Mattheus 27:57-66
Wij hebben hier het bericht van Christus' begrafenis, en de wijze waarop zij heeft plaatsgehad. Wij hebben hieromtrent te letten op:
1. De vriendelijkheid en den goeden wil Zijner vrienden, die Hem in het graf hebben gelegd.
2. De boosaardigheid en de slechte gezindheid Zijner vijanden, die de uiterste zorg droegen om Hem in het graf te houden.
I. Zijne vrienden gaven Hem een eerlijke begrafenis. Merk op:
1. In het algemeen, dat Jezus Christus begraven werd. Toen Zijn gezegende ziel naar het paradijs ging, is Zijn gezegend lichaam in de kamers des grafs gelegd, opdat Hij zou beantwoorden aan het type van Jona, en de profetie van Jesaja zou vervullen. Zo moest Hij in alles den broederen gelijk gemaakt worden, uitgenomen in de zonde. en, evenals wij, moest Hij tot het stof wederkeren. Hij werd begraven, opdat Zijn dood des te zekerder zou blijken, en Zijne opstanding des te heerlijker zou zijn. Pilatus zou Zijn lichaam niet hebben overgegeven, eer hij er volkomen zeker van was, dat Hij wel waarlijk was gestorven. Zolang de getuigen nog onbegraven lagen, was er nog enige hoop voor hen, Openbaring 11:8. Maar Christus, de grote getuige, is afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen. Hij was begraven, om den schrik des grafs weg te nemen en het ons licht en gemakkelijk te maken, dat koude walgelijke bed voor ons te verwarmen en te doorgeuren, en opdat wij met Hem begraven zouden zijn.
2. De bijzondere omstandigheden van Zijne begrafenis, die hier verhaald worden.
a. De tijd, wanneer Hij begraven werd, als het avond geworden was, de avond van den dag, waarop Hij was gestorven, voor zonsondergang zoals de gewoonte was voor het begraven van kwaaddoeners. Het werd niet uitgesteld tot den volgenden dag, omdat dit de sabbat was, want het begraven van doden is geen voegzaam werk voor een dag van rust of voor een dag van blijdschap, zoals de sabbat is.
b. De persoon, die voor de begrafenis zorgde was Jozef van Arimathea. De apostelen waren allen gevloden, en geen hunner verscheen om hun Meester die laatste eer te bewijzen, die de discipelen van Johannes wèl aan hun meester bewezen hebben, nadat deze onthoofd was, zij namen het lichaam weg en begroeven het, Hoofdstuk 14:12. De vrouwen, die Hem volgden, durfden hierin niet handelen. Toen heeft God dien godvruchtigen man opgewekt om dit te doen, want voor het werk, dat God te doen heeft, zal Hij werktuigen vinden om het te doen. Jozef was hier de geschikte man, want hij had er de middelen voor, daar hij rijk was. De meesten van Christus' discipelen waren arm, dezulken waren het meest geschikt om het land door te gaan en het Evangelie te prediken, maar hier was een rijk man, bereid om voor een dienst gebruikt te worden, waarvoor een man van vermogen nodig was. Hoewel wereldse rijkdom voor velen een hinderpaal is op den weg der godsvrucht, is hij voor sommige diensten, die voor Christus gedaan moeten worden, een voorrecht en een goede gelegenheid, en voor hen, die hem bezitten, zal het goed zijn als zij daarbij ook een hart hebben om hem te gebruiken tot Gods eer. c. Hij was onzen Heere Jezus welgezind, want hij was ook zelf een discipel van Jezus, hij geloofde in Hem, hoewel hij dit niet openlijk heeft beleden. Christus heeft meer verborgen discipelen dan wij weten, zevenduizend in Israël, Romeinen 11:4.
d. De schenking van het dode lichaam van Pilatus verkregen, vers 58. Jozef kwam tot Pilatus, den bevoegden persoon tot wie hij zich hiervoor had te wenden, die de beschikking had over het lichaam, want voor alles wat de macht der overheid betreft, moet op die macht behoorlijk acht worden geslagen, en niets moet gedaan worden, dat daar tegen ingaat. Het goede, dat wij doen, moeten wij doen op vreedzame wijze, en niet met luidruchtigheid of oproerigheid. Pilatus was bereid om het lichaam te geven aan iemand, die het met betamelijkheld zou begraven, ten einde toch iets te doen om de schuld te verzoenen, die hij op zijn geweten had van een onschuldige ter dood te hebben veroordeeld. In Jozefs verzoek en in Pilatus, geredelijk toestaan van dat verzoek werd aan Christus eer bewezen, en een getuigenis afgelegd van Zijne oprechtheid en onschuld.
e. Het omhullen van het lichaam in grafklederen, vers 59. Hoewel hij een achtbaar persoon, een raadsheer was, heeft hij toch, naar het schijnt, zelf het lichaam in zijne armen van het vloekhout genomen, Handelingen 13:29, want als er ware liefde voor Christus is, zal men geen dienst te gering achten, dien men Hem kan bewijzen. Het lichaam genomen hebbende, wond hij het in een zuiver lijnwaad, want het was toen de gewoonte om de lijken in linnen te begraven, en Jozef heeft die gewoonte gevolgd. Er behoort zorg te worden gedragen voor de dode lichamen van Godvruchtigen, want er is heerlijkheid voor hen weggelegd bij de opstanding, en wij moeten hierdoor van ons geloof daaraan getuigen, en het dode lichaam behandelen als bestemd zijnde voor een betere plaats. Deze daad van gewone menselijkheid zal, als zij op Godvruchtige wijze geschiedt, een lieflijk blijk van Christelijke gezindheid zijn.
f. De neder legging er van in het graf, vers 60. Hier was niets te zien van de praal en plechtigheid, waarmee groten dezer wereld naar de graven gebracht worden. Job 21:32. Een stille begrafenis paste het best voor Hem, wiens koninkrijk niet komt met uiterlijk gelaat. Hij werd neergelegd in een geleend graf, in Jozefs begraafplaats. Evenals Hij geen eigen huis had, waarin Hij het hoofd kon neerleggen, terwijl Hij leefde, zo had Hij ook geen eigen graf, om er Zijn lichaam in neer te leggen toen Hij dood was, hetgeen een voorbeeld was van Zijne armoede, toch kan hierin wel iets van ene verborgenheid zijn. Het graf is het bijzonder erfdeel des zondaars, Job 24:19. Er is niets, dat wij waarlijk het onze kunnen noemen dan onze zonde en ons graf, hij keert wederom tot zijne aarde, Psalm 146:4. Als wij naar het graf gaan, gaan wij naar onze eigen plaats, maar onze Heere Jezus, die geen eigen zonde had, had geen eigen graf, stervende onder toegerekende zonde, was het voegzaam, dat Hij in een geleend graf zou worden begraven. De Joden bedoelden, dat Hij Zijn graf bij de goddelozen gesteld zou hebben, begraven zou worden bij de moordenaars, met wie Hij gekruisigd was geworden, maar God beschikte het zo, dat Hij bij de rijken in Zijn dood is geweest, Jesaja 53:9.
g. Hij werd in een nieuw graf gelegd, dat Jozef waarschijnlijk voor zich zelven bestemd had. Het zou er echter niet slechter om worden, dat Hij er in gelegen heeft, die zo spoedig zou opstaan, maar wèl zou het er veel beter om worden, dat Hij er in gelegen heeft, die de eigenschap van het graf zou veranderen, het inderdaad nieuw zou maken, door het in ene legerstede der rust te verkeren, ja tot een bed van specerijen voor al de heiligen. h. In een graf, dat in ene steenrots was uitgehouwen, de grond rondom Jeruzalem was over het algemeen rotsachtig. Sebna had daaromtrent zijn graf in ene rots uitgehouwen, Jesaja 22:6. De voorzienigheid heeft het zo beschikt, dat het graf van Christus in een vaste, gave rots zou zijn, opdat er gene mogelijkheid zou zijn om te vermoeden of te veronderstellen, dat Zijne discipelen er toegang toe hadden door een onderaardsen gang, of door den achtermuur er van gebroken te hebben, om het lichaam te stelen, want er was geen andere toegang dan door de deur, die bewaakt werd. Een grote steen was tegen de deur des grafs gewenteld. Ook dit was overeenkomstig de gewoonte der Joden bij het begraven hunner doden,.zoals blijkt uit de beschrijving van het graf van Lazarus, Johannes 11:38, aanduidende dat de doden afgescheiden en afgesneden zijn van de levenden. Indien het graf Zijne gevangenis was, dan was de gevangenisdeur nu gesloten en gegrendeld. Het rollen van den steen op den mond des grafs was voor hen wat voor ons het aanvullen van het graf is met aarde, het voltooide de begrafenis. Daar zij nu in stille smart het dierbaar lichaam onzes Heeren Jezus in het graf hadden gelegd, het huis, bestemd voor alle levenden, gingen zij weg, zonder enige andere plechtigheid te verrichten. Het is de treurigste omstandigheid bij het begraven van onze Christelijke vrienden, als wij hun lichaam in het stille, sombere graf hebben gelegd, naar huis te gaan en hen achter te laten, maar helaas, het is niet dat wij naar huis gaan en hen achterlaten, neen, zij zijn het, die naar het betere huis zijn gegaan en ons hebben achtergelaten.
i. Het gezelschap, dat de begrafenis bijwoonde, en dat was zeer klein en onaanzienlijk. Hier waren gene bloedverwanten in rouw om het lijk te volgen, gene formaliteiten om de plechtigheid te verhogen, het waren slechts enige godvruchtige vrouwen, die de ware rouwbedrijvenden zijn geweest-Maria Magdalena en de andere Maria, vers 61. Gelijk dezen Hem gevolgd waren tot aan het kruis, zo volgden zij Hem nu naar het graf, en als gaven zij zich over aan droefheid en rouw, zaten zij tegenover het graf, niet zozeer om hare ogen te verzadigen met het gezicht op hetgeen geschied was, als wel om ze te ontledigen in stromen van tranen. Ware liefde tot Christus zal ons ten einde toe door helpen om Hem te volgen. De dood zelf kan dat Goddelijk vuur niet uit- blussen, Hooglied 8:6, 7.
II. Zijne vijanden deden wat zij konden om Zijne opstanding te beletten, wat zij hiervoor deden was des anderen daags, welke is na de voorbereiding, vers 62. Dat was de zevende dag der week, de Joodse sabbat, niet uitdrukkelijk zo genoemd, maar aangeduid door de omschrijving, omdat hij nu weldra plaats zou maken voor den Christelijken sabbat, die den dag daarna begon. Nu had Christus dien gehelen dag dood in het graf gelegen, zes dagen gearbeid hebbende en al Zijn werk volbracht hebbende, rustte Hij op den zevenden dag, en was verkwikt. Op dien dag hebben de overpriesters en de Farizeeën toen zij hun Godsdienstplichten hadden moeten waarnemen, biddende om vergeving voor de zonden van de voorbijgegane week, met Pilatus onderhandeld over de verzegeling van het graf, tot hun zonde nog overtreding toevoegende. Zij, die zo dikwijls met Christus getwist hadden wegens werken van de grootste barmhartigheid op dien dag, hielden zich nu zelven bezig met een werk van de grootste boosaardigheid. Merk hier op:
a. Hun toespraak tot Pilatus. Zij waren er om geërgerd en verontrust, dat het lichaam gegeven was aan iemand, die het met betamelijkheid zou begraven, daar dit nu echter zo was, verlangen zij dat er een wacht bij het graf geplaatst zou worden. Hun verzoek doet uitkomen, dat deze verleider (of bedrieger, zo noemen zij Hem, die de waarheid zelf is) gezegd heeft: Na drie dagen zal ik opstaan. Dat had Hij gezegd en de discipelen herinnerden zich diezelfde woorden ter bevestiging van hun geloof, maar Zijne vervolgers gedenken ze en worden er door opgewekt tot woede en boosaardigheid. Zo was hetzelfde woord van Christus voor den een ene reuk des levens ten leven en voor den ander ene reuk des doods ten dode. Zie hoe zij Pilatus vleiend aanspreken met den titel van heer, terwijl zij Christus smaden met den titel van verleider. Zo zijn de boosaardigste lasteraars van goede en godvruchtige mensen meestal de laaghartigste vleiers van de groten der wereld.
b. Zij geven hun achterdocht te kennen: Opdat zijne discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen hem, en zeggen: hij is opgestaan. Ten eerste. Waar zij in werkelijkheid voor bevreesd waren, was Zijne opstanding. Datgene was het meest tot eer van Christus is en tot blijdschap van Zijn volk, is het meest tot schrik van Zijne vijanden. Wat Jozefs broeders het meest in woede tegen hem ontstak, was het voorteken van zijne verheffing, en dat hij heerschappij over hen zou hebben, Genesis 37:8, en wat zij beoogden in alles wat zij tegen hem deden, was dit te voorkomen. Komt en laat ons hem doden, zeggen zij, zo zullen wij zien wat van zijne dromen worden zal. Zo hebben ook de overpriesters en de Farizeeën gewerkt om de voorzeggingen van Christus' opstanding te logenstraffen, evenals David's vijanden van hem zeggende: Hij die neerligt, zal niet weer opstaan. Psalm 41:9. Indien Hij nu zou opstaan, dan zouden al hun maatregelen vruchteloos zijn. Zelfs als Christus' vijanden hun wens verkregen hebben, zijn zij nog bevreesd van weer te verliezen wat zij gewonnen hebben. Wellicht waren de priesters verrast en verwonderd over den eerbied, die door Jozef en Nicodemus, twee achtbare raadsheren, aan het lichaam van Christus betoond werd, en beschouwden zij dit als een slecht voorteken. Ook kunnen zij Zijne opwekking van Lazarus niet vergeten, waardoor zij zozeer beschaamd en in verwarring waren gekomen.
Ten tweede. De zaak, waarvoor zij zeiden bevreesd te zijn, was, dat Zijne discipelen bij nacht zouden komen en Hem stelen, hetgeen iets zeer onwaarschijnlijks was, want:
1. Zij hadden den moed niet Hem te erkennen toen Hij nog leefde, toen zij Hem en zich zelven nog werkelijken dienst hadden kunnen bewijzen. en nu was het niet waarschijnlijk, dat Zijn dood dezen laf hartigen moed zou hebben ingeblazen.
2. Wat konden zij zich goeds voorstellen door Zijn lichaam te stelen en het volk te doen geloven, dat Hij was opgestaan, wanneer, indien Hij niet opstond en Hij alzo een bedrieger bleek te zijn, Zijne discipelen, die alles in deze wereld voor Hem hadden verlaten in de vaste hoop en verzekerdheid op ene beloning in de toekomende wereld, meer dan ieder ander zouden lijden onder het bedrog, en wel reden zouden gehad hebben om van allen het eerst Zijn naam te schandvlekken? Wat goed zou het hun doen een bedrog voort te zetten, waarvan zij zelven de slachtoffers waren, Zijn lichaam te stelen en te zeggen: Hij is opgestaan, wanneer toch, zo Hij niet was opgestaan, hun geloof ijdel, en zij zelven de ellendigsten van alle mensen zouden zijn? De overpriesters vrezen dat, zo de leer van Christus' opstanding gepredikt en geloofd wordt, de laatste dwaling erger zou zijn dan de eerste, een spreekwoordelijke uitdrukking, welke alleen betekent, dat het dan met ons allen gedaan zou zijn. Zij denken, dat het ene dwaling was van hen, dat zij zolang Zijne prediking en Zijne wonderen oogluikend hadden toegelaten, welke dwaling zij meenden verbeterd te hebben door Hem ter dood te brengen. Maar indien de mensen nu overgehaald werden om in Zijne opstanding te geloven, dan zou dit weer alles bederven. Zijn invloed zou met Hem herleven, en de hun moest dan wel afnemen, daar zij Hem zo barbaars vermoord hadden. Zij, die Christus en Zijn koninkrijk tegenstaan, zullen zich niet slechts in hun pogingen teleurgesteld zien, maar zullen zelven ook in de grootste verlegenheid worden gebracht, daar zij van de ene dwaling in de andere vervallen, waarvan de laatste de ergste van allen is, Psalm 2:4, 5. In aanmerking hiervan doen zij nederig het voorstel om tot aan den derden dag ene wacht bij het graf te plaatsen. Beveel dat het graf verzekerd worde. Pilatus moet nog altijd hun vuil werk verrichten, zijn burgerlijke en militaire macht moet ten dienste van hun boosaardigheid gebruikt worden. Men zou zo gedacht hebben, dat de gevangenen van den dood gene wacht meer behoeven, en dat het graf genoeg zekerheid biedt voor zich zelven, maar wat zullen diegenen niet vrezen, die zich zowel van schuld als van onmacht bewust zijn in hun tegenstaan van den Heere en van Zijn Gezalfde?
b. Pilatus' antwoord, vers 65.
Gij hebt ene wacht, gaat heen, verzekert het gelijk gij het verstaat. Hij was bereid om Christus' vrienden ter wille te zijn door hun het lichaam te geven, en Zijn vijanden om er ene wacht bij te plaatsen, hen allen te vriend willende houden, terwijl hij hen in stilte bespotte om de beweging, die zij maakten om het dode lichaam van een mens, daar hij de hoop der enen even belachelijk vond als de vrees der anderen. Gij hebt ene wacht, hij bedoelde de geregelde wacht in den toren van Antonia, waaruit hij hun toestaat zoveel manschappen te nemen als hun voor dit doel goeddocht. Alsof hij zich schaamde om zelf in zulk ene zaak gezien te worden, laat hij de schikking hiervan geheel aan hen over. Mij dunkt dit woord: Maakt het zo zeker als gij kunt doet wel enigszins aan spotternij denken, hetzij met hun vrees: Stel toch vooral een sterke wacht bij dien dode, of liever met hun hoop.
Doet wat gij kunt, wendt al uw vernuft en al uwe kracht aan, zo Hij echter van God is, zal Hij ten spijt van u en uwe wacht toch opstaan. Ik ben geneigd te denken, dat Pilatus toen al eens met den hoofdman over honderd zal gesproken hebben, zijn eigen officier, aan wie hij wel gevraagd kan hebben, hoe deze rechtvaardige gestorven is, dien hij met zoveel tegenzin had veroordeeld, en dat deze hem zulk een bericht van het voorgevallene gegeven zal hebben, dat hij tot de gevolgtrekking kwam, dat Hij waarlijk Gods Zoon was, en Pilatus zou hem meer geloof schenken dan aan duizend van die boosaardige priesters, die Hem een verleider of bedrieger noemden. Indien dit nu zo was, geen wonder dan, dat hij in stilte den spot drijft met hun plan, waarbij zij zich inbeelden het graf gesloten te kunnen houden voor Hem, die nog zo kort geleden de rotsen heeft doen scheuren en de aarde beven. Van Pilatus sprekende, zegt Tertullianus: In zijn geweten was hij een Christen, en het is mogelijk, dat hij na het bericht van den hoofdman over honderd toen tot zulk ene overtuiging is gekomen, hoewel hij, evenmin als Agrippa of Felix, bewogen is geworden om een Christen te zijn.
c. De grote zorg, die zij toen aanwendden om het graf te verzekeren, vers 66. Zij verzegelden den steen, waarschijnlijk met het grote zegel van het sanhedrin, waarmee zij dus hun gezag lieten gelden, immers, wie zou het wagen dit zegel te verbreken? Daar zij dit echter nog niet veilig genoeg achtten, plaatsten zij de wacht, om Zijne discipelen te weerhouden van Hem te stelen en, zo mogelijk, Hem te beletten om uit te gaan uit het graf. Zo bedoelden zij het, maar God heeft er dit goede uit laten voortkomen, dat zij, die aangesteld waren om Zijne opstanding te beletten, hierdoor de gelegenheid hadden om haar te zien, en haar ook gezien hebben, en aan de overpriesters hebben meegedeeld wat zij hebben waargenomen, zodat dezen er nu nog te minder door verontschuldigd konden worden. Hier waren al de machten van de aarde en de hel saamverbonden om Christus gevangen te houden, maar het was tevergeefs, toen Zijne ure was gekomen hebben de dood en al deze kinderen en erfgenamen des doods Hem niet langer kunnen houden, en gene heerschappij meer over Hem gehad. Het graf te bewaken uit vrees voor die arme, zwakke discipelen was dwaasheid, omdat het nutteloos was, maar te denken, dat zij het tegen de macht van God konden bewaken of bewaren was dwaasheid, omdat dit vruchteloos was, en toch dachten zij nu zeer wijselijk gehandeld te hebben.