Nehemia 1:1-4
Van welke stam Nehemia was blijkt nergens maar indien het waar is wat de schrijver van het boek van de Maccabeen ons zegt, Boek 11. Hoofdstuk 1:18, dat hij offeranden offerde, dan moeten wij tot de gevolgtrekking komen dat hij een priester was. Hier wordt ons gezegd dat hij in het paleis te Susan was, de koninklijke stad van de koning van Perzië, waar gewoonlijk het hof werd gehouden, vers 1, hij was de schenker van de koning. Koningen en hoge, aanzienlijke personen beschouwden het waarschijnlijk als iets groots en deftige, om dienaren te hebben, die tot een andere nationaliteit behoorden. Door zijn betrekking aan het hof:
1. Kon hij te beter geschikt en bekwaam gemaakt worden voor de dienst van zijn land op de post, die God voor hem bestemd had zoals Mozes er geschikter door werd om te regeren, dat hij aan Farao's hof, en David dat hij aan Sauls hof was opgevoed.
2. Hij had beter gelegenheid om zijn land te dienen door zijn invloed op de koning en diens omgeving.
Merk op: hij maakt geen haast om ons te zeggen tot hoe hoog ambt hij aan het hof bevorderd was, het is niet vóór het einde van het hoofdstuk, dat hij ons zegt dat hij de schenker van de koning was- een post van groot vertrouwen, zowel als van eer en groot gewin-toen hij het niet kon vermijden om er melding van te maken, vanwege het verhaal dat moest volgen, maar in het eerst zegt hij slechts: ik was te Susan in het paleis, waaruit wij kunnen leren nederig en bescheiden te zijn en traag om van onze eigen bevordering te spreken. Maar in de leidingen van Godsvoorzienigheid met hem kunnen wij tot onze vertroosting opmerken:
a. Dat, als God werk te doen heeft, Hij nooit om werktuigen verlegen is, om het te doen.
b. Dat God voor hen, die Hij in Zijn dienst wil gebruiken, geschikte middelen zal vinden om hen er voor te bekwamen en hen er toe te roepen.
c. Dat God Zijn overblijfsel heeft aan alle plaatsen. Wij lezen van Obadja in het huis van Achab, van heiligen in het huis van de keizer, en van een Godvruchtige Nehemia in het paleis te Susan.
d. Dat God de hoven van vorsten tot kweekplaatsen en soms tot heiligdommen kan maken voor de vrienden en beschermers voor de belangen van de kerk.
Nu hebben wij hier:
I. Nehemia's teder en belangstellend vragen naar de toestand van de Joden in hun eigen land, vers 2. Het gebeurde, dat één van zijn vrienden en bloedverwanten met nog ander gezelschap aan het hof kwam, door wie hij ten volle ingelicht kon worden betreffende de kinderen van de gevangenschap, en de toestand, waarin Jeruzalem, de beminde stad, zich bevond. Nehemia leefde in welvaart, eer en overvloed, maar hij kan niet vergeten dat hij een Israëliet is, kan de gedachte aan zijn broederen, die in droefenis zijn, niet van zich afschudden, maar in de geest "bezoekt hij hen," zoals Mozes Handelingen 7:23, "en beziet hun lasten." De afstand van plaats heeft zijn genegenheid voor hen niet doen afnemen, zij waren uit zijn oog, maar niet uit zijn hart. Die genegenheid is ook niet verflauwd: 1. Door de waardigheid, waartoe hij was bevorderd. Hoewel hij een aanzienlijk man was en waarschijnlijk tot nog hoger eerambt bevorderd zou worden, heeft hij het toch niet beneden zich geacht kennis te nemen van zijn broederen, die gering en veracht waren, ook schaamde hij zich niet tot hen in betrekking te staan en belang in hen te stellen.
2. Door hun verschil van gevoelen, en dientengevolge ook van handelwijze met hen. Hoewel hijzelf niet naar Jeruzalem is gegaan om er zich te vestigen (zoals hij, denken wij, had behoren te doen, nu de vrijheid daartoe was uitgeroepen), maar aan het hof is gebleven, heeft hij daarom hen niet geoordeeld of veracht die teruggekeerd waren, legde hij hun geen onverstand ten laste, maar bleef hartelijk in hen belangstellen en was bereid hun alle goede diensten te bewijzen, die hij kon. En om nu te weten te komen op wat wijze hij. hun vriendelijkheid kon bewijzen, vroeg hij naar hen. Het is geoorloofd en goed om te vragen: "hoe gaat het?" Zeer bijzonder moeten wij vragen naar de toestand van de kerk en van de Godsdienst, en hoe het gaat met het volk Gods, en het doel van ons vragen moet wezen, niet zoals van de Atheners, om iets te hebben om over te praten, maar om te weten waarvoor wij hebben te bidden of te danken.
II. Het treurige bericht, dat hem gegeven wordt van de tegenwoordige toestand van de Joden en van Jeruzalem, vers 3. Van Hanani, aan wie hij er naar vroeg, wordt gezegd dat hij Godvrezend was boven velen, Hoofdst. 7:2, en daarom zal hij niet slechts naar waarheid maar ook met tederheid spreken van de treurige toestand van Jeruzalem. Waarschijnlijk is hij nu naar het hof gekomen om de een of andere gunst of om hulp te verzoeken, die zij nodig hadden. Het bericht nu, dat hij geeft, is:
1. Dat het heilig zaad ellendig verdrukt en vertreden werd, in grote ellende en versmaadheid is, bij alle gelegenheden beledigd wordt door hun naburen, zat is des spots van de weelderigen.
2. Dat de heilige stad bloot lag en in puin. De muur van Jeruzalem was nog afgebroken en de poorten waren, zoals de Chaldeen ze gelaten hadden, in puin. Dit maakte de toestand van de inwoners zeer smadelijk als nog onder de tekenen zijnde van armoede en slavernij, en ook zeer gevaarlijk, want hun vijanden konden, als het hun beliefde, een gemakkelijke prooi van hen maken. De tempel was gebouwd, de regering gevestigd, en een werk van reformatie enigszins tot stand gebracht, maar er was een goed werk, dat nog niet gedaan was en nog gedaan moest worden. In elk Jeruzalem, aan deze zijde van het hemelse, zal nog het een of ander gebrek zijn, om hetwelk te verhelpen de bijstand en dienst van zijn vrienden vereist worden.
III. De grote smart, die dit bij Nehemia teweegbracht, vers 4.
1. Hij weende en bedreef rouw. Het was niet slechts op het ogenblik toen hij die tijding hoorde, dat hij in tranen uitbarstte, maar verscheidene dagen bleef zijn droefheid aanhouden. De rampen en droefenissen van de kerk moeten ons een oorzaak zijn van smart, al is het ook, dat wijzelf in welvaart en vrede leven.
2. Hij vastte en bad, niet in het openbaar, daar had hij de gelegenheid niet toe, maar voor het aangezicht van de God des hemels, die in het verborgene ziet en in het openbaar zal vergelden. Door dit vasten en bidden: a. Heiligde hij zijn smart, was hij bedroefd naar God, met het oog op God, omdat Zijn naam gesmaad werd in de smaad, die over zijn volk was geworpen wier zaak hij aldus aan Hem overgaf.
b. Verrichtte hij zijn smart, ontlastte hij zijn gemoed door zijn klacht uit te storten voor God en haar aan Hem over te geven.
c. Volgde hij de rechte methode om hulp te verkrijgen voor Zijn volk, en leiding voor zichzelf voor de wijze, waarop hij hen dienen kon. Laat hen, die goede plannen vormen voor de dienst van het algemeen, God medenemen van het begin af, en al hun bedoelingen en voornemens voor Hem uitspreken, dat is het middel om er voorspoedig in te zijn.