72. En de haan kraaide de tweede maal. Toen werd Jezus, die ter dood was veroordeeld, juist naar de hof gebracht en Hij zag Zijn discipel aan. En Petrus bedacht het woord dat Jezus tot hem gezegd had (
Vers 30): Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. En hij snelde zich naar de voorhof, ging daar weg en huilde, zodat deze tranen van diep berouw samenvielen met het geluid van de haan, dat hem opwekte en het hanengekraai door hevig snikken afgewisseld werd.
Omdat Petrus zich hoger dan al de anderen wilde verheffen (vs 29), valt hij ook dieper dan zij; zijn natuur sleept hem mee in de diepste val. Het is de vleselijke dapperheid, waardoor hij daar in de hof het ijzeren zwaard zwaait, evenals zijn vermeende navolgers de dwangwerktuigen van de inquisitie; het is die aardse moed, die slag voor slag geeft en in zo'n strijd ook het eigen leven waagt, maar niet kan voelen hoeveel hoger de dapperheid is die de moed heeft, het onrecht geheel te lijden en niet te doen. Het is deze ijver van het vlees, die voor hem de bittere vrucht van de verloochening van Christus draagt en hem in die steile val meesleept, waardoor zijn staan op eigen kracht het diepst moest worden geschokt. De voornaamste belijder een verloochenaar geworden! hoe dicht is hij bij de verrader gekomen! wat zou het hart van de Heiland meer pijn hebben gedaan? en waarin is het onderscheid gelegen dat Petrus geen Judas werd? Er bestaat geen onderscheid in hun zonde op zichzelf, want vlees is vlees en dat een Petrus zo kon vallen, is echt niet met verontschuldiging licht op te nemen, maar in de wijze waarop zij beiden tot berouw ontwaken is het wezenlijke onderscheid tussen hen te zien. Daarin, dat Petrus nog een oog heeft voor die blik van de Heere, om tot zichzelf te komen, naar buiten te gaan en bitter te huilen, maar Judas alleen nog de schrik voor de Heilige Gods, voor Wie hij vlucht, in plaats van tot Hem te vluchten - daarin openbaart zich aan ons bij de eersten die goddelijke droefheid die dat berouw te weeg brengt, dat niemand berouwt, bij deze de droefheid van de wereld, die niets anders werkt dan de dood.
Petrus heeft zijn schuld niet verkleind, want van hem vernemen wij door Markus de omstandigheid, dat ook het eerste hanengekraai hem nog niet tot nadenken bracht, maar pas het tweede. Het is zeer opmerkelijk dat hij in de weg van zijn bekering als de eerste grote schitterende type van de weg van het heil daar staat, terwijl Judas in zijn berouw de tegenovergestelde weg insloeg en pas de menselijke tevredenheid bij de vijanden, bij wie hij zich bezondigd had, wilde geven, maar zonder op deze weg tot Christus te komen. Wij mogen echter ook de typische betekenis in de aanleiding van de val die Petrus deed, niet onopgemerkt laten - een geringe deurwaarster was het die de eerste discipel, aan wie de sleutels van het hemelrijk waren toegezegd, tot verloochening bracht. Dienstmaagden verschrikten hem en zijn val werd steeds zwaarder naarmate hij zich langer onder de knechten bij het kolenvuur ophield. Zo kan ook een kerkelijke gemeenschap door valse populariteit, door verkeerd gedrag omtrent de verkeerde fanatismen bij het volk, door vermenging met de menigte in haar onheilige richting voor zich de val bereiden.
Bewonderen wij de goedheid en wijsheid van God, tot in het kloppen van het geweten! Schijnbaar zijn gewetensknagingen een straf voor de misdaad die haar heeft veroorzaakt en toch zijn zij genadige roepstemmen om ons onze zonde te laten zien. Heeft God de zondaar door zijn geweten willen laten lijden voor zijn kwaad, het is juist om hem door gevoel van pijn daarvan los te maken en hem te dwingen elders vrede en gemoedsrust te zoeken. De verschrikkelijke toestand die hieruit denkbaar is, zou zijn dat God de schuldige aan zichzelf overlaat, hem in vrede de vruchten van zijn zonde genieten liet. Ook is het de laatste grens van ongeluk en misdaad, de kwelling van het berouw niet te voelen. Kon zo'n toestand volkomen in iemand plaats grijpen, het zou het zekerste bewijs zijn dat God hem verlaten had.
72. En de haan kraaide de tweede maal. Toen werd Jezus, die ter dood was veroordeeld, juist naar de hof gebracht en Hij zag Zijn discipel aan. En Petrus bedacht het woord dat Jezus tot hem gezegd had (Vers 30): Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. En hij snelde zich naar de voorhof, ging daar weg en huilde, zodat deze tranen van diep berouw samenvielen met het geluid van de haan, dat hem opwekte en het hanengekraai door hevig snikken afgewisseld werd.
Omdat Petrus zich hoger dan al de anderen wilde verheffen (vs 29), valt hij ook dieper dan zij; zijn natuur sleept hem mee in de diepste val. Het is de vleselijke dapperheid, waardoor hij daar in de hof het ijzeren zwaard zwaait, evenals zijn vermeende navolgers de dwangwerktuigen van de inquisitie; het is die aardse moed, die slag voor slag geeft en in zo'n strijd ook het eigen leven waagt, maar niet kan voelen hoeveel hoger de dapperheid is die de moed heeft, het onrecht geheel te lijden en niet te doen. Het is deze ijver van het vlees, die voor hem de bittere vrucht van de verloochening van Christus draagt en hem in die steile val meesleept, waardoor zijn staan op eigen kracht het diepst moest worden geschokt. De voornaamste belijder een verloochenaar geworden! hoe dicht is hij bij de verrader gekomen! wat zou het hart van de Heiland meer pijn hebben gedaan? en waarin is het onderscheid gelegen dat Petrus geen Judas werd? Er bestaat geen onderscheid in hun zonde op zichzelf, want vlees is vlees en dat een Petrus zo kon vallen, is echt niet met verontschuldiging licht op te nemen, maar in de wijze waarop zij beiden tot berouw ontwaken is het wezenlijke onderscheid tussen hen te zien. Daarin, dat Petrus nog een oog heeft voor die blik van de Heere, om tot zichzelf te komen, naar buiten te gaan en bitter te huilen, maar Judas alleen nog de schrik voor de Heilige Gods, voor Wie hij vlucht, in plaats van tot Hem te vluchten - daarin openbaart zich aan ons bij de eersten die goddelijke droefheid die dat berouw te weeg brengt, dat niemand berouwt, bij deze de droefheid van de wereld, die niets anders werkt dan de dood.
Petrus heeft zijn schuld niet verkleind, want van hem vernemen wij door Markus de omstandigheid, dat ook het eerste hanengekraai hem nog niet tot nadenken bracht, maar pas het tweede. Het is zeer opmerkelijk dat hij in de weg van zijn bekering als de eerste grote schitterende type van de weg van het heil daar staat, terwijl Judas in zijn berouw de tegenovergestelde weg insloeg en pas de menselijke tevredenheid bij de vijanden, bij wie hij zich bezondigd had, wilde geven, maar zonder op deze weg tot Christus te komen. Wij mogen echter ook de typische betekenis in de aanleiding van de val die Petrus deed, niet onopgemerkt laten - een geringe deurwaarster was het die de eerste discipel, aan wie de sleutels van het hemelrijk waren toegezegd, tot verloochening bracht. Dienstmaagden verschrikten hem en zijn val werd steeds zwaarder naarmate hij zich langer onder de knechten bij het kolenvuur ophield. Zo kan ook een kerkelijke gemeenschap door valse populariteit, door verkeerd gedrag omtrent de verkeerde fanatismen bij het volk, door vermenging met de menigte in haar onheilige richting voor zich de val bereiden.
Bewonderen wij de goedheid en wijsheid van God, tot in het kloppen van het geweten! Schijnbaar zijn gewetensknagingen een straf voor de misdaad die haar heeft veroorzaakt en toch zijn zij genadige roepstemmen om ons onze zonde te laten zien. Heeft God de zondaar door zijn geweten willen laten lijden voor zijn kwaad, het is juist om hem door gevoel van pijn daarvan los te maken en hem te dwingen elders vrede en gemoedsrust te zoeken. De verschrikkelijke toestand die hieruit denkbaar is, zou zijn dat God de schuldige aan zichzelf overlaat, hem in vrede de vruchten van zijn zonde genieten liet. Ook is het de laatste grens van ongeluk en misdaad, de kwelling van het berouw niet te voelen. Kon zo'n toestand volkomen in iemand plaats grijpen, het zou het zekerste bewijs zijn dat God hem verlaten had.
72. En de haan kraaide de tweede maal. Toen werd Jezus, die ter dood was veroordeeld, juist naar de hof gebracht en Hij zag Zijn discipel aan. En Petrus bedacht het woord dat Jezus tot hem gezegd had (Vers 30): Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. En hij snelde zich naar de voorhof, ging daar weg en huilde, zodat deze tranen van diep berouw samenvielen met het geluid van de haan, dat hem opwekte en het hanengekraai door hevig snikken afgewisseld werd. Omdat Petrus zich hoger dan al de anderen wilde verheffen (vs 29), valt hij ook dieper dan zij; zijn natuur sleept hem mee in de diepste val. Het is de vleselijke dapperheid, waardoor hij daar in de hof het ijzeren zwaard zwaait, evenals zijn vermeende navolgers de dwangwerktuigen van de inquisitie; het is die aardse moed, die slag voor slag geeft en in zo'n strijd ook het eigen leven waagt, maar niet kan voelen hoeveel hoger de dapperheid is die de moed heeft, het onrecht geheel te lijden en niet te doen. Het is deze ijver van het vlees, die voor hem de bittere vrucht van de verloochening van Christus draagt en hem in die steile val meesleept, waardoor zijn staan op eigen kracht het diepst moest worden geschokt. De voornaamste belijder een verloochenaar geworden! hoe dicht is hij bij de verrader gekomen! wat zou het hart van de Heiland meer pijn hebben gedaan? en waarin is het onderscheid gelegen dat Petrus geen Judas werd? Er bestaat geen onderscheid in hun zonde op zichzelf, want vlees is vlees en dat een Petrus zo kon vallen, is echt niet met verontschuldiging licht op te nemen, maar in de wijze waarop zij beiden tot berouw ontwaken is het wezenlijke onderscheid tussen hen te zien. Daarin, dat Petrus nog een oog heeft voor die blik van de Heere, om tot zichzelf te komen, naar buiten te gaan en bitter te huilen, maar Judas alleen nog de schrik voor de Heilige Gods, voor Wie hij vlucht, in plaats van tot Hem te vluchten - daarin openbaart zich aan ons bij de eersten die goddelijke droefheid die dat berouw te weeg brengt, dat niemand berouwt, bij deze de droefheid van de wereld, die niets anders werkt dan de dood.
Petrus heeft zijn schuld niet verkleind, want van hem vernemen wij door Markus de omstandigheid, dat ook het eerste hanengekraai hem nog niet tot nadenken bracht, maar pas het tweede. Het is zeer opmerkelijk dat hij in de weg van zijn bekering als de eerste grote schitterende type van de weg van het heil daar staat, terwijl Judas in zijn berouw de tegenovergestelde weg insloeg en pas de menselijke tevredenheid bij de vijanden, bij wie hij zich bezondigd had, wilde geven, maar zonder op deze weg tot Christus te komen. Wij mogen echter ook de typische betekenis in de aanleiding van de val die Petrus deed, niet onopgemerkt laten - een geringe deurwaarster was het die de eerste discipel, aan wie de sleutels van het hemelrijk waren toegezegd, tot verloochening bracht. Dienstmaagden verschrikten hem en zijn val werd steeds zwaarder naarmate hij zich langer onder de knechten bij het kolenvuur ophield. Zo kan ook een kerkelijke gemeenschap door valse populariteit, door verkeerd gedrag omtrent de verkeerde fanatismen bij het volk, door vermenging met de menigte in haar onheilige richting voor zich de val bereiden.
Bewonderen wij de goedheid en wijsheid van God, tot in het kloppen van het geweten! Schijnbaar zijn gewetensknagingen een straf voor de misdaad die haar heeft veroorzaakt en toch zijn zij genadige roepstemmen om ons onze zonde te laten zien. Heeft God de zondaar door zijn geweten willen laten lijden voor zijn kwaad, het is juist om hem door gevoel van pijn daarvan los te maken en hem te dwingen elders vrede en gemoedsrust te zoeken. De verschrikkelijke toestand die hieruit denkbaar is, zou zijn dat God de schuldige aan zichzelf overlaat, hem in vrede de vruchten van zijn zonde genieten liet. Ook is het de laatste grens van ongeluk en misdaad, de kwelling van het berouw niet te voelen. Kon zo'n toestand volkomen in iemand plaats grijpen, het zou het zekerste bewijs zijn dat God hem verlaten had.