Mattheus 26:6-13
In dit deel van het verhaal hebben wij:
I. De bijzondere vriendelijkheid van een Godvruchtige vrouw jegens den Heere Jezus door Zijn hoofd te zalven, vers 6, 7. Het was in Bethanië, een dorp dicht bij Jeruzalem, en in het huis van Simon den melaatse. Waarschijnlijk was hij een dergenen, die op wonderdadige wijze door onzen Heere Jezus van zijne melaatsheid was gereinigd, en wilde hij zijne dankbaarheid aan Christus betonen door Hem te gast te nodigen. Christus heeft het ook niet versmaad om met hem te spreken, in zijn huis te komen en aan zijn avondmaaltijd deel te nemen. Hoewel hij gereinigd was, werd hij toch nog Simon de melaatse genoemd. Zij, die schuldig zijn aan ergerlijke zonden, zullen bevinden dat, hoewel de zonde vergeven is, de smaad hen zal blijven aankleven, en dat hij nauwelijks afgewassen kan worden. De vrouw, die dit deed, wordt verondersteld Maria te zijn geweest, de zuster van Martha en Lazarus, die Maria Magdalena werd genoemd. Zij had ene fles met zeer kostelijke zalf, die ze uitgoot op het hoofd van Christus, toen Hij aan tafel zat. Onder ons zou dit een vreemdsoortige hulde of beleefdheidsbetoon wezen, maar toen werd dit beschouwd als het hoogste blijk van eerbied, want de reuk was zeer aangenaam en de zalf verfrissend voor het hoofd. David's hoofd werd ook gezalfd, Psalm 23:5, Lukas 7:46. Nu kan dit ook beschouwd worden:
1. Als ene daad van geloof in onzen Heere Jezus, den Christus, den Messias, den Gezalfde. Om aan te duiden, dat zij in Hem geloofde als den Gezalfde Gods, dien Hij tot Koning gesteld had, zalfde zij Hem, en maakte Hem tot haren Koning. Zij zullen zich een enig Hoofd stellen, Hosea 1:11. Dit is den Zoon te kussen.
2. Als ene daad van liefde en eerbied voor Hem. Sommigen denken, dat zij het was, die eerst veel heeft liefgehad, en Christus' voeten gewassen heeft met hare tranen, Lukas 7:38, 47, en dat zij haar eerste liefde niet heeft verlaten, maar de liefdevolle toewijding betoonde ener oude en ervaren Christin, hoewel zij het leven ener Christin nog pas was begonnen. Als er ware liefde in het hart is voor Jezus Christus, dan wordt er niets te goed voor Hem geacht, ja niets is dan in onze schatting goed genoeg voor Hem.
II. De ergernis der discipelen hierover. Zij namen dit zeer kwalijk, vers 8, 9. Het ergerde hen, deze zalf aldus gebruikt te zien, want zij dachten dat er een beter gebruik van gemaakt had kunnen worden.
1. Zie hoe zij hun ergernis uitdrukken.
Waartoe dit verlies? zeiden zij. Hieruit blijkt:
a. Gebrek aan welwillende zachtheid jegens deze Godvruchtige vrouw, daar zij haar overmatige vriendelijkheid-gesteld al dat zij dit was- voor verkwisting hielden. De liefde leert ons de beste uitlegging te geven van alles, waar dit slechts mogelijk van is, inzonderheid van de woorden en daden van hen, die in het goede ijveren, al denken wij dan ook, dat zij niet gans en al zo voorzichtig en verstandig zijn, als zij behoorden te wezen. Het is waar, er kan ene overmaat wezen in goed doen, maar daaruit moeten wij leren zelven voorzichtig te zijn, teneinde in gene uitersten te vervallen, maar niet vitziek te zijn voor anderen, want hetgeen wij aan gebrek aan voorzichtigheid toeschrijven, kan wel door God als ene daad van overvloedige liefde aangemerkt en aangenomen worden. Wij moeten niet zeggen: Zij, die meer voor den Godsdienst doen dan wij, doen te veel, laat ons liever trachten evenveel te doen als zij doen.
b. Gebrek aan eerbied voor hun Meester. De beste uitlegging, die wij er aan geven kunnen, is dat zij wisten, dat hun Meester volstrekt dood was voor alle genoegens der zinnen, Hij, die zo bekommerd was over de verbreking Jozefs, was er niet op gesteld om met de voortreffelijkste olie gezalfd te worden, Amos 6:6. Daarom dachten zij, dat zulk een genot slecht besteed was aan iemand, die daar zo weinig genot in vond. Maar gesteld eens dat dit zo was, dan betaamde het hun toch niet om het verlies te noemen, toen zij bespeurden, dat Hij die zalving toeliet en haar aannam als een blijk van vriendelijkheid en liefde. Wij moeten er ons wèl voor wachten, om iets verlies te noemen, dat hetzij door ons zelven of door anderen, aan den Heere Jezus geschonken wordt. Wij moeten het geen verloren tijd achten, die doorgebracht werd in den dienst van Christus, of dat geld verkwist, dat besteed werd aan een werk der Godsvrucht, want, hoewel het op het water schijnt geworpen om met den stroom afgevoerd te worden, zullen wij het toch met winst na vele dagen weder vinden, Prediker 11:1.
2. Zie hoe zij hun ergernis trachten te rechtvaardigen: Deze zalf had kunnen duur verkocht, en de penningen den armen gegeven worden. Het is niets nieuws, dat aan slechte gemoedsbewegingen een schonen glimp wordt gegeven, en dat men werken der Godsvrucht van zich afschuift onder voorwendsel van werken van barmhartigheid te moeten doen.
III. Christus' bestraffing van Zijne discipelen wegens de ergernis, die zij aan deze Godvruchtige vrouw hadden genomen, vers 10, 11. Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? Het is voor Godvruchtige mensen een groot verdriet, als hun goede werken gelaakt en verkeerd uitgelegd worden, en het is iets, dat de Heere Jezus zeer kwalijk neemt. Hij nam het hier op voor een oprechte, ijverige, welmenende vrouw, tegen al Zijne discipelen, hoewel zij zozeer gelijk schenen te hebben. Zo van harte omhelst Hij de zaak van de verachte kleinen, Hoofdstuk 18:10. Let op de reden, die Hij er voor geeft: De armen hebt gij altijd met u. Er zijn sommige gelegenheden om goed te doen en goed te ontvangen, die blijvend zijn, en die wij ook voortdurend moeten gebruiken. Bijbels hebben wij altijd. Sabbatten hebben wij altijd, en zo hebben wij ook de armen altijd met ons. Zij, die een hart hebben om goed te doen, behoeven nooit te klagen dat zij er gene gelegenheid toe hebben. De arme heeft nooit opgehouden. zelfs niet uit het land van Israël, Deuteronomium 15:11. Wij kunnen niet anders dan er altijd enigen van zien in deze wereld, die de hulp onzer liefdadigheid inroepen, en als het ware Gods ontvangers zijn, arme leden van Christus, aan wie Hij vriendelijkheid wil bewezen hebben gelijk als aan Hem zelven. 2. Er zijn andere gelegenheden om goed te doen en goed te ontvangen, die slechts zelden voorkomen, kort en onzeker zijn, en meer bijzonder zorg en naarstigheid vereisen om er gebruik van te maken, en die men moet laten voorgaan voor de anderen. Mij hebt gij niet altijd, gebruikt Mij dus zolang gij Mij hebt. Christus' voortdurende lichamelijke tegenwoordigheid kon in deze wereld niet worden verwacht, het was nuttig dat Hij zou weggaan. Zijn werkelijke tegenwoordigheid in het Avondmaal is een ongegrond en dwaas verzinsel, in tegenspraak met hetgeen Hij hier zegt: Mij hebt gij niet altijd. Soms moeten bijzondere werken van Godsvrucht en toewijding de plaats innemen van gewone werken van barmhartigheid. De armen moeten Christus niet beroven, wij moeten goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs. IV. Christus' goedkeuring en lof van de vriendelijkheid dezer vrouw. Hoe meer er op Zijne dienstknechten en hun diensten door de mensen gevit wordt, hoe meer Hij toont er een welbehagen in te hebben. Hij noemt het een goed werk, vers 10, en zegt meer tot lof er van, dan men zich zou kunnen voorstellen, inzonderheid:
1. Dat het een mystieke betekenis heeft, vers 12, Zij heeft het gedaan tot ene voorbereiding van Mijne begrafenis. Sommigen denken dat dit er ook hare bedoeling mede was, omdat de vrouwen Christus' veelvuldige voorzeggingen van Zijn dood en Zijn lijden beter hebben begrepen dan de apostelen, waarvoor zij beloond werden met de eer van de eerste getuigen te zijn Zijner opstanding. Hoe dit zij, Christus heeft er die verklaring aan gegeven, en Hij geeft altijd gaarne de beste uitlegging aan de goed bedoelde woorden en daden Zijns volks. Dit was, als het ware, de balseming van Zijn lichaam, want Zijne opstanding belette om dit te doen na Zijn dood, daarom geschiedde het voor Zijn sterven, want het was voegzaam en gepast, dat het op een of anderen tijd geschieden zou, om aan te tonen, dat Hij nog de Messias was, zelfs toen het scheen alsof de dood over Hem had gezegevierd. De discipelen dachten, dat de zalf verspild was, welke was uitgestort op zijn hoofd. Maar, zegt Hij, indien zoveel zalf uitgestort werd op een dood lichaam, overeenkomstig het gebruik van uw land, dan zoudt gij daar geen bezwaren tegen hebben, of het als verspild beschouwen. Nu is dit hier werkelijk het geval, het lichaam, dat zij zalft, is zo goed als dood, en hare vriendelijkheid komt tijdig en gepast voor dat doel, in plaats dus van het een verlies te noemen, beschouwt het in die betekenis, stelt het op rekening daarvan.
2. Dat de gedachtenis hieraan eervol zal zijn, vers 13. Er zal tot hare gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft, Deze daad van geloof en liefde was zo merkwaardig, dat de predikers van den gekruisigden Christus en de door den Heiligen Geest gedreven schrijvers van de geschiedenis van Zijn lijden die handeling wel moesten opmerken en vermelden, en er de gedachtenis van vereeuwigen. En eens opgenomen in deze gedenkschriften, was het als met een ijzeren griffel en lood voor eeuwig in een rots gehouwen, en kon bij gene mogelijkheid worden vergeten. Geen bazuin van den roem klinkt zo luid en zo lang als het eeuwig Evangelie. De geschiedenis van den dood van Christus, hoewel tragisch, is toch Evangelie, een blijde boodschap, omdat Hij voor ons is gestorven. Het Evangelie moest gepredikt worden in de gehele wereld, niet slechts in Judea, maar onder alle volken, aan alle schepselen. Laat de discipelen het opmerken ter hunner bemoediging, dat hun geklank zal uitgaan tot aan de einden der aarde. Hoewel de eer van Christus in de eerste en voornaamste plaats bedoeld is in het Evangelie, wordt toch de eer Zijner heiligen en dienstknechten niet gans en al voorbijgezien. De gedachtenis dezer vrouw moest bewaard blijven, niet door haar ene kerk te wijden, of jaarlijks ter harer eer een feest te vieren, of een stukje van haar gebroken fles te bewaren als een heilige relikwie, maar door in de prediking van het Evangelie haar geloof en hare Godsvrucht te vermelden anderen ter navolging. Hebreeën 6:12. Dit strekt ook tot eer van Christus, die, in deze wereld zowel als in de toekomende wereld, verheerlijkt zal worden in Zijne heiligen, en wonderbaar in allen die geloven.