19. En de beide discipelen, Petrus en Johannes, deden zoals Jezus hen bevolen had. Zij gingen in de stad, volgden de waterdrager, die hun bij de poort ontmoet was, in het huis, waartoe hij als waterdrager behoorde en brachten hun boodschap aan de heer des huizes. In de hun aangewezen zaal bereidden zij het Pascha. De korten tijd tot het aanbreken van de avond keerden zij weer naar Bethanië terug, om de Heere bericht te geven. Augustinus zegt: Men moet er zich voor wachten, dat men een tegenspraak van de Evangelisten met elkaar daaruit afleide, dat de een vaak zegt wat de ander verzwegen heeft, of de een verzwijgt wat de ander verteld heeft. " Dit geldt voornamelijk ook omtrent de drievoudige voorstelling van de gebeurtenis, zoals die bij Mattheüs, Markus en Lukas gevonden wordt. Leest men het bericht van Mattheüs alleen, dan zou men zich van de gebeurtenis dit denkbeeld maken: de Heere heeft niet alleen alle discipelen gezonden, maar ook de huiswaard, tot wie zij moesten gaan, bij name genoemd; de Evangelist kon echter om deze of gene reden de naam niet noemen, maar vergenoegde zich met de algemene uitdrukking: "ga heen in de stad tot zo een 4:2) Maar Mattheus heeft dadelijk bij het begin de vraag gesteld: "Waar wilt Gij dat wij U bereiden het Pascha te eten?" dat op die dag het probleem voor de discipelen is, dat zij niet kunnen oplossen. Nu wil hij daarop de woorden, wat het eerste gedeelte aangaat, laten volgen, die de Heere die man laat zeggen, die Hij bedoelt, maar niet noemt. Hadden de discipelen de fijne wenk, die in de opdracht lag: "De Meester zegt: "Mijn tijd is nabij, Ik zal bij u het Pascha houden met Mijn discipelen", verstaan, dan was er in het geheel geen waarteken nodig geweest om de juiste huisheer te vinden; zij zouden meteen hebben geweten wie die "zulk een" was, want er was slechts één in Jeruzalem, die Jezus zo iets kon laten zeggen. Onze Evangelist vermeldt daarom ook die handleiding voor de blinden: "u zal een mens ontmoeten, die een kruik water draagt, volg hem in het huis waar hij ingaat. En u zult zeggen tot de huisvader van dat huis", het geheel niet; maar heeft slechts met de fijne wenk als geestelijke wegwijzer te doen. Nu wil hij dat wij ons door die geestelijke wegwijzer laten leiden, want de naam van de huisvader moet nog altijd ontraadseld worden. De man, over wie hier gesproken wordt, is nog altijd, een N. N. , een onzeker persoon, omdat de Evangelisten zeker met wijsheid hebben de nagelaten de naam opzettelijk te noemen, evenals men kinderen, die men in het rekenen zich laat oefenen, de uitkomst niet zegt, maar die zelf laat vinden. Lezen wij daarentegen Lukas, dan schijnt het alsof de discipelen in het geheel niet het eerst tot de Heere zijn gegaan om de Meester te vragen hoe het met de bereiding van de paasmaaltijd moest gaan, maar de Heere zou zelf daarmee begonnen zijn. Dit zou echter weer het duidelijk bericht ook van Markus weerspreken, die daarin met Mattheus overeenstemt, dat het gesprek door de discipelen werd geopend. Er is toch geen tegenspraak, maar Lukas gaat eveneens snel over tot hetgeen voor hem hoofdzaak is. Zoals uit
Lukas 22:15 blijkt is het er hem hoofdzakelijk aan gelegen te doen opmerken, hoe de Heere reeds aan de morgen van groene donderdag de ziel vol had van gedachten aan deze laatste paasmaaltijd, die Hij met de discipelen wilde houden. Daarom was Hij zo vol van gedachten, omdat die laatste paasmaaltijd tot niets minder bestemd was, dan om op te gaan en over te gaan in de maaltijd van het Nieuwe Verbond en Hij zo zijn eigenlijk doel, zijn ware betekenis ging vervullen. Wij hebben in de uitlegging boven reeds aangegeven, hoe volgens alle drie de berichten de gang van de zaak geweest is; wij willen dit nu nog iets nader toelichten. Op de morgen van groene donderdag denken er de discipelen snel aan, welke dag heden voor hen is aangebroken. In alle families in en om Jeruzalem wordt heden het Pascha bereid. Maar hun Meester heeft nog eergisteren tot hen gezegd: "Gij weet dat na twee dagen het Pascha is en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden om gekruisigd te worden. " Nu kunnen wij ons wel voorstellen door hoe velerlei gedachten hun harten geslingerd zijn. Zij wilden wel graag, zoals zij vroeger (
Johannes 11:8) de Heere met goede bedoeling wilden terughouden, om naar Jeruzalem te gaan, Hem ook ditmaal tegenhouden, maar Hij kon dan geen Pascha met hen houden, omdat het Pascha alleen aan de plaats van het heiligdom geslacht en gegeten mocht worden (
Deuteronomium 16:5 v. . ). Nu kon het wel zijn, dat Hij ook in dit als in het vorige jaar, toen Hij niet naar Jeruzalem was gekomen (
Hoofdstuk 14:18), de viering van het Pascha zou nalaten. Zij voelen echter snel dat dit niet kan zijn, juist op dit Pascha komt Hem alles aan en tegenover het dreigend gevaar besluiten zij liever (
Johannes 11:16): "Laat ons met Hem gaan, opdat wij met Hem sterven. " Terwijl zij nu tot Jezus komen met de vraag: "Waar wilt Gij, dat wij U bereiden het Pascha te eten?" denken zij in de eerste plaats aan de lokaliteit in de stad, die Hij zal bepalen. Hun vraag bedoelt vooral dat zij zich bereid verklaren het paaslam, zoals het moet zijn, in de stad gereed te maken, hoewel het de stad is van profetenmoord (
Hoofdstuk 23:37), die ook voor hun Meester niets goeds voor heeft. De Heere heeft gewacht op de verklaring van bereidwilligheid. Voor Zich begeert Hij zeer dat paaslam met hen te eten, voordat Hij lijdt (
Lukas 22:15), maar ook zij moeten van hun kant ernaar verlangen het met Hem te eten, ja moeten eerst hun verlangen hebben uitgesproken, evenals God in de scheppingsgeschiedenis de man niet eerder zijn vrouw geeft, voordat deze zijn alleen zijn op aarde met een zekere weemoed heeft leren voelen, voordat hem de behoefte aan een hulp, die bij hem is, duidelijk is geworden (
Genesis 2:18,. Hij, de Heere, zendt nu twee uit de kring van de discipelen naar de stad met de last: "ga heen, bereidt ons het Pascha, opdat wij eten mogen. " Dat het Petrus en Johannes zijn, die Hij zendt, heeft in het voor ons liggende geval nog een bijzondere reden, want deze beiden zijn reeds drie jaar daarvoor met Hem in Jeruzalem geweest (
Johannes 2:13, ) en hebben daar niet alleen het woord gehoord, dat Hij toen tot de Joden sprak van de tempel van Zijn lichaam, zodat zij nog in het bijzonder zijn toebereid, om de gang naar Jeruzalem te doen met de gedachten, dat dit de laatste paasmaaltijd was, die zij hun Heere bereiden, maar zij hebben ook in het bereik van hun ervaring en als het ware het materieel om de fijne wenk te verstaan, die in de woorden ligt: "Ga heen in de stad tot zo een en zeg hem: de Meester zegt: Mijn tijd is nabij, Ik zal bij u het Pascha houden met Mijn discipelen", wanneer Hij nu dit antwoord zal geven op hun vraag: "Waar wilt Gij, dat wij U het Pascha bereiden?" De vraag heeft nu een bijzondere betekenis; zij doelt op de lokaliteit, op het huis, waarin zij het bereiden zullen, dat was een moeilijke vraag. Wie in de stad zal het onder de tegenwoordige omstandig heden wagen U op te nemen, U de door de oversten van de stad vogelvrij verklaarde en reeds zo goed als ter dood veroordeelde? Wie in de stad van profetenmoord zal zijn ziel in de hand stellen (
Richteren 12:3) en zijn leven op het spel zetten door voor U een kamer in zijn huis in te ruimen? De discipelen denken er slechts aan dat het heden de dag is, waarop de voorspelling in
Vers 2 betrekking heeft. Maar zij denken er niet aan en kunnen er ook niet aan denken, dat heden tevens de dag is, waarop Davids Zoon zal ondervinden wat eens Zijn voorvader in
Psalm 23:5 van zich betuigde: "Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht tegenover mijn vijanden; u maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiend", dat dus met het bereiden van het paaslam van hun kant een bereiden door de Vader in de hemel zal samentreffen, een bereiden van de plaats op die manier, dat noch Judas, de verrader, zijn gruwel vroeger kan verrichten dan hij door de Heere zelf daartoe wordt losgelaten, noch ergens beter dan juist hier kon worden vervuld wat dat psalmwoord verkondigt. Opdat nu de Vader in de hemel in volle mate de eer wordt gegeven, die Hem toekomt, opdat de Zoon niet ergens door eigen maatregelen de Vader in Zijn voorbereiden vooruitloopt en zelf een huis kiest en een huisvader noemt, zegt Jezus: "Ga heen tot zo een. " Door dit teken, dat Hij in profetische volmacht aan Zijn beide discipelen mee op de weg geeft, geeft Hij hen geheel over aan de leiding en besturing van God. Wij moeten als geheel mis gezien beschouwen wat bij de meeste uitleggers gevonden wordt ten opzichte van het doel en de betekenis van dit teken, als miskenning van het gehele zijn en wezen van onze hooggeprezen Heer en Heiland. Zij stellen zich de zaak zo voor: Jezus had reeds op een van de beide dagen, toen Hij Zich in Jeruzalem ophield, op maandag of dinsdag, met een verborgen vriend te Jeruzalem afspraak gemaakt, Hem een ruime, goed toegeruste kamer voor de paasmaaltijd af te staan. Hij wilde echter, toen Hij op donderdag de beide discipelen naar Jeruzalem zond om de maaltijd gereed te maken en deze Hem vroegen, bij wie zij dat zouden doen, de naam van Zijn vriend daarom niet noemen, omdat Judas, de verrader, de plaats van de maaltijd niet mocht weten en geen gelegenheid mocht hebben om het maal door een overval te storen. Nu hielp Hij Zich met het opgeven van een teken, bestemd om Petrus en Johannes zeker tot het doel te leiden en Judas geheel in onwetendheid te laten. Vele uitleggers gaan dan zelfs zo ver, dat zij dit teken ook verklaren van een afspraak, die met die huisvader gemaakt zou zijn. Deze zou, wanneer hij uit de stad donderdagmorgen op een bepaalde tijd de beide discipelen van de Olijfberg zag komen, zijn waterdrager naar de bron zenden, die deze na hun intreden in de stad voorbij moesten komen; zo zou hij door een geheime wegwijzer hen naar zijn huis geleiden. Alsof, zo moeten wij ten opzichte van dit laatste punt vragen, onze Heiland tot zo'n spiegelgevecht de man was en Judas met de gehelen Hoge Raad het waard zou geweest zijn, dat een Petrus en Johannes bedrogen werden? Wanneer wij ook ten opzichte van het eerste punt toegeven, dat een Judas de ogen dicht en de voeten vast moesten gehouden worden, dat hij tot het werk van het verraad niet eerder zou kennen overgaan, voordat de Heere zelf tot hem zo zeggen (
Johannes 18:27): "Wat u doen wilt, doe het snel!" zo moeten wij toch aan de andere kant beweren: zulke zaken als het breidelen en binden van Zijn tegenstanders, worden door de Heere tegelijker tijd gedaan, zodat die vanzelf en ongezocht uit Zijn maatregelen voortvloeien - wat Hem bij Zijn wereldregering leidt is de eer van Zijn naam en het heil van Zijn vrienden. Met een afspraak hebben wij dus hier evenmin te doen, als een afspraak met de lieden van Bethfage voor de palmzondag heeft plaats gevonden, dat men Hem een ezelin en een veulen gereed zo houden (
Hoofdstuk 21:1,. Hoe zou ook de Heere op maan maandags of dinsdags het hebben gemaakt, om een verborgen vriend te Jeruzalem op te zoeken, een kamer bij hem te bestellen en een list met hem af te spreken? Een Judas kon wel op woensdag van Bethanië zich uit de onder een voorwendsel verwijderen en met de Hoge Raad zijn verbond sluiten (
Vers 14, ); maar Jezus kon geen ogenblik niet het doel van geheime zaken Zijn discipelen verlaten, of zij waren als een kudde zonder herder als een dag zonder zon geweest - alleen om niet Zijn hemelsen Vader te verkeren begaf Hij Zich soms in de stilte en het stond dan steeds op Zijn aangezicht geschreven, bij wie Hij geweest was (
Lukas 11:1); binnen de grenzen van de aardse wereld behoorde Hij geheel en al Zijn discipelen toe.
Wij hebben reeds in de voorafgaande aanmerking te kennen gegeven, dat in de opdracht, die de Heere aan de beide discipelen geeft voor een zeker iemand, in wiens huis Hij hen zendt de sleutel ligt, om de naam van deze man uit te vinden en wanneer de Evangelisten ook naderhand deze naam niet noemen, ligt daarin in geen geval de mening verborgen, dat het verder op de naam en de persoon van de man niet aankomt en wij er verder ook niet naar moeten onderzoeken. Veeleer heeft Mattheüs zich opzettelijk zo uitgedrukt: "ga dan in de stad tot zo een" en heeft met opzet juist de eerste helft van de opdracht van Christus meegedeeld; - voor lezers die van Joden Christenen zijn geworden en voor Joden, die men wil overtuigen, is de persoon en de naam van die zeker iemand van grote betekenis. Welaan, wij willen de sleutel, die ons gegeven is, insteken en beproeven het slot te openen, wij hopen onze lezers de indruk te geven dat de uitslag van ons onderzoek geen zuivere gissing, geen inval is. "Mijn tijd is nabij", zo laat de Heere de man, die Hij bedoelt, zeggen. Hij moet dus iemand zijn, met wie Hij reeds eens van deze tijd van lijden en sterven gesproken heeft, die reeds enigermate in het geheim van Zijn kruis ingewijd en innerlijk zo ver voorbereid is om aan Hem, die om het laatste, waarvoor Hij hier op aarde nog iemand aan te spreken heeft, hem vraagt, het dadelijk en op de best mogelijke manier te geven, al zou Hij ook daarmee de toorn van de Hoge Raad op zich laden en zijn leven op het spel zetten. Wij kennen nu zeker een man, tot wie de Heere 3 jaar daarvoor gezegd heeft (Johannes 3:14,: "En zoals Mozes de slang is de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; " een man die met eigen ogen gezien en met eigen oren gehoord heeft, hoe ver de haat van de oversten van het volk tegen deze Jezus van Nazareth reeds geklommen is en wat zij bij zichzelf besloten hebben; want hij is een medelid van hun raad; een man, die reeds een half jaar daarvoor, zich de "Leraar van God gezonden" heeft proberen aan te trekken en tengevolge van de daarbij ervaren behandeling innerlijk reeds losgemaakt is van de gemeenschap met zijn ambtgenoten (Johannes 7:50, ); een man, die het wel waard is dat de Heere verder laat zeggen: "Ik wil bij het paasfeest houden met Mijn discipelen", maar hoofdzakelijk daarom, opdat aan hem het woord vervuld wordt (Johannes 3:21): "maar die de waarheid doet komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn; "een man ten slotte aan wie het woord ook werkelijk vervuld is, die mee op het toneel verschijnt, wanneer het er om te doen is, de kruiseling de laatste eer te bewijzen (Johannes 19:39). Wij hoeven het nu nauwelijks te zeggen, dat het Nikodemus is, een overste van de Joden", aan wie wij denken en de lezer zal ons gelijk geven, wanneer wij zeggen: beter kan de Vader in de hemel het: "Gij bereidt voor Mij een tafel tegen Mijn vijanden", aan Zijn Zoon niet vervullen, dan wanneer Hij Hem een medelid van de Hoge Raad zelf tot gastheer gaf. Beter geschikt was ook in Jeruzalem wel niemand om op de vraag, zoals wij ze bij Markus en Lukas als het derde punt van de opdracht, die aan de beide discipelen gegeven is, aangetoond vinden: "Waar is het huis (de herberg) waar Ik het doen zal (het paaslam eten met Mijn discipelen) een daadzakelijk antwoord te geven, evenals Hij de woorden: "Gij maakt Mijn hoofd vet met olie en mijn beker is overvloeiend", niet beter kon vervullen. De vraag, die kamer hij wil afstaan, wil Hij geheel aan de gastheer overlaten; het had dus ook een nauw klein kamertje kunnen zijn. Maar nee, de man is dadelijk bereid zijn beste lokaal te geven, de grote zaal op de bovenste verdieping, die oorspronkelijk voor de viering van het Pascha voor de eigen familie ingericht was. Liever wil hij zichzelf en de zijnen met een klein kamertje vergenoegen en het voor zichzelf later nog bereiden dan dat hij de Meester op een armzalige manier ontving. Hoe voortreffelijk past ook deze omstandigheid op Nikodemus! Heeft naderhand Jozef van Arimathea zijn eigen graf, dat hij in een rots had laten houwen (Hoofdstuk 27:60), gegeven, om het lijk van Jezus daarin te begraven, zou dan niet degene, die met hem bij de begrafenis het par nobile fratrum. "het edele broederpaar" uitmaakt (Johannes 19:39) hier in onze geschiedenis hetzelfde gedaan hebben, als deze vraag aan hem gedaan werd? Wij merken nog op, dat Nikodemus, volgens de overlevering, door dezelfde twee apostelen, die nu tot hem kwamen, naderhand gedoopt, maar door de Hoge Raad uitgestoten en uit Jeruzalem verdreven is. Zijn neef Gamaliël (Handelingen 5:34 vv. , 22:3) wees hem een landhuis aan en verzorgde hem tot aan zijn dood. Het werd reeds in Hoofdstuk 21 aangeduid, dat, hoe schoon het ook op zichzelf geweest was, wanneer de Christelijke sage van het coenaculum, of de avondmaalszaal boven het graf van David, bevestigd kon worden, wij deze uitlegging toch niet voor de juiste kunnen aannemen, reeds om reden, dat de beide discipelen van Bethanië de Olijfberg afkomend, beneden in het Kedrondal zich moeilijk zuidelijk naar de bron van Siloah gewend kunnen hebben zonder een bijzondere aanwijzing van de Heere, om daar een waterdrager te ontmoeten - en dat moest toch de weg geweest zijn, die zij insloegen, wanneer het de streek van het graf van David geweest was, waarheen hun opdracht hen moest brengen. De gewone weg, waardoor zij in de stad kwamen, leidde hen integendeel tot dezelfde poort, waardoor Jezus op Palmzondag Zijn intocht hield, de Stefanus- of Schaapspoort, waar ook een bron om water te scheppen in de nabijheid was; en wie zou het nu voor onmogelijk houden, wanneer wij de gissing wagen, dat, terwijl zij de waterdrager achterna gingen, zij ten slotte in dat gedeelte van de stad kwamen, waar de kerk van het heilige graf en daar tegenover het Johannieter hospitaal staat? Dit gedeelte van de stad moest toch de een of andere betrekking op de lijdensgeschiedenis gehad hebben, dat men Golgotha daar geplaatst heeft; waar wij geloven dat de Heere van de Kerk ook aan de Duits-Evangelische kerk eens iets ten goede wil doen, wanneer Hij het zo beschikt heeft, dat haar in de laatste tijd daar een toevluchtsoord voor een eigen Godshuis geopend is geworden. Wij zijn het daarmee over het geheel eens, dat dezelfde zaal, die tot de inzetting van het heilig avondmaal gediend heeft, bij de 10 dagen na de hemelvaart ook vergaderplaats geweest is van hen, die op de uitstorting van de Heilige Geest wachtten (Handelingen 1:13, ). Nicodemus heeft, nadat hij eens de Heere bij zich opgenomen had, zeker graag de grote zaal tot de verdere beschikking van Zijn vrienden gesteld, opdat zij te Jeruzalem blijven en steeds eendrachtig bij elkaar zouden kunnen zijn met bidden en smeken. Wij zouden niet weten waar de apostelen met de dienenden vrouwen anders een kamer hadden moeten krijgen, waar zij die nodig hadden. Tot de voorbereidingen behoorde het slachten van het paaslam, dat in de tempel gedurende de tijd van 3-6 uur `s middags geschiedde, verder de toebereiding van de ongezuurde broden, het verschaffen van de overige vereisten van de maaltijd en de verdere inrichting van de eetzaal, die reeds met kussens voorzien was, waarmee de discipelen wel tegen de tijd van het avondoffer om 3 uur klaar waren, zodat zij van toen af het paaslam slechts te slachten en te braden hadden en zij dus nog een uur overhielden, om weer naar Bethanië te gaan.
IV. Vers 20-29. Als de gezette tijd van het eten van het paaslam gekomen is, bevindt Zich Jezus met de twaalf in de zaal, die Hem ter beschikking gesteld en door Petrus en Johannes verder toebereid is. Hij verricht hier ten gevolge van een strijd, die onder de discipelen uitgebroken is, de voetwassing en maakt hen tegen het einde van de maaltijd opmerkzaam op de verrader. Nadat deze ontdekt en weggegaan is, volgt de inzetting van het heilig avondmaal. Onze afdeling omvat de eerste helft van die viering, omstreeks 6-9 uur; de tweede helft hebben de eerste 3 Evangelisten zo goed als geheel overgeslagen; alleen Lukas meldt iets van de laatste verhandelingen van Jezus met de discipelen, terwijl Johannes aan deze een bijzondere opmerkzaamheid wijdt en ook voor de vorige afdeling een belangrijke bijdrage levert door het verhaal van de voetwassing (vgl. Markus 14:17-25. Lukas 22:14-30. Johannes 13:1-32).