Mattheus 26:57-68
Bij deze terechtstelling van onzen Heere Jezus voor de kerkelijke rechtbank, het grote sanhedrin, hebben wij te letten op:
I. De zitting van het hof. De schriftgeleerden en ouderlingen waren vergaderd, hoewel het nu in het holle van den nacht was, als andere mensen gerust sliepen in hun bed. Om hun boosaardigheid tegen Christus bot te vieren, ontzeiden zij zich deze natuurlijke rust, en zaten den gehelen nacht op, gereed om aan te vallen op hun prooi, die zij hoopten dat Judas en zijne handlangers gegrepen zouden hebben. Zie:
1. Wie daar vergaderd waren, de schriftgeleerden, de voornaamste leraren, en de ouderlingen, de voornaamste bestuurders van de Joodse kerk. Dezen waren de bitterste vijanden van Christus, onzen groten leraar en bestuurder of heerser, op wie zij naijverig waren als iemand, die hen in de schaduw stelde. Wellicht waren sommigen van deze schriftgeleerden en ouderlingen Christus niet zo boosaardig gezind als anderen, maar door hun medewerking met de anderen, maakten zij zich even schuldig. Nu was de Schrift vervuld, Psalm 22:17, ene vergadering der boosdoeners heeft mij omgeven. Jeremia klaagt over ene vergadering van verraders, een trouwelozen hoop, en David, dat zijne vijanden zich tegen hem verzamelden, Psalm 35:15.
2. Waar zij vergaderd waren, in de zaal van Kajafas, den hogepriester, waar zij ook twee dagen tevoren vergaderd waren geweest om het complot te beramen, vers 3, en waar zij nu bijeenwaren om het ten uitvoer te brengen. De hogepriester was Ab-bethdin -de vader van het huis des gerichts, maar hij is nu de beschermer en begunstiger der boosheid. Zijn huis had een toevluchtsoord behoren te wezen voor verdrukte onschuld, maar het is de zetel geworden der ongerechtigheid, en geen wonder, als zelfs Gods huis tot een moordenaarshol was gemaakt.
II. Het stellen van den gevangene voor den rechterstoel. Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem heen, joegen Hem voort met geweld, leidden Hem heen als een trofee hunner overwinning, voerden Hem heen als een slachtoffer naar het altaar. Hij werd naar Jeruzalem gebracht door de Schaapspoort, want dat was de weg naar de stad van den Olijfberg af, en die poort werd aldus genoemd, omdat de schapen, die ten offer bestemd waren, langs dien weg naar den tempel gebracht werden. Zeer gepast was het dus, dat Christus, die het Lam Gods is, dat de zonde der wereld wegneemt, langs dien weg gevoerd werd. Christus werd het eerst naar den hogepriester gebracht, want volgens de wet moesten alle offers het eerst tot den priester gebracht worden, Leviticus 17:5.
III. De laagheid en lafheid van Petrus, vers 58. Petrus volgde Hem van verre. Dit wordt hier meegedeeld met het oog op het volgende verhaal van zijne verloochening van Christus. Evenals de overigen had hij Hem verlaten, toen Hij gegrepen werd, en wat hier gezegd wordt van zijn volgen is zeer verenigbaar met zijn verlaten van Hem. Zulk een volgen was niet beter dan een verlaten van Hem, want:
1. Hij volgde Hem, doch slechts van verre. Er waren nog enige vonkjes van liefde en bezorgdheid voor zijn Meester in zijn hart, en daarom volgde hij Hem, maar vrees en bezorgdheid voor zich zelven hadden de overhand, en daarom volgde hij van verre. Het heeft een slecht aanzien, en is een teken van nog erger, als zij, die Christus' discipelen willen zijn, niet als zodanig bekend willen wezen. Hier begon reeds Petrus' verloochening, want Hem van verre te volgen is langzamerhand van Hem weg te gaan. Er is gevaar in terug blijven, ja zelfs in terugzien.
2. Hij volgde Hem, maar ging binnen en zat bij de dienaren. Hij had naar de rechtbank behoren te gaan, om bij zijn Meester te zijn als getuige voor Hem, maar neen, hij ging binnen waar een goed vuur was aangelegd, en zat bij de dienaren, niet om hun smaadredenen tot zwijgen te brengen, maar om zich zelven te beschutten. Het was vermetelheid in Petrus om zich aldus in verzoeking te begeven, die dit doet, stelt zich zelven buiten Gods bescherming. Christus had aan Petrus gezegd, dat hij Hem nu niet kon volgen, en had hem zeer bijzonder gewaarschuwd tegen het gevaar van dien nacht, en toch waagde hij zich in het midden der goddeloze menigte. Het heeft David geholpen om in zijne oprechtheid te volharden, dat hij de vergadering der boosdoeners heeft gehaat, en bij de goddelozen niet is neergezeten.
3. Hij volgde Hem, doch het was slechts om het einde te zien, meer uit nieuwsgierigheid dan door drang van het geweten, als ijdele toeschouwer was hij daar, veeleer dan als een discipel, een belangstellende. Hij had binnen moeten gaan om Christus den een of anderen dienst te bewijzen, of om wijsheid en genade voor zich zelven te verkrijgen, door Christus gade te slaan onder Zijn lijden, maar hij ging binnen om slechts om zich heen te zien. Het is niet onwaarschijnlijk, dat Petrus binnen ging, verwachtende dat Christus door een wonder uit de handen Zijner vervolgers zou ontkomen zijn, dat Hij, zo kort tevoren hen neergeworpen hebbende, die gekomen waren om Hem te grijpen, hen nu dood neergeworpen zou hebben, die daar zaten om Hem te oordelen. En dit wilde hij wel gaarne zien. Indien dit zo was, dan was het dwaasheid van hem om aan een ander einde te denken dan dat, wat Christus voorzegd had, namelijk dat Hij ter dood gebracht zou worden. Het is van veel meer belang voor ons, om ons te bereiden voor het einde, hoe dit dan ook zijn moge, dan om te willen weten wat het einde zijn zal. De gebeurtenis is Godes, onzer is de plicht.
IV. De terechtstelling van onzen Heere Jezus voor dit hof.
1. Zij ondervroegen getuigen tegen Hem, hoewel zij vast besloten waren om Hem terecht of te onrecht te veroordelen. Om echter den schijn van recht te bewaren, wilden zij bewijzen tegen Hem bijbrengen. De misdaden, waarvan dit gerechtshof bevoegd was kennis te nemen, waren: valse leringen en Godslastering, en aan die misdaden wilden zij Hem schuldig verklaren. Merk hier op:
a. Hun zoeken naar bewijzen: Zij zochten valse getuigenis tegen Jezus. Zij hadden Hem gegrepen, gebonden, mishandeld, en toch moeten zij nu nog naar iets zoeken, waarvan zij Hem kunnen beschuldigen, maar kunnen nog gene oorzaak tot kerkering aanduiden. Zij beproefden of iemand iets uit eigen weten tegen Hem kon inbrengen, en kwamen van de ene lasterlijke beschuldiging op de andere, die, zo zij waar werden bevonden, Hem het leven konden kosten. Aldus graaft een Belialsman kwaad, Prediker 16:27. Hier traden zij in de voetstappen van hun voorgangers, die gedachten dachten tegen Jeremia, Jeremia 18:18, 20:10. Zij maakten bekend dat, zo iemand inlichtingen kon geven tegen den gevangene, zij bereid waren ze te horen, en terstond zijn er vele valse getuigen toegekomen, vers 60, want zo een heerser op leugentaal acht geeft, zijn al zijne dienaren goddeloos, Prediker 29:12. Dit is een kwaad, dat dikwijls onder de zon gezien wordt, Prediker 10:5. Indien Naboth gedood moet worden, zijn er zonen Belials, die tegen hem getuigen. b. Hoe hun poging daartoe gelukt is. Reeds meermalen waren zij er in teleurgesteld, zij zochten naar valse getuigenissen onder elkaar, anderen kwamen om er hun in behulpzaam te zijn, en toch vonden zij er gene. Zij wisten er niets van te maken, konden de verschillende getuigenissen niet met elkaar overeenbrengen, of er een schijn van waarheid aan geven, zij zelven rechters zijnde. De zaken, die aangevoerd werden, waren zulke tastbare leugens, dat zij zich zelven weerlegden. Dit strekte grotelijks tot eer van Christus, toen zij Hem met zoveel smaad en schande overlaadden. Eindelijk kwamen echter twee getuigen, die naar het schijnt in hun getuigenis met elkaar overeenstemden, en daarom werden zij dan ook gehoord in de hoop dat nu de zaak gewonnen was. De woorden, die Hij, naar hun getuigenis, gesproken zou hebben, waren: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen dezelve opbouwen, vers 61. Hiermede nu bedoelden zij Hem te beschuldigen van: een vijand te zijn van den tempel, die er de verwoesting van begeerde en zocht, hetgeen hun ondraaglijk was te horen, want zij schatten zich naar den tempel, Jeremia 7:4, en nadat zij andere afgoden hadden verlaten, maakten zij daar een afgod van. Stefanus werd beschuldigd van te spreken tegen de heilige plaats, Handelingen 6:13, 14. Vervolgens: van iemand te zijn, die aan toverij deed, of een ongeoorloofde kunst beoefende, met behulp waarvan Hij in drie dagen zulk een gebouw kon oprichten. Zij hadden ook al dikwijls het denkbeeld geopperd, dat Hij met Beëlzebub in verbond was. Wat dit nu aangaat: Ten eerste. De woorden werden verkeerd aangehaald, Hij had gezegd: "Breekt dezen tempel" Johannes 2:19, duidelijk te kennen gevende, dat Hij sprak van een tempel, dien Zijne vijanden zochten te verwoesten. Nu komen zij en getuigen, dat Hij gezegd heeft: Ik kan den tempel breken alsof Hij de verwoesting er van wilde en voorgenomen had. Hij had gezegd: in drie dagen zal ik dezelve oprichten -egeroo auton, een woord dat eigenlijk gebruikt wordt voor een levenden tempel: Ik zal hem oprichten ten leven. Zij komen en getuigen, dat Hij gezegd heeft: Ik kan -oikodomêsai -hem opbouwen, dat gevoeglijk gebruikt wordt voor een huis en tempel. Ten tweede. De woorden waren verkeerd begrepen, Hij sprak van den tempel Zijns lichaams, Johannes 2:21, en toen Hij zei: dezen tempel, heeft Hij waarschijnlijk gewezen of Zijne hand gelegd op Zijn eigen lichaam, maar zij getuigden, dat Hij zei den tempel Gods, bedoelende de heilige plaats. Er zijn de zodanige geweest, en zij zijn er nog, die tot hun eigen verderf de woorden van Christus verdraaien, 2 Petrus 3:16. Ten derde. Al vatten zij dit nu op in den ergsten zin, dan was het toch naar hun eigen wet gene hoofdmisdaad. Indien zij dit wèl ware, dan zou Hij daar ongetwijfeld om vervolgd zijn, toen Hij enige jaren geleden die woorden in het openbaar heeft gesproken, ja meer, die woorden waren vatbaar om in prijzenswaardigen zin verklaard te worden als aanduidende een vriendelijke gezindheid voor den tempel, indien hij verwoest werd, Hij - Christus-zou alle krachten inspannen om hem weer op te bouwen. Maar alles, wat ook maar een schijn van misdaad zou kunnen hebben, was hun welkom, om aan hun boosaardige vervolging een schijn van recht te geven. Thans werden de Schriften vervuld, die zeiden: Valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, Psalm 27:12, zie ook Psalm 35:11. Ik heb ze wel verlost, maar zij spreken leugen tegen Mij. Wij worden rechtvaardiglijk beschuldigd, de wet beschuldigt ons, Deuteronomium 27:26, Johannes 5:45, Satan en ons eigen geweten beschuldigen ons. Ten einde ons nu van al deze rechtvaardige beschuldigingen te ontheffen, heeft onze Heere Jezus zich er aan onderworpen, om onrechtvaardiglijk en vals beschuldigd te worden, opdat wij door de kracht van Zijn lijden instaat gesteld worden, om over alle beschuldigingen te triomferen. Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? Romeinen 8:33, 34. Hij werd beschuldigd, opdat wij niet veroordeeld zouden worden, en indien wij te eniger tijd aldus lijden, als niet slechts allerlei kwaad van ons gezegd, maar met een valsen eed tegen ons getuigd wordt, zo moeten wij ons herinneren, dat wij niet kunnen verwachten, dat het ons beter zal vergaan dan het onzen Meester vergaan is. c. Christus' stilzwijgen onder al die beschuldigingen, tot grote verbazing van het hof, vers 62. De hogepriester, de rechter in die rechtbank, stond driftig op en zei: Antwoordt Gij niets? Gevangene, hoort gij niet wat tegen u getuigd wordt? Wat hebt gij voor uzelven te zeggen? Wat zult gij ter uwer verdediging aanvoeren? Wat hebt gij tegen deze beschuldiging in te brengen? Doch Jezus zweeg stil, vers 63, niet uit gemelijkheid, of omdat Hij zich zelven veroordeelde, of verbaasd en in verwarring was gebracht, niet omdat Hij niets had te zeggen, of niet wist hoe Hij het zeggen zou, maar opdat de Schrift zou vervuld worden, Jesaja 53:7, Als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, en voor dien, die het slacht, alzo deed Hij Zijn mond niet open, en opdat Hij de Zoon zou zijn van David, die toen zijne vijanden boze dingen tegen hem spraken, was als een dove, die niet hoort. Psalm 38:12-14. Hij zweeg stil, omdat Zijne ure was gekomen, Hij wilde de beschuldiging niet ontkennen, omdat Hij bereid en gewillig was zich aan het vonnis te onderwerpen, want anders zou Hij hen thans even gemakkelijk tot zwijgen hebben kunnen brengen en hen beschamen, als Hij dit zo dikwijls tevoren gedaan had. Indien God met ons in het gericht ware getreden, wij hadden moeten verstommen, Hoofdstuk 22:12, niet bij machte om een uit duizend te beantwoorden, Job 9:3. Toen dus Christus zonde voor ons was gemaakt, zweeg Hij stil, en liet het aan Zijn bloed over om te spreken, Hebreeën 12:24. Hij stond stom voor deze rechtbank, opdat wij voor Gods rechterstoel iets te zeggen zouden hebben. Maar op die wijze gaat het niet, er moet een ander hulpmiddel te baat worden genomen.
2. Zij gingen toen onzen Heere Jezus zelven ondervragen met een eed, en daar zij Hem niet konden beschuldigen, zullen zij, in strijd met de wet der billijkheid, beproeven om Hem zich zelven te laten beschuldigen.
a. Wij hebben dan Zijne ondervraging door den hogepriester. Let op: De vraag zelf, Of Gij zijt de Christus, de Zoon van God? Dat is: Of Gij voorgeeft dit te zijn? Want zij willen de vraag geenszins overwegen of Hij dit wezenlijk is, of niet. Hoewel de Messias de Vertroosting Israël's moet wezen, en er in het Oude Testament heerlijke dingen van Hem gesproken zijn, waren zij toch zo verbazend verdwaasd door ijverzucht op alles wat hun buitensporige macht en grootheid bedreigde, dat zij nooit in enig onderzoek van de zaak wilden treden, of Jezus al of niet de Messias was, nooit eens bij zich zelven zeiden: Gesteld nu eens, dat hij het is. Zij wilden Hem slechts laten bekennen, dat Hij zich zo noemde, ten einde Hem daarop te kunnen beschuldigen van een bedrieger te zijn. Waartoe zullen hoogmoed en boosaardigheid den mens al niet brengen! De plechtige voorstelling der vraag. Ik bezweer u bij den levenden God, dat Gij ons zegt. Niet alsof hij enigen eerbied had voor den levenden God, hij heeft Zijn naam ijdelijk gebruikt, omdat hij alleen daardoor hopen kan zijne zaak te winnen, bij onzen Heere Jezus te komen waar hij wilde wezen. "Indien gij waarde hecht aan den gezegenden naam Gods, en eerbied hebt voor Zijne majesteit, zo zeg ons dit." Weigerde Hij te antwoorden na aldus bezworen te zijn, dan konden zij Hem beschuldigen van minachting voor den gezegenden naam Gods. Zo doen de vervolgers van Godvruchtige mensen dikwijls hun voordeel met de nauwgezetheid van geweten hunner slachtoffers, zoals Daniël's vijanden dat deden, toen zij iets tegen hem zochten in de wet zijns Gods.
b. Christus' antwoord op deze ondervraging, vers 64, waarin Hij zich bekent te zijn de Christus, de Zoon van God. Gij hebt het gezegd. Dat is: Het is, zoals gij gezegd hebt, want in het Evangelie van Markus is het: Ik ben het. Totnutoe heeft Hij zich zelden uitdrukkelijk als den Christus, den Zoon van God, beleden. De inhoud en strekking Zijner leer toonden het genoegzaam aan, en Zijne wonderen bewezen het, maar nu wilde Hij het niet vermijden om deze belijdenis af te leggen. Ten eerste, omdat dit den schijn zou gehad hebben van ene verloochening van die waarheid, terwijl Hij toch in de wereld gekomen was om er getuigenis aan te geven.
Ten tweede. Het zou den schijn hebben gehad alsof Hij weigerde te lijden, als Hij wist dat de erkenning hiervan Zijnen vijanden al het voordeel zou geven tegen Hem, dat zij begeerden. Aldus bekende Hij zich te zijn wie Hij was, tot voorbeeld en aanmoediging voor Zijne volgelingen, als zij geroepen worden om Hem te belijden voor de mensen, welk gevaar dit ook voor hen mee zou brengen. En naar dit voorbeeld hebben de martelaren ook geredelijk bekend, dat zij Christenen waren, hoewel zij wisten dat zij er om moesten sterven, zoals de martelaren te Thebais. Dat Christus geantwoord heeft uit eerbied voor de bezwering, die Kajafas zo heiligschennend bij den levenden God gedaan heeft, kan ik niet denken, evenmin als Hij voor een zelfde bezwering in den mond des duivels eerbied gehad heeft, Markus 5:7. Ten bewijze van hetgeen Hij zegt, wijst Hij op Zijne wederkomst en op geheel Zijn staat van verhoging. Waarschijnlijk zullen zij Hem met een smadelijken glimlach hebben aangezien, toen Hij zei: Ik ben het. "Deze ziet er voorwaar niet naar uit," dachten zij, "om de Messias te zijn, die met zo grote kracht en heerlijkheid verwacht wordt", en hierop slaat dit woord "doch" "Gij ziet Mij thans wel in dezen staat der vernedering, en vindt het bespottelijk, dat Ik Mij den Messias noem, evenwel, de dag komt wanneer Ik anders zal verschijnen." Van nu aan - ap arti -weldra, want Zijne verhoging begon reeds binnen enkele dagen. Binnen kort begon Zijn koninkrijk opgericht te worden, en van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechterhand der kracht Gods, om de wereld te oordelen, waarvan Zijne komst kort na dit tijdstip om de Joodse natie te oordelen en te verwoesten, een type en voorsmaak zou zijn. De verschrikkingen van den oordeelsdag zullen een merkbare overtuiging wezen ook voor het hardnekkigste ongeloof, niet ter bekering-daarvoor zal het dan te laat wezen- maar ter eeuwige beschaming. Merk op, ten eerste, wie zij zullen zien: den Zoon des mensen. Zich ook zelfs in den staat Zijner vernedering als den Zone Gods bekend hebbende, spreekt Hij nu van zich zelven als van den Zoon des mensen, ook in den staat Zijner verhoging, want deze twee onderscheidene naturen waren in Zijn persoon verenigd. De menswording van Christus heeft Hem tot Zone Gods en Zoon des mensen gemaakt, want Hij is EMMANUEL, God met ons. Ten tweede. In welke houding zij Hem zien zullen:
1. Zittende ter rechterhand der kracht Gods, overeenkomstig de profetie van den Messias, Psalm 110:
1. Zit aan Mijne rechterhand, hetgeen zowel de waardigheid te kennen geeft als de macht en heerschappij, waartoe Hij verhoogd is. Thans staat Hij als beschuldigde voor den rechterstoel, maar weldra zullen zij Hem zien, gezeten op den troon.
2. Komende op de wolken des hemels: dit wijst heen naar een andere profetie betreffende den Zoon des mensen, Daniël 7:13, 14, toen Hij kwam om Jeruzalem te verwoesten. Zo schrikkelijk was het oordeel, en zo merkbaar de aanduidingen van den toorn des Lams daarin, dat het een zichtbaar verschijnen van Christus genoemd kon worden, maar ongetwijfeld ziet het op het algemene oordeel. Op dien dag beroept Hij zich, en hen roept Hij op, om dan en daar te verschijnen en zich te verantwoorden voor hetgeen zij thans doen. Hij had een wijle vroeger van dien dag gesproken tot Zijne discipelen ter hunner vertroosting, en hun gezegd hun hoofden opwaarts te heffen van vreugde in het vooruitzicht daarvan, Lukas 21:27, 28. Nu spreekt Hij er van tot Zijne vijanden ter hunner verschrikking, want niets is troostrijker voor de rechtvaardigen, of schrikkelijker voor de Goddelozen, dan het oordelen der wereld ten laatsten dage door Christus.
V. Zijn schuldig verklaard worden na dit gerechtelijk verhoor. De hogepriester scheurde zijne klederen, overeenkomstig het gebruik der Joden, als zij iets hoorden of zagen, dat zij als een smaden van God beschouwden, Jesaja 36:22, 37:1, Handelingen 14:14. Men zou kunnen denken dat Kajafas uiterst teergevoelig was voor de ere Gods (Ziet zijn ijver aan voor den Heere!) maar terwijl hij afschuw voorwendde van Godslastering, was hij zelf de grootste Godslasteraar. Hij vergat nu de wet, die den hogepriester verbood zijne klederen te scheuren, tenzij wij van de onderstelling uitgaan, dat dit een buitengewoon geval was. Let op:
1. De misdaad, waaraan hij schuldig verklaard werd: Godslastering. Hij heeft Godslastering gesproken, dat is: Hij heeft op smadelijke wijze van den levenden God gesproken. Dat is het denkbeeld, dat wij ons vormen van Godslastering. Omdat wij door de zonde God gesmaad hebben, is Christus, toen Hij zonde voor ons gemaakt werd, veroordeeld geworden als een Godslasteraar om de waarheid, die Hij hun had gezegd.
2. Het bewijs, waarop zij Hem schuldig verklaarden, Gij hebt zijne Godslastering gehoord, waarom zouden wij nu nog verder de moeite nemen om getuigen te horen? Hij heeft bekend, dat hij zich de Zone Gods heeft genoemd. En toen verklaarden zij dit Godslastering te zijn, en verklaarden Hem schuldig op Zijn eigen bekentenis. De hogepriester juicht om den goeden uitslag van den strik, dien hij gespannen had. "Nu denk ik wel klaar met hem te komen. Nu zijn wij waar wij willen wezen." Aldus is Hij voor hun rechterstoel uit Zijn eigen mond veroordeeld, omdat wij er aan onderhevig waren om aldus voor Gods rechter stoel geoordeeld te worden. Er is geen getuigenis nodig tegen ons, ons eigen geweten is tegen ons in plaats van duizend getuigen.
VI. Na deze schuldigverklaring is Zijn vonnis geveld, vers 66. Hier is:
1. Kajafas' vraag aan de rechters. Want dunkt ulieden? Zie zijn lage huichelarij en partijdigheid, hij had de zaak reeds geoordeeld en Hem een Godslasteraar verklaard te zijn, en toen, alsof hij nog gaarne raad wilde inwinnen, vraagt hij het oordeel zijner broederen, maar al wordt de boosaardigheid nog zo kunstig en listig verborgen onder den mantel der gerechtigheid, op de een of andere wijze zal zij er toch door heen gluren. Indien hij naar recht en billijkheid had willen handelen, dan had hij de rechters naar orde moeten laten stemmen, te beginnen met den jongste, om het laatst van allen zijn eigen mening te zeggen. Maar hij wist, dat hij door het gezag van zijn ambt invloed zou oefenen op de anderen, en daarom spreekt hij zijn oordeel uit en veronderstelt, dat allen het met hem eens zijn ten opzichte van Christus-als ene misdaad, die bekend werd, en het oordeel, ten opzichte van het hof, als aller instemming hebbende.
2. Hun eenstemmigheid met hem, zij zeiden: Hij is des doods schuldig. Wellicht hebben zij er toch niet allen mede ingestemd, zeker is het, dat Jozef van Arimathea, indien hij tegenwoordig was, in mening van hen verschild zou hebben, Lukas 23:51, zo ook Nicodemus, en waarschijnlijk nog anderen. Evenwel, de meerderheid besliste en, daar dit een buitengewone vergadering was van den raad, was wellicht ook niemand anders ter bijwoning er van opgeroepen dan dezulken, van wie zij wisten, dat zij eenstemmig met hen zouden zijn. Het oordeel was: Hij is des doods schuldig: volgens de wet verdient hij te sterven. Hoewel zij thans de macht niet hadden om iemand ter dood te brengen, hebben zij toch met zodanig een oordeel iemand tot een vogelvrij-verklaarde onder zijn volk gemaakt, stelden zij hem bloot aan de woede van een volksoploop, zoals dit met Stefanus het geval was, of om bij den stadhouder te worden aangeklaagd, zoals zij met Christus gedaan hebben. Aldus is de Heer des levens veroordeeld geworden om te sterven, opdat door Hem er gene veroordeling, gene verdoemenis, zou zijn voor ons.
VII. De mishandeling en smaadheden, die Hem aangedaan werden, nadat dit vonnis over Hem geveld was, vers 67, 68. Toen, nadat Hij schuldig bevonden was, spogen zij in Zijn aangezicht. Daar zij de macht niet hadden Hem ter dood te brengen, en er ook niet zeker van waren, dat zij den stadhouder zouden bewegen om hun scherprechter te zijn, wilden zij Hem toch al het kwaad doen, dat zij konden, nu zij Hem in handen hadden. Veroordeelde gevangenen worden onder de bijzondere bescherming der wet gesteld, waaraan zij voldoening hebben te geven, en onder alle beschaafde volken werden zij dan met zachtheid behandeld, de straf, die zij hadden te ondergaan, was genoegzaam om aan het recht te voldoen. Maar toen zij over den Heere Jezus het vonnis hadden geveld, werd Hij behandeld alsof de hel over Hem was losgebroken, alsof Hij niet alleen den dood had verdiend, maar dit nog te goed voor Hem was, en Hij het medelijden niet waardig was, dat ook aan de ergste boosdoeners betoond werd. Aldus is Hij een vloek voor ons gemaakt. Maar wie waren zij, die met al die barbaarsheid te werk gingen? Zij schijnen dezelfden te zijn, die het vonnis over Hem hadden uitgesproken. Zij zeiden: Hij is des doods schuldig, toen spogen zij in Zijn aangezicht. De priesters begonnen, geen wonder, dat de dienstknechten, die alles aangrijpen om zich te vermaken, en alles doen om in gunst bij hun goddeloze meesters te komen, het spel voortzetten. Zie, hoe zij Hem hebben mishandeld.
1. Zij spogen in Zijn aangezicht. Aldus is de Schrift vervuld geworden, Jesaja 50:6, Hij verborg Zijn aangezicht niet voor smaadheden en speeksel. Job klaagde er over, dat hem deze smaadheid was aangedaan, en hierin was hij een type van Christus, Job 30:10, Zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht. Het is ene uitdrukking van de grootst-mogelijke minachting en toorn, zij beschouwden Hem als meer verachtelijk dan de grond, waarop zij spogen. Toen Mirjam met melaatsheid was gestraft, werd dit beschouwd als ene schande en smaadheid voor haar, zoals wanneer haar vader smadelijk in haar aangezicht had gespogen, Numeri 12:14. Hij, die weigerde zijn broeder zaad te verwekken, moest zich aan dezen smaad onderwerpen, Deuteronomium 25:9. Maar Christus heeft er zich aan onderworpen, toen Hij het grote geslacht des mensdoms uit zijn staat van verval heeft opgeheven. Dat gelaat, hetwelk schoner was dan de mensenkinderen, blank en rood was, en door de engelen met eerbied werd beschouwd, werd aldus op vuile wijze mishandeld door de laagsten en snoodsten van de kinderen der mensen. Aldus werd beschaming over Zijn gelaat uitgestort, opdat het onze niet met eeuwigen smaad en schande bedekt zou worden. Zij, die thans Zijn gezegenden naam ontheiligen, Zijn woord misbruiken, en Zijn beeld haten in Zijne geheiligden-wat doen zij anders dan Hem in het aangezicht spuwen? Zij zouden het Hem doen, indien Hij in hun bereik ware.
2. Zij sloegen Hem met vuisten en anderen gaven Hem kinnebakslagen. Dit voegde pijn toe aan den smaad, want die beiden ontstonden met de zonde. Nu was de Schrift vervuld, Jesaja 50:6, Ik geef mijne wangen degenen, die mij het haar uitplukken, en Klaagliederen 3:30, Hij geve zijne wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad, en toch zwijge hij stil, vers 28, en Micha 4:14 :Zij zullen den Richter Israël's met de roede op het kinnebakken slaan. De kanttekening geeft de lezing: sloegen Hem met stokjes of roeden, want dat is de betekenis van errapisan, en hieraan heeft Hij zich onderworpen.
3. Zij daagden Hem uit te zeggen, wie Hem had geslagen, nadat zij Hem eerst geblinddoekt hadden. Profeteer ons, Christus! wie is het, die u geslagen heeft? Zij vermaakten zich met Hem, zoals de Filistijnen met Simson. Het is voor hen, die in het ongeluk zijn, smartelijk, als men zich vrolijk om hen maakt, maar nog veel smartelijker is het, als men hen bespot en met hun ongeluk lacht. Hier zag men een voorbeeld van de grootste verdorvenheid en ontaarding van de menselijke natuur, waaruit bleek hoe groot de behoefte was aan een Godsdienst, die den mens weer menselijk maakt. Zij spotten met Zijn profetisch ambt. Zij hadden Hem een profeet horen noemen, en dat Hij vermaard was wegens de wondervolle openbaringen, die Hij deed. Dit verweten zij Hem nu, en deden alsof zij er de proef van wilden nemen, alsof de Goddelijke alwetendheid zich tot kinderspel zou verlagen. Diegenen, die heiligschennend spotten met de Schrift en zich vrolijk maken met het heilige, beledigen Christus op dezelfde wijze. Het is als Belsazar, die voor zijn drinkgelag de heilige vaten des tempels ontwijdt.