Lukas 22:54-62
Wij hebben hier de treurige geschiedenis van Petrus' verloochening van zijn Meester, op het ogenblik toen Hij terechtstond voor den hogepriester, en toen zij, die van het complot waren, gereed waren om hun prooi te ontvangen, en het materiaal voor Zijne beschuldiging te verzamelen voor het sanhedrin, zodra het dag zou geworden zijn, vers 66. Maar er wordt hier niet, zoals door de andere evangelisten, nota van genomen, dat Christus nu een verhoor onderging bij den hogepriester: er wordt slechts gezegd, dat Hij in het huis des hogepriesters gebracht werd, vers 54. De wijze van uitdrukking is echter opmerkelijk. Zij grepen Hem, en leidden Hem weg, en brachten Hem, hetgeen, dunkt mij, gelijkt op hetgeen van Saul vermeld wordt, 1 Samuël 15:12, hij is omgetogen, en doorgetrokken, en afgekomen, en aanduidt dat zij, zelfs nadat zij zich van hun prooi meester hadden gemaakt, nog in verwarring waren, en uit vrees voor het volk, of liever, inwendig door schrik bevangen wegens hetgeen zij gezien en gehoord hadden, Hem langs een verren omweg gebracht hadden, of eigenlijk, dat zij niet wisten, waarheen zij Hem voortjoegen vanwege de onrust en gejaagdheid in hun eigen hart. Merk nu op:
I. Petrus' val.
1. Het begon in een laag wegkruipen. Hij volgde Christus, toen Hij als gevangene werd weggeleid, dat was goed, en toonde liefde en bezorgdheid voor zijn Meester. Maar hij volgde van verre, teneinde buiten gevaar te zijn. Hij dacht de zaak te schikken, Christus te volgen en aldus zijn geweten te bevredigen, maar slechts van verre te volgen, om aldus niet in kwaad gerucht te komen en geen schade te lijden.
2. Het kwaad ging voort voor Petrus, door dat hij zich op een afstand bleef houden, en het gezelschap zocht van de dienaren des hogepriesters, toen hij zich aan de zijde zijns Meesters had moeten bevinden. De dienaren hadden een vuur ontstoken in het midden van de zaal, en zij zaten tezamen neer om over hun nachtelijke expeditie te spreken. Waarschijnlijk was Malchus onder hen, en Petrus zat in het midden van hen, alsof hij tot hen behoorde, hij wilde tenminste dat hij daarvoor gehouden zou worden. Zijn val bestond in het loochenen van alle bekendheid met Christus, of dat hij in enigerlei betrekking tot Hem had gestaan, hij verloochende Hem, omdat Hij zich nu in moeite en gevaar bevond. Door een eenvoudige, onbeduidende dienstmaagd van het huis werd hem ten laste gelegd, dat hij een volgeling was van dezen Jezus, ten opzichte van wie er nu zoveel te doen was. Zij zag hem ernstig aan, terwijl hij daar bij het vuur zat, alleen maar omdat hij een vreemdeling was, iemand, dien zij tevoren niet gezien had, en tot de gevolgtrekking komende, dat er in dit nachtelijk uur geen onverschillige toeschouwers daar konden zijn, en hem niet kennende als tot het huis van den hogepriester behorende, besluit zij dat hij een der volgelingen van Jezus moest wezen. Of wellicht was zij in den tempel geweest en had er Jezus gezien, en Petrus bij Hem, Hem dienende, en herinnerde zij zich dat toen ook deze met Hem was, en zei zij het. En Petrus had den moed niet om de beschuldiging als waar te erkennen, en evenmin had hij de tegenwoordigheid van geest om haar af te leiden, hetgeen hij op velerlei wijze had kunnen doen en daarom ontkent hij haar ronduit: Vrouw! ik ken hem niet.
3. Hij valt voor de tweede maal, vers 58, Kort daarna, eer hij tijd had om zich te bezinnen, een ander, hem ziende, zei: Ook gij zijt van die, al zit gij nog zo stil en sluw onder de dienaren des hogepriesters. Mens! zegt Petrus, ik ben niet. En een derde maal ongeveer een uur later (want, zegt de verzoeker, nu hij gevallen is, moet hij nog dieper vallen, totdat er geen opstaan meer mogelijk is) bevestigde dat een ander, zeggende: in der waarheid, ook deze was met hem, laat hem het loochenen zo hij kan, maar gij kunt allen zien dat hij ook een Galileër is. Maar hij, die eens gelogen heeft, is in zeer sterke verzoeking om het nogmaals te doen, in de leugen te volharden, het begin dier zonde is gelijk een, die het water opening geeft. Petrus ontkent nu niet alleen, dat hij een discipel van Christus is, maar ook dat hij iets van Hem weet, vers 60. Mens! ik weet niet, wat gij zegt, ik heb nooit van dien Jezus gehoord".
II. Petrus' wederoprichting. Zie, hoe gelukkig hij tot zich zelven is gekomen, of liever, hoe Gods genade hem heeft opgericht. Hoe dit gebeurde:
1. De haan kraaide op het ogenblik, toen Petrus voor de derde maal loochende dat hij Christus kende, dit verschrikte hem en bracht hem tot nadenken. Kleine voorvallen kunnen grote gevolgen teweegbrengen.
2. De Heere, zich omkerende, zag Petrus aan. Deze bijzonderheden vinden wij niet bij de andere evangelisten, maar zij is zeer opmerkelijk. Christus wordt hier genoemd de Heere, want hierin bleek veel Goddelijke kennis, macht en genade. Hoewel Christus nu met Zijn rug naar Petrus was gekeerd en een verhoor onderging (toen, naar men zou menen, Hij wel aan iets anders had te denken) wist Hij toch alles wat Petrus gezegd had. Christus let meer op hetgeen wij zeggen en doen, dan wij denken. Toen Petrus Christus verloochende, heeft Christus hem toch niet verloochend, hoewel Hij hem rechtvaardiglijk had kunnen verlaten en verstoten, hem had kunnen verloochenen voor Zijn Vader. Het is goed en gelukkig voor ons, dat Christus niet met ons handelt zoals wij handelen met Hem. Christus zag Petrus aan, niet twijfelende of Petrus zal er zich spoedig van bewust worden, want Hij wist dat, hoewel hij Hem had verloochend met zijne lippen, zijn oog toch nog op Hem gericht zou zijn. En hoewel Petrus zich nu aan een zeer zware misdaad schuldig had gemaakt, heeft Christus hem toch niet willen aanspreken, teneinde hem niet te beschamen of hem bloot te stellen aan gevaar, Hij zag hem slechts aan met een blik, waar Petrus alleen de betekenis van kon verstaan, en zeer veel werd door dien blik uitgedrukt.
a. Het was een blik, die hem van zonde overtuigde. Petrus had gezegd, dat hij Christus niet kende. Christus keerde zich om en zag hem aan, alsof Hij wilde zeggen: "Kent gij Mij niet, Petrus? Zie Mij aan, en zeg Mij dit dan."
b. Het was een bestraffende blik. Wij kunnen onderstellen, dat Hij hem aanzag met een gefronst voorhoofd, of op ene wijze, die hem Zijn misnoegen te kennen gaf. Laat ons bedenken met welk een toornig gelaat Christus ons, en met recht, aanziet als wij gezondigd hebben.
c. Het was een verwijtende blik. "Hoe! Petrus, zijt gij het, die Mij nu verloochent, daar gij had behoren te komen om ten Mijnen gunste te getuigen? Hoe! gij, een discipel? Gij, die de eerste en de ijverigste geweest zijt om Mij te belijden als den Zone Gods, en die plechtig beloofd hebt Mij nooit te zullen verloochenen?"
d. Het was een blik van ontferming en medelijden, Hij zag hem aan met tederheid. "Arme Petrus! hoe zwak is uw hart! Hoe zijt gij gevallen en zoudt gij verloren zijn, indien Ik u niet te hulp kom!" e. Het was een blik van bestiering. Christus' oog was op hem om hem te leiden en te besturen, Hij gaf hem een wenk om weg te gaan van dat treurig gezelschap, zich terug te trekken, eens na te denken, en dan zal hij zien wat hij te doen heeft.
f. Het was een veelbetekenende blik: hij gaf te kennen dat er genade zal komen in het hart van Petrus, waardoor hij instaat gesteld zal worden tot berouw en bekering. Zonder dien blik zou het kraaien van den haan hem niet tot bekering hebben gebracht, en dat zullen ook de uitwendige middelen niet zonder de krachtdadige inwerking der genade. Er ging kracht uit van dien blik om het hart van Petrus te veranderen, en hem weer tot zich zelven te brengen.
3. Petrus werd indachtig het woord des Heeren. De genade Gods werkt in en door het woord Gods, brengt het in de herinnering terug, laat het doordringen tot het gemoed, en geeft aldus een gelukkige wending aan de ziel. Tolle et lege -Neem en lees.
4. En Petrus naar buiten gaande weende bitterlijk. Een enkele blik van Christus deed hem wegsmelten in tranen van droefheid naar God vanwege de zonde. De kaars was pas uitgegaan, en toen werd zij door een kleinigheid weer ontstoken. Christus zag op de overpriesters, maar heeft op hen geen indruk gemaakt, zoals op Petrus, in wie het Goddelijk zaad was gebleven om opgewekt te worden. Het was niet de blik van Christus, maar de genade Gods, die er mede vergezeld ging, waardoor Petrus werd opgericht en hersteld.