Mattheus 20:17-19
Dit is de derde maal, dat Christus Zijn discipelen Zijn aanstaand lijden mededeelde. Hij ging nu op naar Jeruzalem om het Pascha te vieren, en zich zelven als het grote Paaslam te offeren, beide zaken moesten te Jeruzalem geschieden: dáár moest het pascha gehouden worden, Deuteronomium 12:5, en dáár moest een profeet omkomen, omdat dáár het grote Sanhedrin zat, die de rechters waren in zulk ene zaak, Lukas 13:33. Wij hebben te letten:
I. Op den vertrouwelijken aard dier mededeling, Hij nam tot zich de twaalf discipelen alleen op den weg. Dit was een van die dingen, die hun in de duisternis gezegd werden, maar waarvan zij later in het licht hadden te spreken, Hoofdstuk 10:27. Zijne verborgenheid was voor hen, als Zijne vrienden, en inzonderheid deze verborgenheid. Het was een harde rede, en indien iemand haar kon dragen, konden zij het. Zij zullen meer onmiddellijk met Hem aan gevaar zijn blootgesteld en daarom was het nodig, dat zij het zouden weten, opdat zij, tevoren gewaarschuwd zijnde, zich ook tevoren konden wapenen. Het was nog niet voegzaam er in het openbaar van te spreken.
1. Omdat velen, die Hem nog maar flauw gezind waren, er dan toe gedreven zouden worden, om Hem terstond den rug toe te keren. De ergernis van het kruis zou hen afgeschrikt hebben, om Hem nog verder te volgen.
2. Omdat velen, die Hem met warmte aanhingen, er toe gedreven zouden worden, om de wapenen op te nemen ter Zijner verdediging, en dit zou een oproer onder het volk hebben verwekt, Hoofdstuk 26:5, waarvan Hem dan de schuld zou gegeven worden, en behalve nog, dat zodanige wijze van doen volstrekt onbestaanbaar was met den aard Zijns koninkrijks, dat niet is van deze wereld, heeft Hij ook nooit iets aangemoedigd, dat de strekking had om Zijn lijden te verhinderen of te voorkomen. Deze woorden werden niet gesproken in de synagoge, of in het huis, maar op den weg, terwijl zij voortreisden, waaruit wij kunnen leren, om op onze wandelingen of onze reizen met onze vrienden zodanige gesprekken te voeren, die goed zijn tot nuttige stichting. Zie Deuteronomium 6:7.
II. Op de voorzegging zelf, vers 18, 19.
1. Het is slechts ene herhaling van wat Hij meermalen tevoren gezegd had, Hoofdstuk 16:21, 17:22, 23. Dit geeft te kennen, dat Hem niet slechts het lijden, dat Hem wachtte, duidelijk voor ogen stond, maar dat Zijn hart in dat lijdenswerk was. Het vervulde Hem, niet met vrees, want dan zou Hij er zich op toegelegd hebben om er aan te ontkomen, en dat zou Hij hebben kunnen doen, maar met verlangen en verwachting. Hij heeft zo dikwijls van Zijn lijden gesproken, omdat Hij door dat lijden tot Zijne heerlijkheid zou ingaan. Het is goed voor ons om dikwijls aan onze dood te denken en er van te spreken, en van het lijden, dat ons waarschijnlijk te wachten staat, zodat wij er gemeenzamer mede bekend wordende, de verschrikking er van ook minder voor ons worde. Dat is ene manier van alle dagen te sterven, en van het dagelijks op ons nemen van het kruis, om dagelijks van het kruis en van sterven te spreken, en dit kruis en het sterven zouden er niet sneller of gewisser door komen, maar wel veel beter, als wij er dus onze gedachten en onze gesprekken aan wijdden.
2. Hij treedt hier meer in bijzonderheden aangaande Zijn lijden dan tevoren. Hij had gezegd, Hoofdstuk 16:21, dat Hij veel zou lijden, en gedood zou worden, en-Hoofdstuk 17, 22-dat Hij overgeleverd zal worden in de handen der mensen, en dat zij Hem zullen doden, maar nu voegt Hij er bij, dat Hij ter dood veroordeeld en den heidenen overgeleverd zal worden, dat zij Hem zullen bespotten en geselen, en kruisigen. Dat zijn schrikkelijke dingen, en het stellige, zekere vooruitzicht er van was genoeg om gewone kloekmoedigheid of vastberadenheid te doen wankelen, maar-gelijk van Hem voorzegd was: Hij bezweek niet en was niet ontmoedigd, Jesaja 42:4 1), maar hoe duidelijker Hij Zijn lijden voorzag, hoe kloekmoediger Hij het tegemoet trad. Hij voorzegt door wie Hij zal lijden, door de overpriesters en schriftgeleerden, dat had Hij tevoren reeds gezegd' maar nu voegt Hij er bij: Zij zullen Hem den heidenen overleveren, ten einde beter verstaan te worden: want de overpriesters en schriftgeleerden hadden de macht niet om Hem ter dood te brengen, en de kruisiging was ene wijze van terdoodbrenging, die bij de Joden niet in zwang was. Christus heeft geleden van de boosaardigheid der Joden en der heidenen, omdat Hij moest lijden tot behoudenis beide van Joden en heidenen. Beiden waren schuldig aan Zijn dood, omdat Hij beiden door Zijn kruis zou verzoenen, Efeze 2:16.
3. Hier, gelijk tevoren, maakt Hij tevens melding van Zijne opstanding: Ten derden dage zal Hij weer opstaan. Hij gewaagt hiervan
a. om zich te bemoedigen onder zijn lijden, en het blijmoedig te kunnen dragen. Voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, heeft Hij het kruis verdragen, Hij voorzag dat Hij zou opstaan, en dat wel spoedig, ten derden dage. Hij zal terstond verheerlijkt worden, Johannes 13:32. Het loon is niet slechts zeker, maar zeer nabij.
b. Om Zijne discipelen te bemoedigen en hen te troosten, die als overstelpt en grotelijks verschrikt zouden zijn door Zijn lijden.
c. Om ons te zeggen, dat wij onder alle lijden van dezen tegenwoordigen tijd het gelovig vooruitzicht moeten behouden op de heerlijkheid, die geopenbaard staat te worden, te zien op de dingen, die men niet ziet, en die eeuwig zijn, hetgeen ons instaat zal stellen, om de tegenwoordige verdrukking licht te achten en zeer haast voorbijgaande.