2 Corinthiërs 1:1-2
Dit is de inleiding tot den brief, waarin we hebben:
I. Het opschrift, en daarin:
1. Vermelding van den zender des briefs, Paulus, die zich noemt een apostel van Jezus Christus, door den wil van God. Het apostelschap zelf was ingesteld door Jezus Christus, volgens den wil van God, en Paulus was er toe geroepen door Jezus Christus, overeenkomstig den wil van God. Hij noemt Timotheus met zich zelven als schrijver van den brief, niet omdat hij aan diens bijstand behoefte had, maar omdat in den mond van twee getuigen zijn woord bestaan zou. Dat hij Timotheus aanduidt met den titel van broeder (zowel in het gemeenschappelijk geloof als in het werk der bediening) toont de nederigheid van dezen groten apostel, en zijn begeerte om Timotheus (ofschoon die toen een jong man was) aan te bevelen in de achting van de Corinthiërs, en hem een goeden naam te geven in de gemeenten.
2. De personen, aan welken de brief gezonden werd, namelijk de gemeente Gods, die te Corinthe is, en niet alleen aan haar, maar ook aan al de heiligen, die in geheel Achaje zijn, dat is aan alle Christenen, die in den omtrek wonen. In Christus Jezus wordt geen onderscheid gemaakt tussen bewoners van steden of van het platte-land, alle Achajers stonden in dat opzicht even hoog.
II. De groet of apostolische zegenbede, welke dezelfde is als in den vorigen brief, en daarin begeert de apostel voor de Corinthiërs twee grote, veelomvattende zegeningen: genade en vrede. Deze twee zegeningen worden bekwamelijk samen genoemd, wijl er geen goede en duurzame vrede bestaat zonder ware genade, en beide moeten komen van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus, welke is de verwerver en uitdeler van deze zegeningen aan gevallen mensen, en als God wordt aangebeden.