Markus 14:66-72
Wij hebben hier het verhaal van Petrus' verloochening van Christus.
1. Het begon, toen hij zich op een afstand van Hem hield. Petrus was Hem gevolgd van verre, vers 54: en nu was hij "beneden in de zaal, aan het lagere einde der zaal. Zij, die schuw of huiverig zijn van Christus, zijn goed op weg om Hem te verloochenen. Zij zijn schuw van de heilige inzettingen en van gemeenschap met de gelovigen, en worden niet gaarne aan de zijde der geminachte Godsvrucht gevonden.
2. Zij werd teweeggebracht doordat hij zich met de dienaren des hogepriesters vergezelde, en onder hen ging zitten. Zij, die het gevaarlijk vinden om in gezelschap met Christus discipelen te zijn, omdat zij daardoor ook in gevaar komen van voor Hem te lijden, zullen bevinden dat het veel gevaarlijker is om in gezelschap van Zijne vijanden te zijn, omdat zij dan gevaar lopen van tegen Hem te zondigen.
3. De verzoeking bestond daarin, dat hij beschuldigd werd een discipel van Christus te zijn, Ook gij waart met Jezus den Nazarener, vers 67, "Deze is een van die", vers 69, "want gij zijt ook een Galileër, men kan dit horen aan uwe spraak, vers 70. Het blijkt niet dat hij er bepaald om gelaakt werd, of er in gevaar door kwam om er als misdadiger om vervolgd te worden, hij werd er slechts om bespot, hij kwam slechts in gevaar dat hij deswege voor een dwaas zou worden gehouden. Terwijl de overpriesters den Meester beledigden, hebben hun dienaren de discipelen beledigd. De zaak van Christus schijnt soms zozeer aan de verliezende zijde te zijn, dat iedereen een steen heeft om er naar te werpen. Toen Job op den mesthoop zat, strekte hij ten spot aan hen, die "kinderen der dwazen en kinderen van geen naam waren, Job 30:8. Maar, alles wel beschouwd, kon de verzoeking toch niet heel ontzettend genoemd worden. Het was slechts een dienstmaagd, die, als bij geval, hem had aangezien, en, voor zoveel blijkt, zonder de bedoeling van he m moeite of leed te veroorzaken. Zij zei: Gij zijt een van die, waarop hij niet had behoeven te antwoorden, of hij had kunnen zeggen: "welnu, als ik dat ben, hoop ik dat daar geen misdaad of verraad in is gelegen."
4. De zonde was zeer groot, hij heeft Christus verloochend voor de mensen, op een ogenblik toen hij Hem had behoren te erkennen en te belijden, en toen hij voor de rechtbank als getuige voor Hem had moeten verschijnen. Christus heeft Zijn discipelen dikwijls Zijn lijden aangekondigd, maar toen dit lijden daar was, was het voor Petrus een zo grote verrassing en verschrikking, alsof hij er nooit tevoren van had gehoord. Hij had hun dikwijls gezegd, dat zij om Zijnentwil moesten lijden, dat zij hun kruis moesten opnemen en Hem volgen, en toch is Petrus zo bevreesd voor lijden, dat hij op het eerste teken of gerucht er van wil liegen en zweren en alles doen om er aan te ontkomen. Toen Christus bewonderd werd en de menigte tot Hem toestroomde, kon hij Hem wel geredelijk erkennen, maar nu Hij verlaten en veracht en ter neergeworpen is, schaamt hij zich Zijner, en wil niet erkennen dat hij in betrekking tot Hem staat.
5. Zeer spoedig volgde zijn berouw. Driemaal heeft hij zijne verloochening herhaald, en de derde keer was het ergste, want toen begon hij zich te vervloeken en te zweren om zijne loochening te bevestigen, en die derde slag, die hem, naar men zou denken, moest verdoofd en terneder geworpen hebben, verschrikte hem en heeft hem opgewekt. Toen kraaide de haan voor de tweede maal, hetgeen hem de woorden zijns Meesters voor den geest bracht, de waarschuwing, die Hij hem had gegeven met die bijzondere omstandigheid van het tweemaal kraaien van den haan. Door die herinnering werd hij zich zijner zonde bewust en gevoelde hij het verzwarende er van: en bij die gedachte weende hij. Sommigen hebben opgemerkt dat deze evangelist, die naar sommiger mening onder leiding van Petrus geschreven heeft, even uitvoerig over Petrus' zonde spreekt als al de anderen, maar minder uitvoerig over zijn berouw, zijne smart, die Petrus in zijne bescheidenheid niet vergroot wilde hebben, daar hij ook dacht nooit smart genoeg te kunnen gevoelen over zo groot ene zonde. Zijn berouw is hier dus uitgedrukt epibaloon eklaie, op ene wijze waar iets in aangevuld moet worden. "Wenende weende" hij, lezen hier sommigen, die het tot een Hebraïsme maken. Hij weende, en hoe meer hij er aan dacht, hoe meer hij weende. Hij bleef wenen, hij barstte los in tranen, hij wierp zich neer en weende, hij bedekte zich het gelaat en weende, lezen hier sommigen. Hij wierp zijn kleed over zijn hoofd, opdat men niet zou zien dat hij weende, hij sloeg zijne ogen op zijn Meester, die zich omkeerde en hem aanzag, alzo wordt het door Dr. Hammond aangevuld, en deze gissing heeft de meeste waarschijnlijkheid voor zich. Of, zoals wij het verstaan, zijn geest hierbij bepalende, weende hij. Het is geen voorbijgaande gedachte aan hetgeen verootmoedigend is, die volstaan zal, wij moeten er bij verwijlen. Zou het woord niet ook kunnen betekenen: hij legde zich zelven den last op, waardoor zijn aangezicht met schaamte als overdekt werd? Hij deed zoals de tollenaar, die zich op de borst sloeg in smart over zijne zonde, en dit staat gelijk met zijn bitterlijk wenen.