Maleachi 1:1-5
De profetie van dit boek draagt tot titel: de last van het woord des Heren, vers 1, waarin opgesloten ligt,
1. Dat ze van groot gewicht en belang was, wat de valse profeten leerden, was licht als kaf, wat de ware profeten zeiden, was gewichtig als de tarwe, Jeremia 23:28.
2. Dat ze dikwijls voor hen en door hen moet herhaald worden, gelijk een lied, dat geleerd wordt.
3. Dat er waren, voor wie ze een last en een verwijt was, ze vermoeide hen, zij gevoelden er zich zo door beledigd, dat ze het niet verdragen konden.
4. Dat ze hun inderdaad een last zou blijken te zijn, die hen in de diepte van de hel zou brengen, tenzij zij zich bekeerden.
5. Dat ze voor hen, die ze gaarne hoorden en aanname en welkom heetten, al was ze een lichte last, gelijk onze Zaligmaker ze noemt, Mattheus 11:30, toch een last was.
Deze last van het woord des Heren werd gezonden,
1. Tot Israël, want hen behoorden de levende woorden van de profetie, zowel als het geschreven woord. Vele profeten had God tot Israël gezonden, en nu wil Hij het met nog een beproeven.
2. Door Maleachi, door de dienst van Maleachi, als ware het geen mondelinge boodschap, maar een brief, hem ter hand gesteld, tot groter gewisheid.
In deze verzen worden zij van ondankbaarheid beschuldigd, omdat zij zich niet erkentelijk betoond hadden voor Gods onderscheidende goedheid jegens hen, zulk een last mag wel zwaar genoemd worden.
I. God constateert de grote goedheid, die Hij hun menigmaal betoond had, vers 2:Ik heb ulieden liefgehad, zegt de Here. Het is als met de deur in huis vallen, wanneer deze toespraak zo begint, als wilde God, welke beschuldigingen ook volgen mogen, hen door Zijn liefde tot Zich wederbrengen en zorgen, dat zij nog goede gedachten omtrent Hem koesteren. "Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik," Openbaring 3:19. Zo vriendelijk begint de rede. God wil Zijn volk overtuigen, dat Hij het liefheeft en Zijn liefde immer gedenkt. Dit is hetzelfde wat Hij oudtijds van de jonkvrouw Israëls gezegd heeft dat Hij ze getrokken heeft met goedertierenheid, Jeremia 31:3, 4. Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde. In dit ene woord spreekt God al Zijn genadevolle bemoeienis met hen uit, de liefde is van alles de bron, Hij heeft ze liefgehad, omdat Hij ze wilde liefhebben, Deuteronomium 7:7, 8, Hij heeft Israël liefgehad, "toen het een kind was", Hosea 11:1. "Hij had een lust aan Israël, Jesaja 62:4. Ik heb liefgehad, maar gij hebt Mij niet liefgehad, gij hebt Mijn liefde niet beantwoord." Zie, Gods volk moet dikwijls herinnerd worden aan Gods liefde jegens hen.
II. Zij trekken Zijn liefde in twijfel en vinden er geen bewijzen voor, zij schijnen aanmerking te maken op de betuiging van Zijn liefde: Maar gij zegt: Waarin hebt Gij ons liefgehad? Wanneer God hun de bron noemt van al Zijn gunstbewijzen, namelijk Zijn liefde, dan noemt Hij de bron van al hun zonden tegen Hem, namelijk: dat zij Zijn liefde niet geacht hebben. In plaats van Zijn goedertierenheid te erkennen en te bedenken hoe zij die konden vergelden, trachten zij te ontkomen aan de erkenning dier liefde, dagen Hem uit van Zijn liefde bewijzen aan te tonen, en denken en spreken zeer lichtvaardig van de blijken van Zijn gunst, die ze reeds hadden ontvangen, als waren die gering en onbeduidend, de moeite niet waard, om er nota van te nemen en door wat zij gedaan hadden ruimschoots betaald, of althans door de geleden ellende wel vergoed. "Zijn wij niet verjaagd, verarmd, als gevangen weggevoerd, waarin hebt Gij ons dan liefgehad? Zie, God neemt terecht zeer kwalijk, als Zijn gunsten worden geminacht, als de vermelding onwaardig, is het ongerijmd van ons, te vragen, waarin Hij ons heeft liefgehad, daar wij nergens het oog kunnen wenden, of wij vinden ons omringd met Zijn gunstbewijzen.
III. Hij toont hun, boven alle twijfel verheven, dat Hij heeft liefgehad in gans bijzondere zin, die hen tot gans bijzondere dankbaarheid verplicht had. Ten bewijze herinnert Hij aan Zijn voorkeur voor Israël boven Ezau, voor de Israëlieten boven de Edomieten. Sommigen lezen hun vraag dus: Waarom hebt Gij ons liefgehad? Als wilden ze Zijn liefde wel erkennen maar tegelijk beweren, dat er ook reden voor was, dat Hij hen had liefgehad, omdat Abraham God had liefgehad, zodat het geen vrije liefde, maar slechts wedervergelding was. Daarop antwoordt God: Was niet Ezau Jacobs broeder? Was die Abraham niet even na als deze? Was Ezau niet de oudste? En daarom, had Abraham enig recht op Gods wederliefde verworven, dan had Ezau daarop minstens evenveel, zo niet meer recht dan Jacob. Toch heb Ik Jacob liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.
1. Laat ze dus opmerken, welk een verschil God tussen Jacob en Ezau heeft gemaakt. Ezau was Jacobs broeder, zijn tweelingbroeder, toch heb Ik Jacob liefgehad en Ezau gehaat, Jacob wel en Ezau niet in mijn verbond opgenomen, gene de zegeningen van Abraham beloofd, en ze deze onthouden. Zij, die in Gods verbond begrepen zijn en de zegeningen des verbonds genieten, die de levende woorden Gods en de genademiddelen ontvangen, hebben alle reden, die als tekenen van Zijn liefde te beschouwen. Jacob wordt liefgehad, en hij verkrijgt dat alles, Ezau gehaat en derft dat alles. De apostel haalt dit aan, Romeinen 9:13, en vergelijkt het met de Godsbelofte aan Rebekka aangaande haar nog ongeboren tweelingen, Genesis 25:23 : Demeerdere zal de mindere (de Engelse vertaling heeft: de oudste zal de jongste) dienen, om Gods soevereiniteit in de uitdeling van Zijn gunst met een voorbeeld duidelijk te maken. Mag Hij met het Zijne niet doen wat Hij wil? Ezau werd terecht gehaat, Jacob uit vrije liefde bemind. "Ja, Vader! want alzo is geweest het welbehagen voor U," Mattheus 11:26, en dan past het ons niet, te vragen waarom.
2. Laat hen opmerken wat Hij voor hen gedaan had en nog zou doen, als vervolg op deze verkiezing.
A. De Edomieten zullen gedenktekenen van Gods rechtvaardigheid worden, en in hun eindelijke ondergang wordt Hij verheerlijkt. Want Ezau heb Ik gehaat, en Ik heb zijn bergen gesteld tot een verwoesting en zijn erve voor de draken van de woestijn. Zijn bergen, het gebergte Seïr, waren zijn erfenis. Toen dat gedeelte van de wereld door de Chaldeeuwse heirscharen werd verwoest, deelde het land van Edom daarin, het werd tot puinhopen en de woning van roerdomp, nachtuil en schuifuil, gelijk Jesaja Hoofdstuk 34:6, 11 had voorspeld. De Edomieten hadden over Jeruzalems val gejuicht, Psalm 137:7, en daarom was het rechtvaardig van God, dezelfde beker van de zwijmeling hun op de hand te zetten. En al kwam het oordeel het laatst over Edom, toch was het blijvend, ook hierin was er een onderscheid tussen die beide, gelijk altijd bestaat tussen de rechtvaardigen en de goddelozen, wie anders enerlei schijnt te wedervaren. Jacobs steden werden verwoest, maar herbouwd, die van Edom verwoest, maar nimmer weer opgericht. Het lijden van de rechtvaardigen zal een heerlijk einde hebben, al hun leed wordt weggenomen en hun droefheid in blijdschap verkeerd. Maar het lijden van de goddelozen zal eindeloos en onherroepelijk wezen, als Edoms verwoestingen, vers 4.
Merk hier op,
a. De ijdele hoop van de Edomieten, dat hun verwoesting zal ophouden even als die van Israël, was zonder grond, omdat hun geen belofte was gegeven. Zij zeggen: Het is waar, wij zijn verarmd, dat is een algemeen lot en daaraan ontkomt niemand. Doch wij zullen de woeste plaatsen weder bouwen, wij zijn vast besloten, dat te doen, zelfs zonder voorbehoud van Gods wil. Wij zullen, of Hij het wil of niet, wij zullen het zelfs doen en Gods vloek trotseren in Zijn bedreiging, over Edom uitgesproken, Jesaja 34:10:"van geslacht tot geslacht zal het woest zijn". Zij bouwen trotselijk, gelijk Hiël Jericho herbouwde, ondanks Gods verbod, 1 Koningen 16:34, en het zal hun dienovereenkomstig vergaan. Zie, het is iets gewoons bij degenen, die zich onder Gods oordelen niet vernederen, te menen dat ze zich tegen Hem wel kunnen staande houden, bouwen en planten en bloeien zo goed als immer. God had gezegd, dat zij allen verarmen zouden. Maar zie
b. De verijdeling van deze hoop en hun teleurstelling. Zij zeggen: Wij zullen bouwen, maar wat zegt de Here der heirscharen? Want wij weten zeker, dat Zijn Woord, en niet het hunne, zal bestaan. Hij zegt: Eerst, hun pogingen zullen schipbreuk lijden: Zullen zij bouwen, zo zal Ik afbreken. Zie, zij, die tegen Gods wil handelen, zullen ervaren, dat Hij in tegenheden met hen zal wandelen, want "wie heeft ooit zijn hart tegen God verhard en voorspoed gehad?" Toen de Joden Christus en Zijn Evangelie hadden verworpen, werden zij Edomieten, en dit woord aan hen vervuld. Toen zij, onder keizer Adrianus, de tempel te Jeruzalem trachtten te herbouwen, heeft God door aardbevingen en uitbarstingen van vuur afgebroken wat zij gebouwd hadden, zodat zij hun plan tenslotte moesten opgeven.
Zij zullen door allen beschouwd worden als aan algehele ondergang prijsgegeven. Allen, die hen zien, zullen hen de landpale van de goddeloosheid noemen, een zondig volk, ongeneeslijk en daarom een volk, op hetwelk de Here vergramd is tot in eeuwigheid. Wijl hun goddeloosheid onverbeterlijk blijkt, zal hun verwoesting nimmer hersteld worden. Tegen Israël was God "een weinig toornig,' Zacheria 1:15, maar tegen Edom had Hij een zeer grote toorn, en die blijft, want zij zijn het volk, hetwelk Hij verbannen heeft, Jesaja 34:5.
B. De Israëlieten zullen tot monumenten van Zijn barmhartigheid gemaakt worden, Hij wil in hun zaligheid verheerlijkt worden, vers 5. De Edomieten zullen gekenmerkt worden als het volk, door God gehaat, maar uw ogen zullen het zien, dat uw twijfel aangaande Zijn liefde voor altijd wordt weggenomen, want gij zult zeggen, en alle reden hebben om te zeggen: "De Here zij grootgemaakt van de landpale Israëls af". De grens van Efraïm is de landpale van de goddeloosheid, en daarom is de Here op die landpale vergramd tot in eeuwigheid, maar de landpale Israëls is de landpale van Zijn heiligheid, Psalm 78:54. Daarom zal God aan het licht brengen, al heeft het land een tijd lang woest gelegen, dat Hij nog genade voor Zijn volk heeft en daarin grootgemaakt zal worden. Hij zal Zijn volk beide oorzaak en een hart geven om Hem te prijzen. Wanneer de landpale van Edom nog woest blijft, en die van Israël hersteld en bevestigd, dan zal het openbaar worden, dat God Jacob heeft liefgehad. Zie, a. Zij, die Gods liefde voor Zijn volk in twijfel trekken, zullen, vroeg of laat, overtuigende, ontwijfelbare bewijzen daarvan zien, uw ogen zullen zien wat gij nu niet wilt geloven.
b. Verlossingen uit ellende moeten beschouwd worden als bewijzen van Gods goedertierenheid jegens Zijn volk, al laat Hij hen ook in tegenspoed wandelen, Psalm 34:19.
c. Gunsten, die hen onderscheiden zijn zeer te waarderen. Indien God de grenzen van Israël herstelt, en die van Edom woest laat liggen, laat dan geen Israëliet vragen: Waarin heeft God ons liefgehad?
d. Wanneer Israël wordt groot gemaakt, wordt de God Israëls verheerlijkt, en, op welke wijze dan ook, God zal door het volk, dat Hem belijdt, ere ontvangen.
e. Daar Gods goedertierenheid Zijn glorie uitmaakt, moeten wij Hem loven, wanneer Hij ons goed doet, want dat verheerlijkt Hem. Het is een teken van Zijn goedertierenheid, dat Hij lust heeft aan de vrede Zijns knechts, Psalm 35:27, laat hen, die Zijn heil beminnen, geduriglijk zeggen: God zij groot gemaakt.