Mattheus 17:22-23
Christus voorspelt hier Zijn eigen lijden. Tevoren, Hoofdstuk 16:21, begon Hij het te doen, en bevindende, dat voor de discipelen deze rede hard was, achtte Hij het nodig haar te herhalen. Er zijn dingen, die God eenmaal spreekt of tweemaal, doch men let daar niet op, Merk hier op:
1. Wat Hij omtrent zich zelven voorzegde-dat Hij verraden en gedood zou worden. Hij heeft van tevoren volkomen geweten wat Hem zou wedervaren, en toch heeft Hij het werk onzer verlossing op zich genomen, ja Zijn helder voorzien er van was al een lijden bij voorbaat, indien Zijne liefde tot de mensen het niet alles licht voor Hem had gemaakt. Hij zegt hun, dat Hij zal overgeleverd worden in de handen der mensen. Hij zal-aldus kan dit verstaan worden-overgeleverd worden door den bepaalden raad en voorkennis Gods, Handelingen 2:23, Romeinen 8:32. Maar het ziet ook op het verraad van Judas, die Hem overleverde in de handen der priesters, en hun overleveren van Hem in de handen der Romeinen. Hij was overgeleverd in de handen der mensen, mensen, aan wie Hij verwant was door de natuur, en van wie Hij dus medelijden en tederheid kon verwachten, mensen, die Hij op zich had genomen te verlossen, en van wie Hij dus eer en dankbaarheid kon verwachten, toch zijn zij Zijne vervolgers en moordenaars. Dat zij Hem zullen doden. Met niets minder kon hun woede worden gestild, het was Zijn bloed, Zijn dierbaar bloed, waarnaar zij dorstten.
Deze is de erfgenaam, komt laat ons hem doden. Niets minder kon aan Gods gerechtigheid voldoen en aan Zijne onderneming beantwoorden, indien Hij een zoenoffer is, dan moet Hij gedood worden, zonder bloedstorting is er gene vergeving van zonde. Dat Hij ten derden dage zal opgewekt worden. Als Hij van Zijn dood sprak, gaf Hij tevens een wenk of aanduiding van Zijne opstanding, de vreugde, die Hem was voorgesteld, in het vooruitzicht waarvan Hij het kruis heeft verdragen en de schande veracht. Dit was ene bemoediging niet slechts voor Hem, maar ook voor Zijne discipelen, want zo Hij ten derden dage opstaat, zal Zijne afwezigheid van hen niet van langen duur zijn, en Zijn wederkeren tot hen zal heerlijk wezen.
2. Hoe de discipelen dit opnamen. Zij werden zeer bedroefd. Hieruit bleek hun liefde voor den persoon huns Meesters, maar ook hun onwetendheid en dwaling betreffende Zijne onderneming. Ditmaal durfde Petrus wel niets er tegen zeggen, zoals hij tevoren gedaan had, Hoofdstuk 16:22, daar hij er streng om bestraft was geworden, maar hij en de overigen betreurden het ten hoogste, daar het hun verlies betrof, en huns Meesters smart en leed en ook de zonde en het verderf van hen, die het deden.