Mattheus 21:11-17
Toen Christus te Jeruzalem kwam, ging Hij niet op naar het hof, of het paleis, hoewel Hij er kwam als koning, maar Hij ging op in den tempel, want Zijn koninkrijk is geestelijk, en niet van deze wereld. Het is in heilige zaken, dat Hij heerst, in den tempel Gods, dat Hij gezag uitoefent. Wat nu deed Hij daar?
I. Hij dreef uit allen, die kochten en verkochten. Misbruiken moeten uitgezuiverd worden, en de planten, die God niet geplant heeft, moeten uitgerukt worden, eer hetgeen recht is kan worden ingesteld en bevestigd. De grote Verlosser verschijnt daar als groot hervormer, die de goddeloosheden afwendt, Romeinen 11:26. Hier wordt ons gezegd:
1. Wat Hij deed, vers 12. Hij dreef uit allen, die verkochten en kochten. Tevoren had Hij dit nog eens gedaan, Johannes 2:14, 15, maar er was oorzaak om het weer te doen. Kopers en verkopers, die uitgedreven worden uit den tempel, zullen er wederkeren en er zich nestelen, indien er niet voortdurend toezicht wordt gehouden om het te beletten, en de slag niet door anderen gevolgd en dikwijls herhaald wordt. Het misbruik bestond in het kopen en verkopen en geld wisselen in den tempel. Dingen, die op zich zelven wettig en geoorloofd zijn, kunnen zondig worden, als zij op onvoegzamen tijd en plaats gedaan worden. Hetgeen zeer betamelijk was in een andere plaats, en niet slechts betamelijk, maar lofwaardig op een anderen dag, verontreinigt het heiligdom en ontwijdt den sabbat. Hoewel dit kopen en verkopen en wisselen van geld een wereldlijk bedrijf was, maakte het er toch aanspraak op, dat het tot geestelijke doeleinden geschiedde. Zij verkochten offerdieren ten gerieve van hen, die daar gemakkelijker konden komen met hun geld dan met hun dieren: en zij wisselden geld voor hen, die den halven sikkel verlangden, de jaarlijkse belasting, of het losgeld, dat zij te betalen hadden. Voor het uitwendige zou men dus die zaken en handelingen in verband kunnen achten met het huis Gods, en toch wil Christus het niet toestaan. Grote misbruiken en bederf sluipen de kerk binnen door de handelingen van hen, die van de Godzaligheid een gewin maken, dat is: die in hun godsvrucht of vroomheid werelds gewin op het oog hebben, 1 Timotheus 6:5. Wijk af van dezulken. De uitzuivering van dit misbruik. Christus dreef uit die verkochten. Tevoren had Hij dit gedaan met een gesel van touwtjes, Johannes 2:15, thans deed Hij het met een blik, met een woord van bevel. Sommigen achten dit als niet een der minste van Christus' wonderen, dat Hij zelf aldus den tempel reinigde, zonder tegenstand te ontmoeten van hen, die van dit bedrijf leefden en er door de priesters en ouderlingen in werden gesteund. Het is een voorbeeld van Zijne macht over de geesten der mensen, en hoe Hij door hun eigen geweten vat op hen had. Dit is de enige daad van koninklijk gezag en dwingende macht, die Christus in de dagen Zijns vlezes heeft uitgeoefend, Hij begon er mede, Johannes 2, en hier eindigt Hij er mede. De overlevering zegt, dat Zijn gelaat blonk, dat er lichtstralen schoten uit Zijne ogen, waardoor deze marktlieden in verbazing gebracht en gedrongen werden om aan Zijn bevel te gehoorzamen. Indien dit zo is, dan werd hierin de Schrift vervuld, Spreuken 20:8 :Een koning, zittende op den troon des gerichts, verstrooit alle kwaad met zijne ogen. Hij keerde de tafelen der wisselaars om, Hij nam het geld niet voor zich, maar verstrooide het, wierp het op den grond, de geschiktste plaats er voor. In Esther's tijd hebben de Joden hun handen niet aan den roof geslagen, Esther 9:10.
2. Wat Hij zei om Zijne handelwijze te rechtvaardigen en hen te overtuigen, vers 13. Er is geschreven. In de hervorming der kerk behoort het oog op de Schrift gericht te zijn, deze moet gevolgd worden als regel, het voorbeeld, op den berg getoond, en wij moeten niet verder gaan dan het punt, dat verdedigd kan worden met er is geschreven. De hervorming is goed, als er verdorven instellingen in haar oorspronkelijke reinheid door hersteld worden. Hij toont door een profetie uit de Schrift, wat de tempel behoort te wezen, en waartoe hij bestemd was: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden, aangehaald van Jesaja 56:7. Al de ceremoniële inzettingen waren bestemd om dienstbaar te zijn aan zedelijke plichten, het huis der offeranden moest een huis des gebeds zijn, want dat was de ziel, het wezen van al die diensten. De tempel was op bijzondere wijze gewijd tot huis des gebeds, want hij was niet slechts de plaats der aanbidding, maar ook het middel er toe, zodat gebeden in dat huis, of met het aangezicht naar dat huis gekeerd, opgezonden, een bijzondere belofte van verhoring hadden, 2 Kronieken 6:21, daar het een type was van Christus. Daarom heeft Daniël gebeden met het aangezicht naar dat huis gewend, en in dien zin is thans geen huis of plaats een huis des gebeds, want Christus is onze tempel, maar in een anderen zin kunnen de plaatsen onzer Godsdienstige bijeenkomsten aldus genoemd worden, als plaatsen waar het gebed placht te geschieden, Handelingen 16:13. Uit ene bestraffing der Schrift toont Hij, dat zij den tempel misbruikt hadden, er de bestemming van hadden verkeerd: Gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt. Dit is aangehaald uit Jeremia, Hoofdstuk 7:11. Is dan dit huis, dat naar Mijn naam genoemd is, in uwe ogen een spelonk der moordenaren? Als geveinsde vroomheid tot een dekmantel wordt gebruikt voor ongerechtigheid, dan kan men zeggen, dat het huis des gebeds tot een moordenaarskuil is gemaakt, waarin zij loeren en wegschuilen. Marktplaatsen zijn maar al te dikwijls moordenaarskuilen, plaatsen waar dieven zijn, daar zo velerlei bedrog gepleegd wordt bij het kopen en verkopen, maar marktplaatsen in den tempel zijn dit zeer stellig, want zij beroven God van Zijne eer, en dus zijn zij de ergste dieven, Maleachi 3:8. De priesters leefden, en dat wel in overvloed, van het altaar, maar hiermede niet tevreden, vonden zij nog andere wegen en middelen om het volk geld af te persen, en daarom noemt Christus hen hier dieven , want zij eisten wat hun niet toekwam.
II. Dáár, in den tempel, genas Hij de blinden en kreupelen, vers 14. Na de kopers en verkopers uitgedreven te hebben, nodigde Hij de blinden en kreupelen naar binnen, want hongerigen heeft Hij met goederen vervuld, en rijken heeft Hij ledig weggezonden. Christus heeft door Zijn Woord, dat Hij in den tempel predikte, en het gebed verhorende, dat daar opgezonden werd, de geestelijk blinden en kreupelen genezen. Het is goed in den tempel te komen, als Christus daar is, die, terwijl Hij zich ijverig betoont voor de eer Zijns tempels door hen uit te drijven, die hem ontheiligen, zich ook genadig betoont aan hen, die Hem nederig zoeken. Blinden en kreupelen mochten in David's paleis niet komen, 2 Samuël 5:8, maar in Christus' huis werden zij toegelaten, want de majesteit en eer van Zijn tempel liggen niet in de dingen, waarin de pracht en staatsie van de paleizen der vorsten verondersteld worden te bestaan. Van dezen moeten blinden en kreupelen zich op een afstand houden, maar van Gods tempel alleen de bozen en onheiligen. De tempel werd ontheiligd als hij tot marktplaats werd gebruikt, maar werd gesierd en geëerd als hij tot ziekenhuis werd gemaakt. Goed te doen in Gods huis is meer eerbaar en betamelijk dan om er geld te winnen. Christus' genezingen gaven een werkelijk antwoord op de vraag: Wie is deze? Zijne werken getuigden meer van Hem dan de hosanna's, en Zijne genezing in den tempel was de vervulling der belofte, dat de heerlijkheid van dit laatste huis groter zal worden dan van het eerste. Dáár heeft Hij ook de ergernis van de overpriesters en schriftgeleerden wegens het gejuich, waarmee Hij begroet was, tot zwijgen gebracht, vers 15, 16. Zij, die de eersten hadden moeten wezen om Hem te eren, waren Zijn ergste vijanden. 1. Zij waren innerlijk vertoornd over de wonderheden door Hem verricht. Zij konden niet ontkennen, dat het wezenlijke wonderen waren, en daarom barstte hun het hart van toorn, zo als in Handelingen 4:16, 5:33. De werken, die Christus deed, spraken tot ieders geweten. Indien er enigerlei gezond verstand in hen was, dan moesten zij wel het wonderdadige er van erkennen, en zo er enigerlei goedhartigheid in hen was, moesten zij zich verblijden om de goedertierenheid en liefde, die er in tentoongespreid werden, maar zij waren vast besloten Hem tegen te staan, en daarom benijdden zij Hem om Zijne wonderen.
2. Zij gaven openlijk hun ongenoegen te kennen wegens het hosannageroep der kinderen. Zij dachten dat Hem hiermede ene eer werd bewezen, die Hem niet toekwam, en dat dit dus het aanzien had van ene praalvertoning. Hoogmoedige mensen kunnen het niet dragen, dat men eer bewijst aan iemand anders dan aan hen zelven, en niets maakt hen zo wrevelig als een rechtvaardige lof, die toegekend wordt aan hen, die hem wezenlijk verdienen. Zo werd Sauls afgunst opgewekt door het lied der vrouwen, en wie zal voor nijdigheid bestaan? Als Christus het meest geëerd wordt, zijn Zijne vijanden het meest misnoegd. Zo-even zagen wij, dat Christus de voorkeur gaf aan blinden en kreupelen boven kopers en verkopers, nu zien wij Hem, vers 16, partij trekken voor de kinderen tegen priesters en schriftgeleerden. De kinderen waren in den tempel. Wellicht speelden zij er, en geen wonder! als de overpriesters hem tot een marktplaats maakten, kunnen de kinderen er wel een speelplaats van maken, maar wij willen hopen, dat velen van hen er ter aanbidding zijn geweest. Het is goed, om de kinderen reeds vroeg naar het huis des gebeds te brengen, want dezulke is het koninkrijk der hemelen. Laat aan de kinderen geleerd worden de gedaante der Godzaligheid aan te nemen, het zal er toe kunnen bijdragen om hen tot de kracht er van te doen komen. Christus had tedere liefde voor de lammeren der kudde. Zij waren daar, roepende: Hosanna, den Zone David's! Dit leerden zij van de volwassenen. Kleine kinderen zeggen en doen wat zij anderen horen zeggen en zien doen, zo gemakkelijk volgen zij anderen na, en daarom behoort men wèl zorg te dragen, dat men hun een goed, en geen slecht voorbeeld geeft. In den omgang met de jeugd behoort de meest mogelijke zorgvuldigheid en nauwgezetheid in acht genomen te worden. Kinderen zullen van hen, in wier gezelschap zij zijn, leren zweren en vloeken, of bidden en loven. De Joden hebben de kinderen reeds vroeg geleerd takken aan te brengen voor het Loofhuttenfeest, en Hosanna te roepen, maar God heeft hen hier geleerd dit toe te passen op Christus. Hosanna den Zone David's! is een uitroep, die zeer voegzaam is in den mond van kinderen, die reeds vroeg de tale Kanaäns moeten leren. Onze Heere Jezus heeft het niet alleen toegelaten, maar had er een welbehagen in, en haalde ene Schriftuurplaats aan, die er door vervuld werd, Psalm 8:3, of er tenminste mede in overeenstemming was: Uit den mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toebereid. Sommigen denken, dat dit ziet op de instemming der kinderen met de toejuiching des volks en het lied der vrouwen, waarmee David geëerd werd, toen hij terugkeerde van het verslaan van den Filistijn, en daarom hier met juistheid toegepast wordt op de hosanna's, waarmee de Zone David's werd begroet, nu Hij den strijd tegemoet ging met Satan, dien Goliath. Het is er zo ver vandaan dat Christus zich den dienst van kinderen schaamt, dat Hij dien veeleer zeer bijzonder opmerkt-en kinderen worden gaarne opgemerkt-en dat Hij er een welbehagen in heeft. Indien God nu geëerd mag worden door kleine kinderen en zuigelingen, hoe veel te meer dan niet, door kinderen, die reeds tot rijpheid en enigerlei bekwaamheid zijn opgegroeid. Uit den mond der zodanige is lof bereid, of volkomen gemaakt, het heeft zeer bijzonder de strekking om God te verheerlijken, als kleine kinderen instemmen met Zijn lof. De lof zou gebrekkig en onvolkomen geacht worden, indien zij er niet in deelden, hetgeen voor kinderen ene aanmoediging is om intijds God te vrezen, en voor de ouders om hen dit te leren, van beide ouders en kinderen zal dan de arbeid niet tevergeefs geschieden. In den psalm heet het: Gij hebt sterkte verordineerd. God maakt den lof volkomen door uit den mond der kinderkens en zuigelingen sterkte te verordineren. Als grote dingen tot stand worden gebracht door zwakke middelen, dan wordt God grotelijks hierdoor geëerd, want Zijne kracht wordt in zwakheid volbracht, en de zwakheid van kinderkens en zuigelingen dient tot tegenstelling van de Goddelijke macht. Hetgeen volgt in den psalm: om den vijand en wraakgierige te doen ophouden, was zeer toepasselijk op de overpriesters en schriftgeleerden, maar Christus heeft het niet op hen toegepast. Hij liet het over aan hen zelven, om die toepassing te maken.
Eindelijk. Christus, hen aldus tot zwijgen gebracht hebbende, verliet hen, vers 17. Hij verliet hen uit voorzichtigheid, opdat zij Hem thans niet zouden grijpen, nu Zijne ure nog niet gekomen was, rechtvaardiglijk, omdat zij de gunst Zijner tegenwoordigheid verbeurd hadden. Door te morren wegens den lof aan Christus toegebracht, drijven wij Hem van ons weg. Hij verliet hen, als zijnde onverbeterlijk, en Hij ging uit naar Bethanië, een meer afgezonderde, en dus rustiger plaats, niet zozeer om er ongestoord te kunnen slapen, als wel om er ongestoord te kunnen bidden. Bethanië lag op slechts twee mijlen afstand van Jeruzalem, dien weg legde Hij af te voet, om te tonen dat, toen Hij reed, dit slechts was opdat de Schrift zou vervuld worden. Zijn hart had zich niet verheven door het hosannageroep des volks, maar als hebbende ze vergeten, keerde hij weldra terug tot Zijn nederige en moeizame manier van reizen.