Mattheus 26:26-30
Wij hebben hier de instelling van het Avondmaal des Heeren, en hebben te letten op:
I. Den tijd, wanneer het werd ingesteld-als zij aten, aan het einde van den paasmaaltijd, eer de tafel werd afgenomen, zoals bij een offermaaltijd, waarvoor het in de plaats moest komen. Christus is ons Paasoffer, waardoor verzoening is aangebracht, 1 Corinthiërs 5:7.
Ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. Deze inzetting is voor ons de paasmaaltijd, door welken toepassing geschiedt en gedachtenis gevierd wordt van een veel grotere verlossing dan die van Israël uit Egypte. Al de zoenoffers der wet zijn begrepen in den dood van Christus, en dus afgeschaft, al de feesten ter verheuging onder de wet zijn begrepen in dit sacrament, en dus opgeheven.
II. De inzetting zelf. Een sacrament moet ingesteld worden, het is geen deel van een zedelijke Godsverering, het wordt ook niet door het licht der natuur voorgeschreven, maar zijn wezen en betekenis ontvangt het van zijne instelling, van een Goddelijke instelling. Het is het kroonrecht van Hem, die het verbond heeft opgericht, om er de zegels van aan te wijzen. Vandaar dat de apostel, 1 Corinthiërs 11:23 en verder. in zijn rede betreffende deze inzetting, Jezus Christus steeds den Heere noemt, omdat Hij als Heere, Heere van het verbond, Heere der kerk, deze inzetting gegeven heeft, waarin:
1. Het lichaam van Christus voorgesteld wordt door brood. Tevoren had Hij gezegd, Johannes 6:35. Ik ben het brood des levens, op welke overdrachtelijke uitdrukking dit sacrament gegrond is. Gelijk het leven des lichaams onderhouden wordt door brood, hetwelk dus voor alle voedsel des lichaams genomen wordt, Hoofdstuk 4:4, 6:11, zo wordt het leven der ziel onderhouden door Christus' Middelaarswerk. Hij nam het brood, ton arton, brood, dat daar gereed voor de hand lag, geschikt tot het doel. Waarschijnlijk was het ongezuurd brood, daar dit echter niet bijzonder vermeld wordt, als iets van groot aanbelang, zijn wij hieraan niet gebonden zoals sommigen van de Griekse kerk er zich door gebonden achten. Dat nemen van het brood was een plechtige daad, en geschiedde waarschijnlijk op zulk een wijze, dat het de opmerkzaamheid trok van hen, die mede aanzaten, zodat zij verwachtten, dat er iets meer dan gewoons mede gedaan moest worden. Aldus was de Heere Jezus in den raad der Goddelijke liefde afgezonderd, om onze verlossing te werken.
Hij zegende het, zonderde het af tot dit gebruik door gebed en dankzegging. Wij bevinden niet, dat Hij bij deze gelegenheid een bepaald formulier van woorden gebruikt heeft, maar wat Hij zei was ongetwijfeld passend voor deze handeling, voor het Nieuwe Testament, dat door deze inzetting verzegeld en bekrachtigd werd. Het was als Gods zegenen van den zevenden dag, Genesis 2:3, waardoor hij afgezonderd en geheiligd werd tot Zijne eer en verheerlijking, en voor allen, die hem behoorlijk waarnemen, tot een gezegenden dag werd gemaakt. Christus kon den zegen gebieden, en in Zijn naam hebben wij vrijmoedigheid om den zegen te vragen. Hij brak het, hetgeen te kennen geeft:
a. Het breken van Christus' lichaam voor ons, om geschikt te zijn voor ons gebruik, Hij is om onze ongerechtigheid verbrijzeld, zoals het broodkoren verbrijzeld wordt, hoewel geen been van Hem verbroken was (want al dat verbrijzelen heeft Hem niet verzwakt) was toch Zijn vlees gebroken met breuk op breuk, en waren Zijne wonden vermenigvuldigd, Job 9:17, 16:14, en dat smartte Hem. God klaagt, dat Hij verbroken is door het hoerachtig hart der zondaren, Ezechiël 6:9. Zijne wet is verbroken, ons verbond met Hem is verbroken, en nu eist de gerechtigheid breuk voor breuk, Leviticus 24:20, en Christus werd verbroken om aan dien eis te voldoen.
b. Het verbreken van Christus' lichaam voor ons, zoals de vader van het gezin het brood breekt voor de kinderen. Het verbreken van Christus voor ons is om de toepassing te vergemakkelijken. Alle dingen zijn voor ons gereed gemaakt door de schenking van Gods woord en de werkingen Zijner genade.
Hij gaf het den discipelen, als Heer des huizes en van dit feestmaal. Er wordt niet gezegd: Hij gaf het den apostelen, hoewel zij dit waren, en tevoren meermalen aldus genoemd werden, maar den discipelen, omdat alle discipelen van Christus recht hebben op deze inzetting, en diegenen zullen er het nut en voordeel van hebben, die waarlijk Zijne discipelen zijn, maar Hij gaf het hun, zoals Hij hun de vermenigvuldigde broden gegeven heeft, opdat zij het aan al Zijn andere volgelingen zullen geven. Hij zei: Neemt eet, dat is Mijn lichaam, vers 26. Hier zegt Hij hun:
a. Wat zij er mede doen moeten: Neemt, eet, neemt Christus aan, zoals Hij u wordt aangeboden, ontvangt de verzoening, gebruikt haar, stemt er mede in, houdt u aan de voorwaarden, waarop het nut en voordeel er van u wordt aangeboden, onderwerpt u aan Zijne genade en Zijn bestuur. In Christus te geloven wordt uitgedrukt door Hem aan te nemen, Johannes 1:12, en Hem te eten, Johannes 6:57, 58. De spijze aan te zien, of een nog zo goed toebereiden schotel, zal ons niet voeden, de spijze moet genuttigd worden, en zo is het ook met de leer van Christus.
b. Wat zij daarmee zouden hebben: Dit is Mijn lichaam, niet outos -dit brood, maar touto -dit eten en drinken. Het geloof brengt al de kracht der uitwerking van Christus' dood tot onze ziel. Dit is Mijn lichaam, geestelijk en sacramenteel, dit betekent en stelt voor Mijn lichaam. Hij gebruikt sacramentele taal, zoals die in Exodus 12:11.
Het is des Heeren Pascha. Op een vleselijke, zeer verkeerd begrepen betekenis van deze woorden grondt de kerk van Rome de gedrochtelijke leerstelling der transsubstantiatie, waardoor het brood veranderd wordt in de zelfstandigheid van het lichaam van Christus, zodat alleen de toevallige of bijkomstige eigenschappen van brood overblijven, hetgeen ene ontering is van Christus, den aard van het sacrament tenietdoet, en onze zinnen logenstraft. Wij genieten van de zon, niet door dat het lichaam der zon in geheel zijn omvang ons in handen gegeven is, maar omdat hare stralen op ons neerkomen, en zo genieten wij Christus door te genieten van Zijne genade, en van de gezegende vruchten van het verbroken worden Zijns lichaams.
2. Het bloed van Christus wordt voorgesteld door den wijn. Om een volkomen feestmaal te hebben, is hier niet slechts brood om te ver sterken, maar wijn om het hart te verheugen, vers 27, 28. Hij nam den drinkbeker, den beker der dankzegging, die gereed stond om gedronken te worden na de dankzegging, overeenkomstig de gewoonte der Joden bij de viering van het pascha. Dezen drinkbeker nam Christus, en maakte hem tot sacramentsbeker, waardoor de eigenschap er dus van veranderd werd. Hij was bedoeld als een beker der zegening -zo noemden hem de Joden-en daarom maakt Paulus opzettelijk onderscheid tussen den beker der zegening, dien wij zegenen, en dien, welken zij zegenen. Hij dankte, om ons te leren dat wij niet slechts in iedere inzetting, maar ook in ieder deel der inzetting, het oog op God moeten hebben. Dezen beker gaf Hij Zijnen discipelen. Met een gebod: Drinkt allen daaruit. Aldus verwelkomt Hij Zijne gasten aan Zijne tafel, en verplicht hen om allen van Zijn beker te drinken. Waarom heeft Hij zo uitdrukkelijk geboden, dat allen daaruit drinken moesten, en toe te zien dat niemand hem van zich voorbij laat gaan? En waarom dringt Hij hierop meer aan, dan Hij bij het andere gedeelte der inzetting deed? Het was ongetwijfeld, omdat Hij voorzag, dat in latere eeuwen deze inzetting verminkt zou worden door de onthouding van den beker aan de leken, en dat wel niettegenstaande het gebod. Met ene verklaring of uitlegging, Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments. Daarom drinkt hem met lust, met genot, omdat hij zo kostelijk en hartsterkend is. Totnutoe is het bloed van Christus voorgesteld door het bloed van dieren, wezenlijk bloed, maar nadat dit in werkelijkheid vergoten was, werd het voorgesteld door druivebloed, bloed in overdrachtelijken zin, aldus wordt in een Oud Testamentische profetie omtrent Christus wijn genoemd, Genesis 49:10, 11. Let nu op hetgeen Christus zegt van Zijn bloed, voorgesteld in het sacrament.
Het is Mijn bloed des Nieuwen Testaments Het Oude Testament werd bevestigd door het bloed van stieren en bokken, Hebreeën 9:19, 20, Exodus 24:8, maar het Nieuwe Testament met het bloed van Christus, dat hier van dit andere bloed wordt onderscheiden: Het is Mijn bloed des Nieuwen Testaments. Het verbond, dat God met ons maken wil, en al de zegeningen en voorrechten er van, zijn wij verschuldigd aan de verdiensten van Christus' dood.
Het wordt vergoten, het werd niet vergoten voor den volgenden dag, maar het stond nu vergoten te worden, dus het was zo goed als reeds geschied. Eer gij er aan toe zijt om deze inzetting wederom te vieren, zal het vergoten zijn. Hij was nu gereed om geofferd te worden en Zijn bloed uit te storten, gelijk het bloed der offerdieren om verzoening te doen.
Het wordt voor velen vergoten. Christus is gekomen om velen het verbond te versterken, Daniël 9:27, en het doel van Zijn dood kwam hiermede overeen. Het bloed des Ouden Testaments werd vergoten voor weinigen. Het bevestigde een verbond, dat (zegt Mozes) de Heere met ulieden gemaakt heeft, Exodus 24:8. De verzoening werd alleen gedaan voor de kinderen Israël's, Leviticus 16:34, maar Jezus Christus is ene verzoening voor de zonde der gehele wereld, 1 Johannes 2:2. Het wordt vergoten tot vergeving der zonden, dat is: om voor ons vergeving der zonden te kopen, te verkrijgen. In welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, Efeze 1:7. Het nieuwe verbond, dat verkregen en bekrachtigd werd door het bloed van Christus, is ene handvest der vergeving, een acte van kwijtschelding, om verzoening tot stand te brengen tussen God en den mens, want de zonde was het enige, dat den twist heeft teweeggebracht, en zonder bloedstorting geschiedt gene vergeving, Hebreeën 9:22. De vergeving der zonde is de grote zegen, die in het Avondmaal des Heeren aan alle ware gelovigen verleend wordt. Zij is de grond voor alle andere zegeningen en de bron van eeuwige vertroosting, Hoofdstuk 9:2. Aan de vrucht des wijnstoks wordt thans vaarwel gezegd, vers 29. Christus en Zijne discipelen waren thans aan een feestmaal, waarbij zij veel vertroosting smaakten, zowel uit het Oude als het Nieuwe verbond-de twee waren thans aaneengeschakeld. Hoe lieflijk waren deze tenten! Hoe goed was het om daar te zijn! Nooit was er een hemel op aarde als aan deze tafel, maar dit mocht niet lang duren. Thans zei Hij hun, Johannes 16:16, dat het nog een kleinen tijd was, en zij Hem niet zien zouden, en wederom een kleinen tijd, en zij zouden Hem zien, hetgeen hiervan ene verklaring is. Ten eerste. Hij neemt afscheid van deze gemeenschapsoefening. Ik zal van nu aan niet drinken van deze vrucht des wijnstoks, dat is: nu Ik niet meer in de wereld ben, Johannes 17:11. Ik heb er genoeg van gehad, namelijk van de wereld, en Ik verheug Mij haar te verlaten, Ik ben blijde te denken, dat dit Mijn laatste maaltijd is. Vaarwel aan deze vrucht des wijnstoks, dezen pascha drinkbeker, dezen sacramentelen wijn. Stervende heiligen nemen getroost afscheid van de sacramenten en de andere inzettingen van gemeenschapsoefening, waarvan zij genieten in deze wereld, want de vreugde en de heerlijkheid, waar zij nu ingaan, overtreffen ze allen. Als de zon opgaat, is er geen kaarslicht nodig.
Ten tweede. Hij verzekert hun een gelukkig wederzien. Het is een lang maar geen eeuwig vaarwel, tot op dien dag, wanneer Ik met u dezelve nieuw zal drinken.
1. Sommigen verstaan dit van de samenkomsten, die Hij met de discipelen had na Zijne opstanding, die de eerste stap was tot Zijne verhoging in het koninkrijk Zijns Vaders, en hoewel Hij gedurende deze veertig dagen niet zulk een gestadigen omgang met hen had als tevoren, heeft Hij toch met hen gegeten en gedronken, Handelingen 10:41. hetgeen hen bevestigde in hun geloof en hun hart vertroostte, want zij waren er vol van blijdschap over, Lukas 24:41.
2. Anderen verstaan het van de genietingen en de heerlijkheid van den toekomenden staat, die het deel der heiligen zullen zijn in eeuwige gemeenschap met den Heere Jezus, hier voorgesteld door de geneugten van een maaltijd des wijns. Dat zal dan zijn in het koninkrijk Zijns Vaders, want Hem zal dan het koninkrijk overgegeven zijn. De wijn der vertroosting, Jeremia 16:7, zal dáár altijd nieuw wezen, nooit verschaald of zuur zoals wijn, die lang bewaard werd, nooit walglijk of onaangenaam, zoals wijn is voor hen, die er veel van gedronken hebben. Christus zelf zal delen in die geneugten, het was de vreugde, die Hem voorgesteld was, waarop Hij het oog had, en waarin al Zijn getrouwe vrienden en volgelingen zullen delen.
Eindelijk. Wij hebben hier het besluiten van de plechtigheid met een lofzang, vers 30. Zij zongen den lofzang, of psalm, hetzij de psalmen, die de Joden gewoonlijk aan het einde van den Paasmaaltijd zongen, en die zij het grote hallel noemen, dat is Psalm 113 en de vijf daarop volgende, of een nieuwen lofzang, die meer paste bij de gelegenheid, is onzeker. Ik denk veeleer dat het het grote hallel was, want indien het een nieuwe lofzang geweest ware, zou Johannes niet nagelaten hebben dit te vermelden. Het zingen van psalmen is ene Evangelie inzetting. Dat Christus het zingen van den psalm van het einde van den paasmaaltijd tot het einde van des Heeren Avondmaal heeft verschoven, geeft duidelijk te kennen, dat Hij die inzetting in Zijne kerk wilde doen voortduren, zodat zij haar oorsprong niet hebbende in de wet, ook niet met de wet eindigen zou. Het is zeer gepast na het Avondmaal des Heeren, als uitdrukking van onze blijdschap in God door Jezus Christus, en een dankbare erkenning van de grote liefde, waarmee God ons in Hem heeft liefgehad. Het is niet ontijdig, neen, niet ontijdig in tijden van droefheid en lijden, de discipelen waren in droefheid, en Christus ging in tot Zijn lijden, en toch hebben zij tezamen een lofzang kunnen zingen. Onze geestelijke vreugde moet niet gestoord worden door uitwendige beproevingen. Toen dit gedaan was, gingen zij uit naar den Olijfberg. Hij wilde niet in het huis blijven om er gevangen genomen te worden, ten einde den heer des huizes niet in moeilijkheden te brengen, ook wilde Hij niet in de stad blijven, ten einde geen tumult of oproer te verwekken, maar Hij trok zich terug op het land in de nabijheid, naar den Olijfberg, dezelfden berg, dien David in zijn ongeluk beklom opgaande en wenende, 2 Samuël 15:30. Zij hadden maanlicht voor deze wandeling, want het Pascha werd altijd gevierd als het volle maan was. Als wij het Avondmaal des Heeren gebruikt hebben, dan is het ons goed ons af te zonderen tot gebed en overdenking, en alleen te wezen met God.