1. Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God 1) (
2 Corinthiërs 1:1.
Colossenzen 1:1.
2 Timotheus 1:1, aan de heiligen (
Romeinen 1:7;
15:26.
1 Corinthiërs 1:2.
2 Corinthiërs 1:1, die te Efeze zijn, (vgl. het slotwoord) en gelovigen is Christus Jezus 2) (
Vers 15.
Galaten 3:26).
1) Het is voor de apostel van zeer groot belang, dat hij door degenen, die de brief ontvangen, dadelijk beschouwd wordt niet als een, die uit eigen volmacht met hen spreekt, maar als een, wiens opdracht van God zelf komt. Waar zijn apostolisch gezag nog werd in twijfel getrokken, zoals in de gemeenten van Galatië, daar verzekerde hij nog in het bijzonder, dat hij dit niet van mensen en door een mens had ontvangen (Galaten 1:1). Gewoonlijk voegt hij er het predikaat bij "geroepen" tot "apostel" (Romeinen 1:1. 1 Corinthiërs 1:1 en wel op grond van zijn roeping onmiddellijk door de Heere zelf op de weg naar Damascus. Op onze plaats heeft hij de kortste uitdrukking gekozen, want te Efeze was er niemand, die zijn apostolisch aanzien verkleinde. Ook had zijn vroeger persoonlijk oponthoud in deze stad, dat een geruime tijd duurde (Handelingen 19), de gemeente overtuigd van het gezag van zijn goddelijke roeping.
Een dienaar van Christus moet door de wil van God als leraar van het Evangelie zijn aangesteld; men moet dus niet zelf tot deze dienst lopen (vgl. Hebreeën 5:4).
2) De apostel gebruikt die beide uitdrukkingen niet in die zin, alsof hij de medeleden van de gemeente te Efeze in verschillende afdelingen wilde splitsen, waarvan de heilige een lagere, de gelovigen een hogere stand vormden. Hij wil alleen de twee hoofdzijden voor ogen stellen, die de staat van de Christen doen zien, diens levensbestemming (heilig) en de richting van zijn hart Was eens de staat als Christen naar zijn objectieve kant als een heilige voorgesteld, zo was tot volledige voorstelling ook nog nodig, dat de objectieve kant werd gemeld en dan stelt hij de Efeziërs voor als gelovigen, in zoverre hij veronderstelt dat zij met hun innerlijke rechten van hart en geweten zich gekeerd hebben tot de genade van God in Christus hun aangeboden en hun volle vertrouwen daarop hebben gesteld.
In de eerste plaats heten zij heilige, in de tweede gelovigen, want het is Gods zaak ons tot heilige en tot Zijn eigendom te maken, onze zaak te geloven, door de gave van God.
Heiligen zijn wij volgens hetgeen wij aan Christus hebben, gelovigen naar dat Christus aan ons heeft.
De heilige zegt: ik ben van God! De gelovige zegt: God is de van mij! 2. Genade zij u en vrede van God, onze Vader en de Heere Jezus Christus (vgl. Galaten 1:3).
a) 1 Petrus 1:2.
In dit tweevoudige en toch ene woord, hebben wij weer wat van God uitgaat en wat in ons moet worden gewerkt. De eerste grond van de heiliging is de genade van de Eeuwige, de tegenkomende, de voorkomende genade. Het einddoel van alle geloofsvertrouwen is de volle vrede of de gehele zaligheid.
Alle brieven van de apostel hebben deze zegenwens, die als met opleggen van de handen deze beide goederen en dus deze som van alle hemelse goederen de heilige en gelovigen op het hoofd en in het hart legt. Waar de genade door het geloof wordt omhelsd, daar schept zij vrede (Romeinen 5:1) en evenals nu de genade een bron is, die niet uitdrogen kan, eveneens is de vrede een beek, die voortdurend vloeit.
B. Meteen begint het eerste dogmatische deel van de brief, zoals men het gewoonlijk, hoewel niet op volkomen juiste manier noemt. Het onderwerp ervan is de heerlijkheid van de kerk van Christus en wel van die kerk, zoals zij in die tijd, waarin Paulus schrijft, van haar eerste begin gedurende een dertigtal jaren zich heeft ontwikkeld, en in het bijzonder de heidenen in zich heeft opgenomen, terwijl de Joden zich meestal afkerig, ja vijandig tegen haar hebben gedragen. Er wordt echter geen wetenschappelijke uiteenzetting of dialectische ontwikkeling door de apostel gegeven, maar hij spreekt hier de gedachten, die hij in zijn biddende ziel heeft gekoesterd, met ontroering uit. Daarom treedt de gedachte niet eerst gaandeweg te voorschijn, maar dadelijk in al haar volheid op en de taal heeft moeite om die te omvatten, zij worstelt in een stroom van woorden en in elkaar vloeiende zinnen, terwijl de voorstelling haar te boven gaat.
II. Vers 1-23. Het plan of bestek van de kerk en haar wezen. De gehele afdeling heeft om zo te zeggen een liturgisch of psalmgewijs karakter en is als een verheven loflied op de buitengewone rijkdom van de genade van God in Christus en de hoog verheven staat van Zijn gemeente. Het strekt zich uit over de raad en het werk van de zaligheid in de ruimste omvang. Hij breidt de volheid van Zijn inhoud uit in een verband, dat door gedachten, die steeds opnieuw bij de reeds ontwikkelde ideeën komen een uitbreiding verkrijgt, zoals het onafgebroken voortgaande en lid aan lid zich hechtende nergens elders, ook niet bij onze apostel, voorkomt. Wat nu Paulus in deze uitstorting van zijn hart aan de lezers hun ten opzichte van het eerste deel van zijn thema doel gevoelen, is dit: God heeft ons een eeuwig raadsbesluit omwille van Zijn geliefde Zoon waardig geacht en heeft ons in Hem tot Zijn kinderen verkoren, die heilig door het bloed van Christus en onstraffelijk voor Hem staan in de liefde. Hij heeft ons in overgrote mate de rijkdom van Zijn genade laten ondervinden door mededeling van allerlei wijsheid en kennis en ons het geheim van Zijn welbehagen geopenbaard, dat alle tijden omgeeft. Dat welbehagen heeft Hij dan ook in Christus in de volheid van de tijd verwezenlijkt en dit loopt nu uit op niets minder, dan op de vereniging van de vroeger zo ver van elkaar gescheiden delen, namelijk van hetgeen in de hemel en van hetgeen op aarde is, maar hier ook van de uitverkorene Joden en de aan zichzelf overgelaten heidenen (Vers 3-14). Ook ten opzichte van hen, aan wie hij schrijft, heeft Paulus gehoord van het geloof in de Heere Jezus, dat bij hen aanwezig is en van hun liefde tot alle heilige. Daarom wordt aan de vorige lof van God, die in de eerste plaats in het algemeen de kerk aangaat, nu een dankzegging gevoegd voor de lezers in het bijzonder en een voorbede voor hen, dat de God van Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid, de gave van de hun verleende Heilige Geest tot steeds dieper inzicht in de hoop van de roeping, die hun ten deel is geworden en in een rijkdom van de verleende heerlijke erfenis, alsmede in de buitengewone grootheid van de kracht er van, voor hen moge vermeerderen. Deze zou hen met dezelfde energie van Zijn grote sterkte het doel tegemoet voeren, waarmee Hij Christus van de dood heeft opgewekt en op de troon van Zijn majesteit verre boven alle engelen-machten en al het overige in de tegenwoordige en toekomende wereld verhoogd heeft. Hen heeft Hij tevens tot verwezenlijking van het ideaal van de mensheid, tot de volmaakte Heerser over alles hier op aarde gemaakt en heeft Hem nu als zodanig een van de gemeente tot haar Hoofd gegeven. Zij moet zichzelf nu beschouwen als Zijn lichaam, ja als Zijn volheid d. i. als de vervulling van Hem, die alles in allen vervult (Vers 15-23).
EPISTEL OP DE DAG VAN St. THOMAS, Vers 3-6). (Vgl. Johannes 20:24).