om u ter zijde te staan, Mij met u te versterken zoals dit van onzen vorst Michael gezegd wordt, Daniël 10:21. Ik ben met u, niet afwezig van u, niet op een afstand van u, een dadelijke hulp, Psalm 46:2. 1) Christus zond hen nu uit om Zijn koninkrijk in de wereld op te richten, hetgeen een grote onderneming was. En nu geeft Hij hun intijds de belofte Zijner tegenwoordigheid. Om hen door te helpen in de moeilijkheden, die zij op hun weg zullen ontmoeten. Ik ben met u om u te ondersteunen, uwe zaak te bepleiten, met u in al uw dienen en al uw lijden, om er u getroost en met ere doorheen te helpen. Als gij zult gaan door het vuur of door het water, zal Ik met u zijn. Op den kansel, in de gevangenis. Ziet Ik ben met u. Om deze grote onderneming te doen gelukken, Zie, Ik ben met u, om uw Evangeliedienst krachtdadig te doen zijn ter onderwijzing der volken, ter neder werping van de sterkten van Satan, en ter oprichting van vaster sterkten voor den Heere Jezus. Het was onwaarschijnlijk, dat zij nationale instellingen in den Godsdienst zouden omkeren, den stroom van langdurige gewoonten zouden kunnen keren, ene leer zouden kunnen instellen, die zo volkomen indruiste tegen den geest der eeuw, mensen zouden kunnen bewegen om discipelen te worden van een gekruisigden Jezus, maar Ziet, Ik ben met u, en daarom zult gij uw doel bereiken.
b. De voortduring der gunst, al de dagen, pasas tas hêmeras, alle dagen, elke dag.
Ik zal met u wezen op de sabbatdagen en de weekdagen, op schone dagen en op sombere dagen, op winterdagen en op zomerdagen. Er is geen dag, geen uur van den dag, waarop Jezus niet is met Zijne kerken en met Zijne dienstknechten, indien er zulk een dag, zulk een ure was, het ware met hen gedaan. Sedert Zijne opstanding was Hij hun nu en dan verschenen, eens in de week wellicht, en nog nauwelijks. Maar Hij verzekert hun, dat Zijn geestelijke tegenwoordigheid bij hen voortdurend en onafgebroken zal zijn. Waar wij ook zijn, het woord van Christus is nabij ons, het is in onzen mond, en de Geest van Christus is nabij ons, Hij is in ons hart. De God Israël's, de Heiland, is soms een God, die zich verborgen houdt, Jesaja 45:15, maar nooit een God, die zich verwijdert, Hij is soms in donkerheid, maar nooit op een afstand. Zij zullen die voortdurende tegenwoordigheid genieten tot de voleinding der wereld. Er is ene wereld voor ons, die nooit een einde zal hebben, maar deze tegenwoordige wereld spoedt zich naar haar einde, maar tot dan zal de Christelijke Godsdienst in het ene of andere deel der wereld in stand worden gehouden en Christus' tegenwoordigheid zal met Zijne dienstknechten blijven. Ik ben met ulieden tot aan de voleinding der wereld, niet met uwe personen, zij zijn spoedig gestorven, maar: Ten eerste, Met u en uwe geschriften. Er is een Goddelijke kracht, die de Schriften des Nieuwen Testaments vergezelt, ze niet slechts in wezen houdt, maar wonderlijke uitwerkselen er door teweegbrengt, die zullen voortduren tot aan het einde van de tijd. Ten tweede. Met u en uwe opvolgers, met u en met al de bedienaren van het Evangelie in de onderscheidene eeuwen der kerk, met allen, tot wie deze opdracht zich uitstrekt, met allen, die behoorlijk geroepen en gezonden zijn om aldus te dopen en te onderwijzen. Als het einde der wereld gekomen en het koninkrijk aan God den Vader is overgeleverd, dan zal er gene behoefte meer zijn aan leraren of aan hun onderwijs, maar tot dan zullen zij blijven, en aan de grote bedoeling der instelling zal worden beantwoord. Dit is een moedgevend woord voor alle getrouwe dienstknechten van Christus, wat tot de apostelen gezegd werd, werd tot hen allen gezegd: Ik zal u niet begeven en zal u niet verlaten. Twee malen wordt door onzen Heere Jezus een plechtig vaarwel gezegd aan Zijne kerk, en bij beide gelegenheden is Zijn afscheidswoord zeer bemoedigend. Het ene vaarwel was hier, toen Hij Zijn persoonlijken omgang met hen eindigde, en daarbij luidt Zijn afscheidswoord: Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen. Ik verlaat u, en toch ben Ik met u. Het andere was toen Hij den canon der Schrift afsloot door de pen van Zijn beminden discipel, en toen was Zijn afscheidswoord: Ja, Ik kom haastiglijk. Ik verlaat u voor een wijle, maar weldra zal Ik weer bij u zijn, Openbaring 22:30. Hieruit blijkt dat Hij niet in toorn is heengegaan, maar in liefde, en dat Hij wil dat wij onze gemeenschapsoefening met Hem zullen onderhouden, en dat wij Hem ook blijven verwachten. Er blijft nog een woord overig, dat niet voorbijgezien moet worden, en dat is het woord Amen, dat geen nul is, slechts bestemd om tot slotwoord te dienen, zoals finis aan het einde van een boek, maar het heeft zijne betekenis.
1. Het duidt Christus' bevestiging aan van deze belofte: Ziet, Ik ben met ulieden. Het is Zijn Amen, in wie al de beloften ja en amen zijn. Voorwaar Ik ben, en zal met ulieden zijn, Ik, de Amen, de getrouwe Getuige, geef er u de verzekering van. Of: 2. Het duidt de instemming der kerk er mede aan in hare begeerte, haar gebed en hare verwachting. Het is het Amen van den evangelist, Amen, zo zij het, gezegende Heere. Ons Amen op Christus' beloften verkeert ze in gebeden. Heeft Christus beloofd met Zijne dienstknechten te zijn, tegenwoordig te zijn in Zijn woord, in de bijeenkomsten Zijns volks, ofschoon er slechts twee of drie in Zijn naam zijn vergaderd, en dat wel al de dagen, tot aan de voleinding der wereld? Zo laat ons van harte Amen daarop zeggen, geloven dat het zo zijn zal, en bidden dat het zo zijn moge. Heere, Gedenk des woords, tot Uwe knechten gesproken, op hetwelk Gij ons hebt doen hopen.