Markus 16:14-18
Hier is:
I. De overtuiging, die Christus Zijn apostelen gaf van de waarheid Zijner opstanding, vers 14. Hij zelf verscheen hun, toen zij allen tezamen waren, daar zij aanzaten, hetgeen Hem de gelegenheid gaf om met hen te eten en te drinken, waardoor zij ten volle overtuigd werden, zie Handelingen 10:41. En toen Hij hun verscheen, verweet Hij hun hun ongelovigheid en hardigheid des harten, want zelfs in de algemene bijeenkomst in Galilea waren er nog sommigen, die twijfelden, gelijk wij zien in Mattheus 28:17. De bewijzen der waarheid van het Evangelie zijn zo volledig en duidelijk, dat hun, die het niet aannemen, met recht hun ongeloof verweten kan worden, en dit ongeloof wordt niet veroorzaakt door enigerlei zwakheid of gebrekkigheid der bewijzen, maar door "de hardigheid van hun hart'"hun onverstand en stompzinnigheid. Hoewel zij zelven Hem nog niet gezien hadden, worden zij toch met recht gelaakt "omdat zij niet geloofd hadden degenen, die Hem gezien hadden nadat Hij was opgestaan. Het kwam wellicht ook voort uit den hoogmoed huns harten, dat zij niet geloofden, want zij dachten: "Indien Hij waarlijk is opgestaan, wie zou Hij dan anders lust hebben te eren door zich te tonen, dan ons?" En zo Hij hen voorbijgaat, en zich eerst aan anderen vertoont, dan kunnen zij niet geloven dat Hij het is. Zo zijn er velen, die de leer van Christus voor onwaar houden, omdat zij het beneden zich achten geloof te schenken aan de personen, die Hij verkoren heeft om er de getuigen en de verkondigers van te zijn. Maar het zal in den groten dag als gene verontschuldiging van ons ongeloof worden aangenomen als wij zeggen: "Wij hebben Hem niet gezien nadat Hij was opgestaan" want wij hadden het getuigenis behoren aan te nemen van hen, die Hem wèl gezien hebben.
II. De opdracht, die Hij hun gaf om Zijn koninkrijk op te richten onder de mensen door de prediking van Zijn evangelie, de blijde tijding van verzoening met God door een Middelaar. Merk nu op:
1. Aan wie zij het Evangelie moesten prediken. Totnutoe waren zij alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis Israël's, en was het hun verboden te gaan op den weg der heidenen, of in enige stad der Samaritanen. Maar nu is hun opdracht uitgebreid, en zijn zij gemachtigd om heen te gaan in de gehele wereld, in alle delen der wereld, der bewoonde wereld, en het Evangelie van Christus te prediken aan alle creaturen, aan de heidenen zowel als aan de Joden, aan elk menselijk schepsel, dat instaat is het te ontvangen. "Onderricht hen betreffende Christus, de geschiedenis van Zijn leven, en dood, en opstanding. Onderwijst hen in de betekenis en bedoeling er van, deelt hun mede welke voordelen hieruit voortvloeien voor de kinderen der mensen, en nodigt hen allen zonder uitzondering uit, om te komen en er in te delen. Dat is Evangelie. Laat dit gepredikt worden aan alle personen." Deze elf mensen konden het niet zelf aan de gehele wereld prediken, en nog veel minder aan ieder schepsel er in, maar zij en de andere discipelen, zeventig in getal, met degenen, die later aan hen toegevoegd zullen worden, moeten zich verspreiden op verschillende wegen, en overal waar zij gingen, moesten zij het Evangelie meedragen. Zij moesten anderen zenden naar de plaatsen, waar zij zelven niet heen kunnen gaan, kortom, het moet hun levenswerk wezen om die blijde tijding met alle mogelijke getrouwheid en nauwkeurigheid heen te zenden door de gehele wereld, niet als iets dat de mensen moet vermaken en onderhouden, maar als een plechtige boodschap van God aan de mensen, en een verordineerd middel om hen gelukkig en zalig te maken. Verkondigt het aan zo velen gij kunt, en zegt hun, dat zij het wederom aan anderen verkondigen. Het is ene boodschap, waar ieder belang bij heeft, en daarom moet zij overal ontvangen en welkom geheten worden, wijl zij iedereen welkom heet."
2. Wat de hoofdsom is van het Evangelie, dat zij hebben te prediken, vers 16. "Stelt der wereld leven en dood voor, goed en kwaad. Zegt aan de kinderen der mensen, dat zij allen in een toestand zijn van ellende en gevaar, veroordeeld door hun Vorst, overwonnen en tot slaven gemaakt door hun vijanden." Dit wordt ondersteld in hun gered zijn, dat zij niet zouden behoeven, indien zij niet waren verloren. Gaat nu heen en zegt hun. a "Dat, indien zij het Evangelie geloven en Christus' discipelen worden, indien zij den duivel, de wereld en het vlees verzaken, en zich wijden aan Christus, als aan hun Profeet, Priester en Koning, en aan God in Christus als hun God in het verbond, en hun oprechtheid hierin tonen door hun standvastig blijven bij dat verbond, zij zalig zullen worden, verlost van de schuld en de macht der zonde, zij zal over hen niet heersen, en zij zal hen niet verderven. Hij, die een waar Christen is, zal door Christus worden behouden. De doop is verordineerd als ene inwijdingsplechtigheid, door welke zij, die Christus aannamen, Hem beleden, maar wordt hier genomen veeleer voor de zaak zelf dan voor het teken der zaak, want Simon de tovenaar geloofde en was gedoopt, maar werd toch niet zalig, Handelingen 8:13. Het "geloven met het hart en het belijden van den Heere Jezus met den mond," Romeinen 10:9, schijnt tamelijk hetzelfde te wezen als wat hier bedoeld wordt: Of wel: Wij moeten de Evangeliewaarheden aannemen en instemmen met de Evangelievoorwaarden.
b. "Indien zij niet geloven, indien zij het getuigenis van God betreffende Zijn Zoon niet aannemen, dan kunnen zij niet verwachten op een andere wijze zalig te worden, maar moeten noodzakelijkerwijze omkomen, zij zullen verdoemd worden, veroordeeld door het versmaadde Evangelie en de door hen verbroken geboden der wet." En ook dit is Evangelie, een blijde boodschap, dat niets anders dan ongeloof de mensen zal veroordelen, omdat ongeloof ene zonde is tegen het middel om zalig te worden. In de laatste zinsnede wordt de doop niet genoemd, want niet het eenvoudig gebrek aan den doop, maar het moedwillig minachtend verzuim er van maakt de mensen doemwaardig, want anders zouden kinderen verdoemd worden om de nalatigheid en onheiligheid der ouders.
3. De macht, waarmee zij begiftigd zullen worden ter bevestiging van de leer, die zij prediken, vers 17. Degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen. Niet, dat allen, die geloven, deze tekenen zullen kunnen tonen, maar sommigen, namelijk zij, die gebruikt werden om het geloof te verbreiden en anderen tot het geloof te brengen, want de tekenen zijn bedoeld voor de ongelovigen, 1 Corinthiërs 14:22. Het heeft veel bijgedragen tot de heerlijkheid en de blijkbaarheid van het Evangelie, dat de predikers niet slechts zelven wonderen hebben gedaan, maar ook aan anderen het vermogen hebben meegedeeld om wonderen te kunnen doen, welke macht sommigen van hen, die geloofd hebben, gevolgd is, waar zij ook heengingen om te prediken. Zij zullen in Christus' naam wonderen doen, dezelfden naam, waarin zij gedoopt zijn, in de kracht, die aan Hem ontleend is, en verkregen wordt op het gebed. Sommigen van die tekenen worden genoemd,
a. Zij zullen duivelen uitwerpen, die macht bestond onder de Christenen meer algemeen dan enige andere, en heeft langer aangehouden, gelijk blijkt uit het getuigenis van Justinus Martyr, Origenes, Irenaeus, Tertullianus, Minutius Felix en anderen, door Hugo de Groot te dezer plaatse aangehaald. b. Zij zullen "met nieuwe tongen spreken", talen, die zij nooit hadden geleerd, en waarmee zij nooit bekend waren geweest, en dit was een wonder, (een wonder voor het verstand) ter bevestiging der waarheid van het Evangelie, en tevens een middel tot verspreiding van het Evangelie onder de volken, die het niet hadden gehoord. Het bespaarde aan de predikers zeer veel moeite en arbeid voor het leren der talen, en ongetwijfeld waren zij, die door een wonder talen meester zijn geworden, ook volkomen meester van die talen, in al de haar eigen sierlijkheid, even geschikt om te onderwijzen als het gemoed te bewegen, hetgeen een zeer grote aanbeveling was voor hun prediking
c. Slangen zullen zij opnemen. Dit werd vervuld aan Paulus, die niet gekwetst werd door de adder, die zijne hand had gevat, hetgeen door de barbaren als een groot wonder werd erkend, Handelingen 28:5, 6. Zij zullen ongedeerd blijven door het adderengebroedsel in het midden waarvan zij leefden, en door de boosaardigheid van de oude slang.
d. Indien zij door hun vervolgers genoodzaakt worden iets dodelijks te drinken, het zal hun niet schaden, en daarvan worden voorbeelden gevonden in de kerkgegeschiedenis.
e. Zij zullen er niet slechts voor bewaard blijven om zelf geschaad te worden, maar ook instaat zijn goed te doen aan anderen, op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden, gelijk grote menigten gezond werden door de helende aanraking huns Meesters. Vele ouderlingen der kerk hadden dit vermogen, gelijk blijkt uit Jakobus 5:14, waar als een ingesteld teken van deze wonderbare genezing gezegd wordt, dat zij de kranken zalven met olie in den naam des Heeren. Met welk ene zekerheid van voorspoed te zullen hebben konden zij uitgaan ter vervulling van hun opdracht, als zij zulke geloofsbrieven konden overleggen!