Judas 1-2
Hier hebben wij de inleiding, en daarin:
I. Mededeling van den naam des schrijvers van den brief: Judas of Juda. Hij was de naamgenoot van een zijner voorvaderen, den zoon van den aartsvader Jakob, den uitnemendsten ofschoon niet den eerstgeborenen van diens zonen, uit wiens lenden in rechte afstamming de Messias voortkwam. Dat was een waardige, uitnemende, eervolle naam. Maar toch:
1. Hij had een slechten naamgenoot. Er was een Judas, een van de twaalven, bijgenaamd Iskariot (naar zijn geboorteplaats), die een ellendige verrader was, de verrader van zijnen en onzen Heere. Dezelfde namen kunnen gedragen worden door de slechtste en de beste mensen. Het kan leerzaam genoemd worden om de namen van uitnemend-goede mensen te dragen, ofschoon daaruit geen gevolgtrekking mag gemaakt worden van hetgeen wij zullen tonen te zijn, kunnen wij er toch uit besluiten wat goede ouders of voorouders wensten en hoopten dat wij worden zouden.
2. Deze Judas was een geheel ander man. Hij was een der apostelen, evenals Judas Iskariot, maar hij was een oprecht discipel en volger van Christus, en dat was de andere niet. Hij was een getrouw dienstknecht van Jezus Christus, de andere was Zijn verrader en moordenaar, daarom wordt hier de een van den ander zorgvuldig onderscheiden. God draagt grote zorg voor den goeden naam van Zijn oprechte en nuttige dienstknechten. Waarom zouden wij dan zorgeloos en onachtzaam zijn voor onzen eigen goeden naam en dien van anderen? Onze apostel noemt zich een dienstknecht van Jezus Christus, en acht dat de meest-eervolle titel. Het is meer eervol een oprecht en nuttig dienstknecht van Jezus Christus dan de machtigste en voorspoedigste koning te zijn. Hij had er zich op kunnen beroemen een der nabestaanden van Christus naar het vlees te zijn, maar hij ontzegt zich dat en stelt er meer eer in diens dienstknecht te heten.
A. Het is waarlijk groter eer om een getrouw dienstknecht van Jezus Christus dan om Zijn bloedverwant naar het vlees te zijn. Velen van Christus' nabestaanden, zowel als van Zijn voorouders, gingen verloren, niet door gebrek van natuurlijke liefde in Hem als mens, maar door ongeloof en verzet hunnerzijds, terwijl de afstammelingen en nabestaanden van mensen, die door oprechtheid en tedere godsvrucht uitblonken, jaloers van hen moesten zijn met godvrezende jaloezie. Een zoon van Noach kan in de ark behouden zijn geworden uit den allesvernielenden zondvloed, en toch ten laatste door den vloed van goddelijke wraak verslonden worden en de straf van het eeuwige vuur lijden. Christus zelf zegt ons dat hij, die Zijn woord hoort en doet (en die alleen) zijn broeder, en zuster en moeder is, dat is meer eervol en voordelig met Hem verwant dan de dierbaarste en naaste betrekkingen naar het vlees zijn konden, alleen als zodanig beschouwd. Mattheus 12:48-50.
B. Dat de apostel Judas zich een dienstknecht noemt, ofschoon hij een apostel, een zeer hoog geplaatst dienaar van Christus' koninkrijk was, is een grote eer voor den geringsten dienaar (en evenzo naar verhouding voor ieder oprecht Christen), hij is ook een dienstknecht van Jezus Christus. De apostelen waren dienstknechten alvorens zij apostelen werden, en zij bleven dienstknechten. Weg dus met alle aanmatiging van dienaren van Christus, alsof zij heerschappij mochten voeren over elkaar of over de kudde des Heeren! Laat ons steeds de woorden van onzen Verlosser in de gedachten en voor ogen houden. Alzo zal het onder u niet zijn, Mattheus 20:25, 26. En broeder van Jakobus, van hem, dien de ouden den eersten bisschop van Jeruzalem noemen, wiens verheven karakter en marteldood door Flavius Josephus beschreven werden, die in den afschuwelijken moord op hem gepleegd een der voornaamste oorzaken van de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen ziet. Van dezen Jakobus was Judas een broeder, in den letterlijken zin des woords, of zoals in het Oosten meer geschiedde, zo genoemd als een der naaste bloedverwanten, dat valt niet uit te maken. Hij rekent het zich tot een eer, dat hij de broeder van zulk een man was. Wij behoren hen te eren, die boven ons staan in leeftijd, gaven, genade en verstand, en hen niet te benijden, evenmin hen te vleien, en ook niet ons eenvoudig door hun voorbeeld te laten leiden, wanneer wij denken of weten dat zij verkeerd gedaan hebben. -Zo weerstond de apostel Paulus zijn medeapostel Petrus in het aangezicht, niettegenstaande de hoge achting, die hij voor hem had, en de tedere liefde, welke hij hem toedroeg, toen hij zag dat hij te bestraf- fen was. Galaten 2:11.
II. De brief is gericht aan allen, die geroepen zijn, die door God den Vader geheiligd zijn en door Jezus Christus bewaard. Geroepen, dat is geroepen Christenen naar het oordeel der liefde, verder kunnen en mogen wij naar recht ook niet gaan in het oordeel of de gedachte, die wij over anderen opvatten of ontvangen, want hetgeen niet aan den dag treedt kan niet in rekening komen bij onze handelingen met en bestraffingen van anderen, welke verzachtende omstandigheden de goddelijke goedheid ook moge aannemen voor een eerlijke maar misleide ziel. De gemeente beweert niet (mag in elk geval niet beweren) dat zij het recht heeft om te oordelen over geheime en verborgen dingen, ook niet door de dingen ontijdig aan het licht te brengen, anders zou onze haastige en vooruitlopende ijver meer kwaad dan goed doen.
Het onkruid en de tarwe moeten tezamen opwassen tot den oogst, Mattheus 13:28-30, en dan zal Christus de rechter zijn en zorg dragen dat die door geschikte werktuigen tijdig van elkaar gescheiden worden. Wij moeten van ieder mens het best-mogelijke denken totdat het tegendeel blijkt, en wij mogen er nooit op uit zijn om te luisteren naar min-voordelige tekeningen van onze broederen, die te verbreiden en vooral niet die te verzinnen. Dit is wel het eenvoudigste, dat er voor ons te leren valt uit de uitvoerige beschrijving, welke de apostel in 1 Corinthiërs 13 van de liefde geeft, en wij moeten nauwgezet daarnaar handelen. Zolang wij dat niet doen zullen de Christelijke gemeenten zijn (zoals ze, helaas, heden ten dage zijn) vol nijd en twistgierigheid, en daardoor vol verwarring en allen bozen handel, Jakobus 3:16. Ook kan de apostel hier spreken van geroepen te zijn om Christen te wezen, geroepen door de verkondiging des Woords, dat zij met blijdschap aangenomen hadden, en waarvan zij beleden er oprecht in te geloven, en daarop waren zij toegelaten tot de gemeenschap der gemeente, Christus het hoofd en de gelovigen de leden, de ware gelovigen in werkelijkheid, en de overigen alleen voor het oog. De Christenen worden geroepen, geroepen uit de wereld en haar bozen geest, boven de wereld, naar hogere en betere dingen in den hemel, onzichtbare en eeuwige dingen. Geroepen van de zonde tot Christus, van de ijdelheid tot den ernst, van de onreinheid tot heiligheid, en zulks als gevolg van Gods voornemen en genade: want die Hij verkoren heeft, dezen heeft Hij ook geroepen, Romeinen 8:30. Zij, die aldus geroepen werden, zijn:
1. Geheiligd. Geheiligd door God den Vader. Van de heiliging wordt in de Schrift gewoonlijk gezegd, dat zij het werk van den Heiligen Geest is, hier wordt zij toegeschreven aan God den Vader, omdat de Geest haar werkt als de Geest van den Vader en den Zoon. Allen, die werkelijk geroepen en geheiligd zijn, worden der goddelijke natuur deelachtig, 2 Petrus 1:4, want zonder heiligmaking zal niemand den Heere zien, Hebreeën 12:14. Merk op: Onze heiligmaking is niet ons eigen werk. Indien iemand geheiligd is, dan is dat geschied door God den Vader, waarbij de Zoon en de Geest niet uitgesloten zijn, want zij zijn een God. Ons bederf en onze bevlekking zijn van ons zelven, maar onze heiligmaking en vernieuwing zijn van God en Zijne genade. Daarom indien wij in onze ongerechtigheid verloren gaan, is dat onze eigen schuld, maar indien wij geheiligd en verheerlijkt worden, moet daarvan alle eer en heerlijkheid aan God, en aan Hem alleen, gebracht worden. Ik stem toe dat het moeilijk valt daarvan een duidelijke en heldere voorstelling te geven, maar wij mogen moeilijke grondwaarheden niet ontkennen en veronachtzamen omdat wij niet instaat zijn het ene deel met het andere volkomen te rijmen. Men kan, onder anderen, met evenveel recht beweren dat niemand onzer uit zich zelven instaat is om een duimbreed zich te verwijderen van de plaats waar hij eenmaal is, en toch zien we onophoudelijk het tegendeel.
2. De geroepenen en geheiligden worden bewaard in Christus Jezus. Gelijk het God is, die het werk der genade in de zielen der mensen aanvangt, zo is Hij het ook, die het voortzet en voltooit. Wat Hij begint zal Hij voleindigen, ofschoon wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw.
Hij laat niet varen de werken Zijner handen. Psalm 138:8.. Laat ons daarom niet op ons zelven vertrouwen, noch op de reeds ontvangen genade, maar op Hem en op Hem alleen, steeds ons benaarstigende om, door alle geschikte en aangewezen middelen, ons zelven te bewaren, gelijk wij vertrouwen dat Hij ons bewaren zal.
A. Gelovigen worden bewaard van de poorten der hel en voor de heerlijkheid des hemels.
B. Allen, die bewaard worden, worden bewaard in Christus Jezus, in Hem als hun rotssteen en hun sterkte, maar alleen zolang zij in Hem blijven en uit kracht van hun vereniging met Hem.
III. Thans volgt de apostolische zegenbede.
Barmhartigheid enz. Van de barmhartigheid, vrede en liefde Gods vloeien al onze vertroostingen ons toe, al onze wezenlijke vreugde voor dit leven en al onze hoop op een beter leven hiernamaals.
1. De barmhartigheid Gods is de bron en fontein van alle goeds, dat wij hebben en waarop wij hopen, barmhartigheid niet alleen voor de ellendigen, maar ook voor de schuldigen.
2. Op barmhartigheid volgt vrede, dien hebben wij door het gevoel dat wij barmhartigheid verkregen hebben. Wij kunnen geen waren en blijvenden vrede hebben, dan die voortvloeit uit onze verzoening met God door Jezus Christus.
3. Gelijk uit de barmhartigheid de vrede voortvloeit, zo ontspringt uit den vrede de liefde, Zijne liefde tot ons, onze liefde tot Hem, en onze broederlijke liefde (die vergeten, jammerlijk verwaarloosde genade!) voor elkaar. De apostel bidt dat deze mogen worden vermenigvuldigd, dat de Christenen niet tevreden zullen zijn met enkele kruimels en schaarse deeltjes er van, maar dat de zielen en de gemeenten er mede vervuld mogen worden. God is bereid om ons met alle genade te vervullen, en met een volheid van elke genade. Indien wij ledig zijn, dan hebben wij ons zelven, en dan heeft niet Hij ons ledig gehouden.