1 Petrus 1:1-2
In dit opschrift hebben wij drie delen.
I. De schrijver van den brief, genoemd:
1. Bij zijn naam: Petrus. Zijn eerste naam was Simon, en Jezus Christus gaf hem den toenaam Petrus, dat is: Rots, als een beschrijving van zijn geloof, en om te kennen te geven dat hij een uitnemende pilaar in de gemeente Gods zou zijn, Galaten 2:9.
2. Bij zijne bediening: een apostel van Jezus Christus. Het woord betekent: een gezant, een legaat, een boodschapper, iemand die in Christus' naam en tot Zijn werk gezonden is, maar meer bepaald betekent het de hoogste bediening in de Christelijke kerk. God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste apostelen, 1 Corinthiërs 12:28. Hun waardigheid en voorrang lag hierin. Zij waren onmiddellijk door Christus zelf gekozen, zij waren eerst getuigen en daarna verkondigers van de opstanding van Christus en daardoor van de gehele bedeling des Evangelies, hun gaven waren uitnemend en buitengewoon, zij hadden de macht om wonderen te doen, niet altijd, maar wanneer het Christus behaagde, zij werden geleid in al de waarheid, waren toegerust met den geest der profetie, en zij hadden een uitgebreidheid van macht en rechtsspraak boven alle anderen, iedere apostel was algemene opziener in al de gemeenten en over al de dienaren. Op deze nederige wijze:
A. Bevestigt Petrus zijn eigen karakter als apostel. Leer hieruit dat men wettiglijk erkennen mag en soms gehouden is te bevestigen, de gaven en de genade door God geschonken. Voorwenden wat wij niet zijn is huichelarij, ontkennen wat wij hebben, is ondankbaarheid.
B. Hij vermeldt zijn apostolische bediening als zijn machtiging en roeping om dezen brief aan de gemeente te schrijven. Het betaamt allen, maar vooral dienaren, om wel op te letten welke machtiging en roeping van God tot Zijn werk zij hebben. Dat rechtvaardigt hen tegenover anderen en geeft hun inwendig draagkracht en troost onder alle gevaren en ontmoedigingen.
II. De personen, aan wie de brief gericht is, dezen worden beschreven naar:
1. Hun uitwendigen toestand: De vreemdelingen, verstrooid in Pontus, Galatië, Cappadocië, Azië en Bithynië. De meesten hunner waren Joden en wellicht afstammelingen van de Joden, die naar Babel gevoerd waren, maar vandaar naar de steden van Klein-Azië overgebracht op bevel van Antiochus, den koning van Syrië, ongeveer tweehonderd jaren voor Christus. Het is zeer waarschijnlijk, dat de apostel onder hen verkeerd had en zij door hem bekeerd waren, aangezien hij de apostel der besnijdenis was, en dat hij hun daarna dezen brief schreef uit Babylon, waar in dien tijd een menigte Joden woonden. Hun omstandigheden waren toen arm en bedroevend.
A. De beste van Gods dienaren kunnen, door de hardheid der tijden en door Goddelijke beschikking, verstrooid worden en gedwongen om hun vaderland te verlaten. Zij, welken de wereld niet waardig is, worden meermalen genoodzaakt in de bergen, in de holen en spelonken der aarde te dwalen. B. Wij moeten vooral achting hebben voor de verstrooide, vervolgde dienstknechten Gods. Zij waren de voorwerpen van des apostels bijzondere zorg en medelijden. Wij behoren onze achting te bepalen naar de voortreffelijkheid en de behoefte der heiligen.
C. De godvrezenden moeten niet gewaardeerd worden naar hun uitwendigen toestand. Hier was een groep van uitnemende mensen, door God bemind, en toch vreemdelingen, verspreid over en arm naar de wereld, het oog van God was op hen in hun verstrooiing, en de apostel was teder zorgzaam om hun te schrijven tot hun bestuur en vertroosting.
2. Zij worden beschreven naar hun geestelijken toestand. De uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader. Men kan uitverkoren worden tot ene bediening, zo was Saul de man, dien God uitverkoren had om koning over Israël te zijn, 1 Samuël 10:24, en onze Heere zegt tot Zijne apostelen: Heb Ik niet u twaalf uitverkoren? Johannes 6:70. Men kan uitverkoren worden tot een kerkstaat, om bijzondere voorrechten te genieten, op die wij ze was Israël Gods uitverkorene, Deuteronomium 7:6 :Gij zijt een heilig volk den Heere uwen God, u heeft de Heere uw God verkoren, dat gij Hem een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op den aardbodem zijn. Ook kan men uitverkoren zijn tot de eeuwige zaligheid: God heeft u van den beginne verkoren tot zaligheid, door heiligmaking des Geestes en het geloof in de waarheid. Van de laatste uitverkiezing wordt hier gesproken, van Gods genadig besluit om sommigen te redden en hen, in Christus, door de verordende middelen tot het eeuwige leven te brengen..
a. Deze uitverkiezing wordt gezegd te zijn naar de voorkennis van God. Voorkennis kan hier in tweeërlei betekenis opgevat worden.
Ten eerste als louter voorwetenschap, voorzien, vooruit verstaan, dat zo iets en zo iets zal gebeuren. Zo weet de sterrenkundige vooruit nauwkeurig wanneer een zonsverduistering zal plaatsgrijpen. Die soort van voorkennis is in God, die naar Zijn welbehagen alle dingen ziet die er waren, er zijn of er zullen zijn. Maar zulk een voorwetenschap is niet de oorzaak, waarom een ding zo en niet anders is, ofschoon het eens zeker zo wezen zal, gelijk de sterrenkundige, die de verduistering van tevoren ziet, daarom nog niet die verduistering veroorzaakt.
Ten tweede. Voorkennis kan betekenen: raad, vaststelling en goedkeuring. Hij dan door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgeleverd zijnde, Handelingen 2:23. De dood van Christus was niet alleen voorzien, maar voor-verordineerd (zie vers 20). Zo moet het hier opgevat worden, verkoren naar den raad, voorbeschikking en vrije genade Gods.
b. Hier wordt bijgevoegd: naar de voorkennis van God den Vader. De Vader is de eerste Persoon in de gezegende Drie-eenheid. Er bestaat rang tussen die drie Personen, ofschoon geen meerderheid. Zij zijn elkaar gelijk in macht en heerlijkheid, en er is volmaakte overeenstemming ten aanzien van hun werken. Zo wordt in de zaak van des mensen verzoening, de verkiezing voornamelijk toegeschreven aan God den Vader, de verzoening aan den Zoon, de heiligmaking aan den Heiligen Geest, ofschoon in elk van deze handelingen de ene Persoon niet zo uitsluitend bezig is, dat daardoor de beide andere er niet in betrokken zijn. Hierdoor worden de Personen der Drie- eenheid ons duidelijker ontdekt en wordt ons geleerd wat wij meer bepaald aan ieder hunner verplicht zijn. B. Zij werden verkoren in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus. Het einde en laatste resultaat van de verkiezing is eeuwig leven en zaligheid, maar alvorens die kunnen voltooid zijn, moet iedere uitverkorene geheiligd worden door den Geest en gerechtvaardigd door het bloed van Jezus. Gods besluit voor de zaligmaking der mensen werkt altijd door heiligmaking des Geestes en besprenging met het bloed van Jezus. Door heiligmaking moet hier niet verstaan worden alleen een bondsgenootschappelijke heiligmaking, maar een werkelijke, die een aanvang neemt in de wedergeboorte, waardoor wij naar het evenbeeld Gods vernieuwd en nieuwe schepselen gemaakt worden, en geleid tot dagelijkse oefening in de heiligheid, in het meer en meer doden van onze zonden, en in het voor God naleven van al onze Christelijke plichten. Dat wordt hier begrepen in het woord gehoorzaamheid, waarmee al onze Christelijke plichten bedoeld zijn. Door den Geest menen sommigen dat de apostel bedoeld heeft den geest des mensen als voorwerp der heiligmaking. De wettelijke of typische heiligmaking ging niet verder dan de reiniging des vlezes, maar de Christelijke bedeling legt beslag op den geest des mensen en reinigt dien. Anderen, met meer reden, denken dat door den Geest bedoeld wordt de Heilige Geest als werker van onze heiligmaking. Hij vernieuwt den geest, doodt de zonden, Romeinen 8:13, en brengt Zijn gezegende vruchten in de harten der Christenen voort, Galaten 5:22, 23. Deze heiligmaking door den Geest sluit het gebruik der middelen in. Heilig hen in Uwe waarheid, Uw Woord is de waarheid, Johannes 17:17.
Tot gehoorzaamheid. Dit woord, zoals blijkt in de vertaling, slaat terug op hetgeen voorafgaat, en geeft te kennen het doel der heiligmaking, dat is: opstandelingen terug te brengen tot gehoorzaamheid, tot onbeperkte gehoorzaamheid, gehoorzaamheid aan het Evangelie en de waarheid van Christus. Gij hebt uwe zielen gereinigd in de gehoorzaamheid der waarheid, vers 22.
C. Zij werden ook uitverkoren tot besprenging des bloeds van Jezus Christus. Zij werden door Gods besluit aangewezen om door den Geest heilig gemaakt en door de verdiensten des bloeds van Christus gereinigd te worden. Hier is een duidelijke heen wijzing naar de zinnebeeldige besprenging met bloed onder de wet, en deze spreekwijze werd door de Joodse bekeerlingen zeer goed begrepen. Het bloed van de slachtoffers moest niet alleen vergoten maar ook gesprengd worden, om aan te duiden dat de afgeschaduwde zegeningen op de offeraars toegepast en hun geschonken werden. Zo werd het bloed van Christus, de grote en algenoegzame offerande, afgeschaduwd door de wettelijke offeranden, niet alleen vergoten, maar moet ook gesprengd en meegedeeld worden aan ieder van deze uitverkoren Christenen, opdat zij door het geloof in Zijn bloed vergeving van zonden verkrijgen zouden, Romeinen 3:25. Dit bloed der besprenging rechtvaardigt voor God, Romeinen 5:9, bezegelt het verbond tussen God en ons, waarvan des Heeren avondmaal het teken is, Lukas 22:20, reinigt van alle zonden, 1 Johannes 7, en ontsluit ons den hemel, Hebreeën 10:19.
a. God heeft sommigen uitverkoren tot het eeuwige leven, sommigen, niet allen, personen, geen hoedanigheden.
b. Allen, die uitverkoren zijn ten eeuwigen leven als het doel, werden uitverkoren tot gehoorzaamheid als het middel.
c. Tenzij iemand is heilig gemaakt door den Geest en besprengd met het bloed van Christus, zal hij geen ware gehoorzaamheid in zijn leven betonen. d. Er is toestemming en samenwerking van al de Personen in de Drie-eenheid in de redding der mensen, en hun daden vullen elkaar aan, de Vader verkiest, de Heilige Geest heiligt tot gehoorzaamheid en de Zoon verzoent en besprengt met Zijn bloed.
e. De leer der Drie-eenheid ligt als grondslag voor allen geopenbaarden godsdienst. Wanneer men de werkelijke Godheid van den Zoon en den Heiligen Geest ontkent, verminkt men de verzoening door den een en de genadige werkingen van den ander, en verwoest daardoor den grondslag van zijn zaligheid en vertroosting.
III. Thans volgt de groet. Genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
1. Genade, de vrije gunst van God met al haar eigenaardige uitwerking van vergeving, genezing, bijstand en zaligmaking.
2. Vrede, alle soorten van vrede mogen hieronder verstaan worden, huiselijke, maat- schappelijke vrede, vrede in de gemeente, en geestelijke vrede met God, benevens het gevoel daarvan in ons geweten.
3. Hier is het gebed, met betrekking tot deze zegeningen, dat zij mogen vermenigvuldigd worden, hetgeen inhoudt dat deze Christenen reeds in meerdere of mindere mate in het bezit van deze zegeningen waren, en hij wenst hun toe de voortduring, vermeerdering en volmaking daarvan. Wij leren hieruit:
A. Zij, die geestelijke zegeningen zelf bezitten, verlangen ernstig naar de mededeling daarvan aan anderen. De genade Gods is een edelmoedig, en niet een zelfzuchtig beginsel.
B. De beste zegeningen, die wij voor ons zelven en voor anderen kunnen verlangen, zijn genade en vrede, en de vermenigvuldiging daarvan, en daarom maken de apostelen dat zo dikwijls, aan het begin en het einde hunner brieven, den inhoud van hun gebeden.
C. Deugdelijke vrede kan niet genoten worden waar geen ware genade is, eerst genade dan vrede. En vrede zonder genade is enkel dwaasheid, maar genade kan waarlijk aanwezig zijn waar tijdelijk geen werkelijke vrede is. Heman werd door schrik verbijsterd en Christus zelf was eens in angst.
D. De vermeerdering van genade en vrede, evenals het beginsel daarvan, komt van God. Waar Hij ware genade geeft zal Hij meer genade geven, en ieder godvruchtige begeert ernstig voor zich zelven en voor anderen de versterking en vermeerdering van deze zegeningen.