Markus 11:27-33
Wij hebben hier Christus ondervraagd door het grote sanhedrin betreffende Zijne macht of gezag, want zij maakten aanspraak op de macht om van alle profeten rekenschap te eisen betreffende hun zending. Zij kwamen tot Hem toen Hij in den tempel wandelde, niet voor Zijn vermaak of genoegen, maar om het volk te leren, eerst ene groep, en dan een andere. De peripatetische wijsgeren werden met dien naam bestempeld, omdat zij de gewoonte hadden van al wandelende hun onderwijs te geven. De zuilengangen van de voorhoven des tempels waren bijzonder daartoe geschikt. De voorname Joodse oversten en priesters waren ontevreden, toen zij zagen hoe Hij gevolgd en met aandacht werd aangehoord, en daarom kwamen zij op enigszins plechtige wijze tot Hem, en hebben Hem als het ware voor hun rechterstoel gebracht met deze vraag: Door wat macht doet Gij deze dingen? vers 28. Merk nu op:
I. Hoe hun bedoeling hierbij was Hem in de klem te brengen en te verstrikken. Indien zij het voor het volk konden uitwijzen, dat Hij geen wettige opdracht had, dat Hij niet behoorlijk geordend was, al was Hij er nog zo voor geschikt, en al was Zijne prediking ook nog zo nuttig en goed, dan konden zij tot het volk zeggen, dat zij niet naar Hem behoorden te luisteren. Dit maakten zij tot een laatste toevlucht voor hun hardnekkig ongeloof. Omdat zij vast besloten waren Zijne leer niet aan te nemen, waren zij besloten een gebrek of fout in Zijne opdracht te vinden, waardoor zij haar ongeldig, onwettig konden verklaren, daar zij niet overgelegd was in hun raad en niet door hen bekrachtigd was. Evenzo lossen de Roomsgezinden hun geschil met ons grotendeels op in de zending onzer leraren, en zo zij slechts een voorwendsel hebben om die zending ongeldig of onwettig te verklaren, dan denken zij hun zaak te hebben gewonnen, al hebben wij de Schrift ook nog zozeer aan onze zijde. Maar dit is een vraag, waarop allen, die hetzij als magistraten of als Evangeliedienaars optreden, een goed antwoord gereed moeten hebben, ook als zij zich zelven die vraag doen: Door welke macht doe ik deze dingen? Want hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Of hoe kunnen zij met vertrouwen of hoop op een goeden uitslag arbeiden, zo daartoe geen volmacht gegeven is? Jeremia 23:32.
II. Hoe Hij hen volkomen in de engte dreef door de vraag: Wat is uwe mening omtrent den doop van Johannes? Was die uit den hemel of uit de mensen? Op wiens gezag heeft Johannes gepredikt en gedoopt, en discipelen aangenomen? Antwoordt Mij. Vers 30. Handelt billijk en oprecht, en geeft een bepaald antwoord. Door hun vraag op te lossen in de Zijne, geeft onze Heiland te kennen hoe na verwant Zijne leer en doop waren aan die van Johannes. Zij hadden dezelfden oorsprong, dezelfde strekking, hetzelfde doel, namelijk het Evangeliekoninkrijk in te leiden. Christus kon hun des te eerder die vraag voorleggen, daar zij ene commissie uit hun eigen midden naar Johannes hadden afgevaardigd, Johannes 1:19.
Welnu, zegt Christus, wat was de uitslag van uw onderzoek hem betreffende? Zij wisten wel wat zij hiervan dachten, zij konden niet anders dan denken, dat Johannes een man was, van God gezonden. Maar de moeilijkheid bestond hierin, wat ze er nu van zouden zeggen. Mensen, die het zich niet ten plicht stellen om te spreken zoals zij denken, moeten zich zelven wel aldus in verlegenheid brengen.
1. Indien zij erkennen dat de doop van Johannes uit den hemel was, zoals hij ook werkelijk was, dan beschamen zij zich zelven, want Christus zal dit dan terstond tegen hen keren en zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd en hebt gij zijn doop niet ontvangen? Zij konden het niet dragen, dat Christus dit zeggen zou, maar zij konden het wèl dragen, dat hun eigen geweten dit zei, omdat zij de kunst verstonden het te smoren en tot zwijgen te brengen, en omdat wat hun geweten zei hen wel een weinig kon kwellen en kwetsen, maar hen niet zou beschamen. En diegenen kunnen wel gerust en op hun gemak zijn, wier zorg of bekommernis niet verder gaat dan die van Saul, toen hij, van schuld overtuigd zijnde, zei: Eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks, 1 Samuël 15:30.
2. Indien zij zeggen: Uit de mensen, hij was niet van God gezonden, maar zijne leer en zijn doop waren bedenksels van hem zelven, dan stellen zij zich bloot aan de woede des volks, want zij hielden allen van Johannes, dat hij waarlijk een profeet was, en daarom konden zij het niet dragen dat er afkeurend over hem werd gesproken. Er is een vleselijke, slaafse vrees, waaraan niet slechts onderdanen, maar ook boze heersers onderworpen zijn, en die door God gebruikt wordt als een middel om nog enige orde in de wereld te bewaren, en geweld tegen te houden, zodat het niet altijd oprijst tot een roede der goddeloosheid. Voor dit dilemma nu, waarvoor Christus hen gesteld had, waren zij
a. Beschaamd en teleurgesteld, en genoodzaakt een oneervollen aftocht te blazen, door onwetendheid voor te wenden-Wij weten het niet, (en dat was voor die hoogmoedige mensen reeds beschaming genoeg), maar in werkelijkheid door de grootste kwaadwilligheid en eigenzinnigheid aan den dag te leggen. Wij moeten streven om door weldoen datgene te doen wat Christus door Zijne wijsheid heeft gedaan, namelijk den mond te stoppen aan de onwetendheid der dwaze mensen, 1 Petrus 2:15.
b. Christus is er met ere afgekomen, en Hij rechtvaardigde Zijne weigering om op hun gebiedende vraag te antwoorden: Zo zeg Ik u ook niet door wat macht Ik deze dingen doe. Zij verdienden niet dat het hun gezegd werd, want het was duidelijk, dat zij niet streden voor de waarheid, maar voor de zegepraal. Ook was het niet nodig, dat Hij het hun zei, want de werken, die Hij deed, zeiden hun zeer duidelijk dat Hij macht had van God om te doen wat Hij deed, daar niemand de wonderen kon doen, die Hij deed, zo God niet met hem was. Laat hen slechts drie of vier dagen wachten, en Zijne opstanding zal hun zeggen, wie Hem Zijne macht heeft gegeven, want daardoor zal Hij krachtelijk bewezen worden te zijn de Zoon van God, gelijk zij door hun verwerping van Hem, in weerwil hiervan, bewezen zullen worden de vijanden Gods te zijn.