Johannes 18:1-12
De ure was nu gekomen, dat de overste Leidsman onzer zaligheid, die door lijden geheiligd moest worden, met den vijand in het worstelperk zou treden. Wij zien Hem hier den vijand tegemoet gaan. De dag der wraak was in Zijn hart, en het jaar Zijner verlosten was gekomen, en Zijn arm beschikt heil, want er is niemand, die helpt. Laat ons nu ons daarheen wenden, en dat grote gezicht bezien.
I. Als een stoutmoedig, onversaagd kampioen treedt onze Heere Jezus het eerst het strijdperk binnen, vers 1, 2. Jezus dit gezegd hebbende, deze rede uitgesproken, dit gebed gebeden hebbende, en aldus Zijne getuigenis voleindigd hebbende, wilde Hij geen tijd verliezen, maar ging uit -verliet onmiddellijk het huis, en de stad, bij maanlicht, want het pascha werd bij volle maan gevierd-met Zijne discipelen (de elven, want Judas hield zich met iets anders bezig) over de beek Kedron, die tussen Jeruzalem en den Olijfberg stroomt, waar een hof was, niet Zijn eigen hof, maar van den een of anderen vriend, die er Hem het gebruik van toestond. Merk op:
1. Dat onze Heere Jezus tot Zijn lijden inging, nadat Hij deze woorden gesproken had, zoals Mattheus 26:1. Als Jezus al deze woorden geëindigd had. Het ambt van den priester bestond in onderwijzen, bidden en offers brengen. Nadat Christus nu onderwezen en gebeden had, begeeft Hij er zich toe verzoening te doen. Christus had gezegd alles wat Hij als Profeet te zeggen had, en nu gaat Hij Zijn ambt als Priester uitoefenen, om Zijne ziel tot een schuldoffer te stellen, en als Hij dat werk zal volbracht hebben, dan zal Hij tot Zijn koninklijk ambt ingaan. Door Zijne rede had Hij Zijne discipelen, en door Zijn gebed zich zelven, voorbereid op deze ure der beproeving, en nu ging Hij haar kloekmoedig tegen. Niet voordat Hij Zijne wapenrusting had aangegord, trad Hij het strijdperk binnen. Laat hen, die overeenkomstig den wil van God lijden voor een goede zaak, met een goed geweten, en daar duidelijk en bepaald toe geroepen zijnde, zich hiermede vertroosten, dat Christus de Zijnen geen strijd zal laten aanbinden, of Hij zal eerst doen wat nodig is om er hen op voor te bereiden, en indien wij Christus' onderrichtingen en vertroostingen ontvangen en deelhebben aan Zijne voorbede, dan kunnen wij vastberaden op den weg des plichts door de grootste moeilijkheden en bezwaren heengaan.
2. Dat Hij uitging met Zijne discipelen. Judas wist in welk huis Hij was in de stad, en Hij zou hebben kunnen blijven om hier tot Zijn lijden in te gaan, maar:
a. Hij wilde doen, zoals Hij gewoon was te doen, en gene verandering hierin brengen, hetzij om Zijn kruis te ontmoeten, of het te ontgaan, toen Zijne ure was gekomen. Als Hij te Jeruzalem was, was Hij gewoon om, na den dag in openbaren arbeid te hebben doorgebracht, zich des avonds naar den Olijfberg te begeven, dáár, aan het uiteinde der stad, bracht Hij den nacht door, want zij wilden Hem gene plaats inruimen in de paleizen, in het hart der stad. Dit nu Zijne gewoonte zijnde, wilde Hij er niet van afwijken wegens het vooruitzicht op Zijn lijden, maar deed, evenals Daniël, ganselijk gelijk Hij voor dezen gedaan had, Daniël 6:11.
b. Hij was er even afkerig van als Zijne vijanden, dat er oproer onder het volk zou worden, want het was Zijne gewoonte niet te twisten of te roepen. Indien Hij in de stad gevangen ware genomen, en er zou daarbij een oploop hebben plaatsgehad, dan zou er kwaad hebben kunnen geschieden, er zou veel bloed zijn vergoten, en daarom trok Hij zich terug naar buiten. Als wij ons in moeilijkheden bevinden, dan moeten wij bevreesd zijn om er anderen mede in te wikkelen. Het is geen oneer voor de volgelingen van Christus, om met gedweeheid te vallen. Zij, die naar ere staan bij de mensen. laten er zich op voorstaan, dat zij hun leven zo duur verkopen als zij slechts kunnen, maar zij, die weten, dat hun bloed dierbaar is in de ogen van Christus, en dat er geen droppel van vergoten zal worden dan om zeer geldige en gewichtige redenen, zullen noch zo denken, noch zo handelen.
c. Hij wilde reeds bij het begin van Zijn lijden ons een voorbeeld stellen, zoals Hij het ook bij het einde er van gedaan heeft, van een zich terugtrekken van de wereld. Laat ons tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijne smaadheid dragende. Hebreeën 13:13. Als wij blijmoedig ons kruis op willen nemen, en daarin onze gemeenschap met God willen onderhouden, dan moeten wij de volksmenigten en de zorgen en de gerieflijkheden der steden, zelfs der heilige steden, ter zijde stellen en ze gaarne achterlaten.
3. Dat Hij over de beek Kedron ging. Hij moest die overgaan om naar den Olijfberg te komen, maar dat dit opgemerkt en vermeld wordt, duidt aan, dat daar iets van betekenis in gelegen was, en het wijst:
a. Op David's profetie betreffende den Messias, Psalm 110:7, dat Hij op den weg uit de beek zal drinken, de beek des lijdens op den weg naar Zijne heerlijkheid en onze zaligheid, betekend door de beek Kedron, de zwarte beek, aldus genoemd, hetzij vanwege het duistere of sombere van de vallei, door welke zij heen stroomde, of vanwege de kleur van het water, bedorven en troebel gemaakt door het vuil der stad, uit zulk een beek heeft Christus gedronken, toen zij op den weg lag van onze verlossing, en daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen, het Zijne en het onze.
b. Op David's voorbeeld, als type van den Messias. Bij zijne vlucht voor Absalom wordt bijzonder nota genomen van zijn overgaan over de beek Kedron, en zijn opgaan door den opgang der olijven, 2 Samuël 15:23, 30. De Zone David's, uitgedreven zijnde door de rebellerende Joden, die niet wilden, dat Hij over hen zou heersen (en Judas, evenals Achitofel in het complot tegen Hem zijnde) ging over de beek in geringheid en vernedering, vergezeld door een gezelschap van ware rouwbedrijvenden. De Godvruchtige koningen van Juda hadden de afgoden, die zij vonden, vernield en verbrand aan de beek Kidron, Asa, 2 Kronieken 15:16, Hizkia, 2 Kronieken 30:14, Josia, 2 Koningen 23:4, 6. In die beek werden de afgrijselijke dingen geworpen. Christus, nu zonde voor ons gemaakt zijnde, ten einde haar te vernietigen en weg te nemen, begon Zijn lijden bij diezelfde beek. De Olijfberg, waar het lijden van Christus begon, ligt ten oosten van Jeruzalem, de berg Calvarië, waar Zijn lijden eindigde, ten westen, want daarin had Hij dezulken op het oog, die van het oosten en het westen komen zouden.
4. Dat Hij in een hof ging. Van deze omstandigheid wordt alleen door dezen evangelist nota genomen, dat Christus' lijden in een hof begonnen is. In den hof van Eden is de zonde begonnen, dáár werd de vloek uitgesproken, dáár werd de Verlosser beloofd, en daarom is dat beloofde Zaad in een hof met de oude slang in het strijdperk getreden. Christus werd ook in een hof begraven.
a. Als wij in onzen hof wandelen, laat ons er dan aanleiding in vinden om na te denken over Christus' lijden in een hof, waaraan wij het genot te danken hebben, dat wij in onzen hof smaken, want door Zijn lijden is de vloek weggenomen, die over het aardrijk om des mensen wil was uitgesproken. b. Temidden van onze bezittingen en genietingen, moeten wij benauwdheid en moeite verwachten, want onze lusthoven zijn in een tranendal gelegen.
5. Dat Zijne discipelen met Hem waren:
a. Omdat Hij Zijne discipelen placht mede te nemen, als Hij zich terugtrok tot gebed.
b. Zij moesten getuigen zijn van Zijn lijden, en van Zijn geduld en lijdzaamheid er onder, opdat zij het met des te meer verzekerdheid en liefde aan de wereld kunnen verkondigen, Lukas 24:48, en zelven op lijden voorbereid zouden zijn.
c. Hij wilde hen medenemen in het gevaar, om hun hun zwakheid te tonen, niettegenstaande hun belofte van Hem getrouw te zullen blijven. Christus brengt Zijn volk soms in moeilijkheden, ten einde zich groot te maken in hun verlossing.
6. Dat Judas, de verrader, de plaats kende, wist dat het de plaats was, waar Hij gewoon was zich terug te trekken, en waarschijnlijk wist hij door een woord, dat door Christus gezegd was, dat Hij voornemens was om, bij gebrek aan een beter bidvertrek, er dien avond heen te gaan. Een eenzame hof is een geschikte plaats voor overdenking en gebed, en na ene paschaviering is het een geschikte tijd, om zich af te zonderen tot stille oefening der Godsvrucht, ten einde te bidden met betrekking tot de indrukken, die wij hebben ontvangen, en de geloften, die wij hebben hernieuwd. Er wordt melding van gemaakt, dat Judas die plaats kende:
a. Om de zonde van Judas te verzwaren, daar hij zijn Meester ging verraden in weerwil van zijn innige bekendheid met Hem, ja, dat hij gebruik wilde maken van zijn vertrouwelijken omgang met Christus, daar die hem de gelegenheid gaf om Hem te verraden, een grootmoedig hart zou het veracht hebben om zo laaghartig ene daad te doen. Aldus zijn aan Christus' heiligen Godsdienst wonden geslagen in het huis zijner liefhebbers, zoals dit nergens anders had kunnen geschieden. Menig afvallige zou niet zo goddeloos hebben kunnen zijn, indien hij niet een belijder ware geweest, zou de Schrift en de inzettingen niet hebben bespot, indien hij ze niet gekend had.
b. Om de liefde van Christus groot te maken, die, hoewel Hij wist dat de verrader Hem zou zoeken, derwaarts heenging om door hem gevonden te worden, nu Hij wist dat Zijne ure was gekomen. Zo bereid heeft Hij zich getoond, om voor ons te lijden en te sterven. Wat Hij deed, deed Hij niet uit dwang, maar uit vrijwillige toestemming, hoewel Hij als mens zei: Laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan, heeft Hij als Middelaar gezegd: Zie, Ik kom. Het was laat in den avond (naar wij kunnen veronderstellen, acht of negen uur) toen Christus uitging naar den hof, want het was niet slechts Zijne spijs en drank, maar Zijne rust en Zijn slaap, om den wil te doen van Hem, die Hem had gezonden. Als anderen zich ter ruste begaven, begaf Hij zich tot gebed, ging Hij heen om te lijden.
II. De overste Leidsman onzer zaligheid het strijdperk binnengetreden zijnde, verschijnt nu ook de vijand ter plaatse, en valt Hem aan, vers 3:Judas en zijne mannen komen, afgezonden door de overpriesters, inzonderheid door diegenen onder hen, die Farizeeën waren, welke de bitterste vijanden waren van Christus. Deze evangelist zwijgt over Christus' benauwdheid en zielenstrijd, omdat die door de drie anderen volledig verhaald waren, maar voert terstond Judas en zijne metgezellen ten tonele, die gekomen waren om Hem te grijpen. Let op:
1. De personen, die bij deze handeling gebruikt werden, een bende krijgsknechten en enige dienaars van de overpriesters en Farizeeën met Judas.
a. Hier is ene menigte, verbonden tegen Christus-een bende van krijgsknechten, speira, een regiment, een Romeinse bende, die, naar sommigen denken, uit vijfhonderd man bestond, anderen zeggen uit duizend man. Christus' vrienden waren weinigen in getal, Zijne vijanden velen. Laat ons daarom niet ene menigte volgen om kwaad te doen, noch ene menigte vrezen, die beraamt om ons kwaad te doen, zo God voor ons is.
b. Hier is een gemengde schare, de bende der krijgsknechten waren heidenen, Romeinse soldaten, een detachement van de wacht, die aan den toren van Antonia was geplaatst, om de stad in bedwang te houden, de dienaars van de overpriesters, hetzij hun huisbedienden of beambten van hun hof, waren Joden, dezen waren in vijandschap met elkaar, maar verenigd tegen Christus, die gekomen is om die beiden met God in een lichaam te verzoenen.
c. Het is een afgevaardigde schare, geen volksoploop, neen, zij hebben orders ontvangen van de overpriesters, op wier inblazing aan den stadhouder, dat deze Jezus een gevaarlijk man was, zij waarschijnlijk ene volmacht van hem ontvangen hadden om Hem gevangen te nemen, want zij vreesden het volk. Zie wat vijanden Christus en Zijn Evangelie gehad hebben, en waarschijnlijk nog hebben zullen, talrijk en machtig, en daarom geducht, kerkelijke en burgerlijke overheden hebben zich tegen Hem verenigd, Psalm 2:1, 2. Christus had gezegd, dat dit alzo zijn zou, Mattheus 10:18, en heeft het aldus bevonden.
d. Allen waren onder leiding en aanvoering van Judas. Hij ontving deze bende van krijgsknechten, waarschijnlijk had hij er om gevraagd, aanvoerende dat het noodzakelijk was om hem een sterk geleide mede te geven, even begerig zijnde naar de eer om opperbevelhebber te zijn in deze expeditie, als hij begerig was naar den loon van deze ongerechtigheid. Hij dacht zich verwonderlijk bevorderd en verhoogd, nu hij van de laagste plaats onder de verachtelijke twaalven aan het hoofd van deze geduchte honderden was gekomen. Nooit tevoren had hij zulk een aanzienlijke rol gespeeld, en hij stelde zich wellicht voor, dat het niet de laatste maal zou zijn, maar dat hij ter beloning van zijne diensten wel tot kapitein zou bevorderd worden, of met een nog hogeren rang, zo hij slaagde in zijne onderneming.
2. De toebereidselen, die zij gemaakt hadden tot den aanval: zij kwamen met lantaarns, en fakkelen, en wapenen.
a. Indien Christus zich ging verbergen, dan zouden zij, hoewel er maanlicht was, toch hun licht van lantaarns en fakkelen nodig kunnen hebben, maar zij hadden zich de moeite van ze mede te nemen wel kunnen besparen, de tweede Adam was er niet toe gedreven om zich, gelijk de eerste Adam, te verbergen, hetzij uit vrees of uit schaamte, onder de bomen van den hof. Het was dwaas om een kaars aan te steken, ten einde naar de zon te zoeken. b. Indien Hij weerstand zou bieden, dan konden zij hun wapenen nodig hebben. Maar de wapenen van Zijn krijg waren geestelijk, en met die wapenen had Hij hen dikwijls verslagen en tot zwijgen gebracht, en daarom hebben zij nu de toevlucht genomen tot andere wapenen, zwaarden en stokken.
III. Den eersten aanval van den vijand heeft onze Heere Jezus glorierijk afgeslagen, vers 4-6, waar wij kunnen opmerken:
1. Hoe Hij hen ontvangen heeft, met alle mogelijke zachtmoedigheid jegens hen, en alle mogelijke kalmte in zich zelven.
a. Hij deed hun een zeer bescheiden en zachtmoedige vraag, vers 4. Wetende alles wat over Hem komen zou, en dus gans niet verrast of verwonderd, ging Hij, ongestoord en onverschrokken, uit om hen te ontmoeten, en, alsof Hij onbekommerd en onverschillig was, vroeg Hij zachtjes: "Wie zoekt gij? Wat is er aan de hand? Wat betekent die beweging, dat gewoel in dit uur van den nacht?" Zie hier Christus' voorzien van Zijn lijden, Hij wist alles wat er over Hem komen zou, want Hij had er zich toe verbonden het te ondergaan. Tenzij wij de kracht hebben, die Christus had, om de ontdekking te kunnen dragen, moeten wij niet begerig zijn te weten wat over ons komen zal, wij zouden daardoor de smart reeds vooraf gevoelen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad, maar toch zal het ons goed doen in het algemeen lijden te verwachten, zodat wij, als het komt, kunnen zeggen: "Het is slechts wat wij verwacht hebben, waarvan wij, neerzittende, de kosten overrekend hebben". b. Christus' voortvarendheid om Zijn lijden tegemoet te gaan, Hij is het niet ontvlucht, maar ging het tegemoet, en strekte Zijne hand uit om den bitteren beker op te nemen. Toen het volk Hem een kroon wilde opdringen, en aanbood Hem tot koning te maken in Galilea, trok Hij zich terug en verborg zich, Hoofdstuk 6:15. Maar toen zij kwamen om Hem te dwingen tot een kruis, bood Hij zichzelf er toe aan, want Hij is in de wereld gekomen om te lijden, en Hij is naar de andere wereld heengegaan om te heersen. Dit machtigt ons niet om ons onnodig aan gevaar en moeilijkheden bloot te stellen, want wij weten niet wanneer onze ure gekomen is, maar wij worden tot lijden geroepen, als wij er niet anders dan door zonde aan kunnen ontkomen, en als het daartoe komt, zo laat ons geen ding achten, want het kan ons niet schaden.
b. Hij gaf hun een zeer kalm en zachtmoedig antwoord, toen zij Hem zeiden, wie zij zochten, vers 5. Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazarener, en Hij zei: Ik ben het. a. Het schijnt wel dat hun ogen gehouden werden, dat zij Hem niet ken- den. Hoogstwaarschijnlijk hebben velen uit de Romeinse bende, de beambten van den tempel tenminste, Hem dikwijls gezien, al was het maar om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Judas heeft Hem voorzeker goed genoeg gekend, en toch kon niemand hunner zeggen: Gij zijt de man, dien wij zoeken. Aldus toonde Hij hun de dwaasheid van lichten mede te brengen om er Hem bij te zoeken, want Hij kon maken, dat zij Hem niet herkenden, als zij Hem zagen, en hierin heeft Hij ons getoond, hoe gemakkelijk Hij den raad Zijner vijanden tot zotheid kan maken, en hen kan verbijsteren, als zij op kwaad bedacht zijn. b. In hun navraag naar Hem noemen zij Hem Jezus den Nazarener, de enige titel waarbij zij Hem kenden, en waarschijnlijk was Hij ook aldus genoemd in het bevelschrift tot Zijne gevangenneming. Het was een naam van smaad en minachting, die Hem gegeven was, om het bewijs teniet te doen dat Hij de Messias was. Hieruit blijkt, dat zij Hem niet kenden, niet wisten vanwaar Hij was, want indien zij Hem gekend hadden, zij zouden Hem voorzeker niet vervolgd hebben. c. Hij antwoordt eerlijk en duidelijk: Ik ben het. Hij heeft geen gebruik gemaakt van het voordeel, dat Hij op hen had door hun verblinding, zoals Elisa deed tegenover de Syriërs, toen hij tot hen zei: Dit is de weg niet, en dit is de stad niet, maar Hij gebruikt het als een middel om Zijne bereidwilligheid te tonen om te lijden. Hoewel zij Hem Jezus den Nazarener noemden, antwoordde Hij toch op dien naam, want Hij heeft de schande veracht. Hij had kunnen zeggen: dat ben Ik niet, want Hij was Jezus van Bethlehem, maar Hij wilde zich met geen dubbelzinnigheid inlaten. Hiermede heeft Hij ons geleerd Hem te erkennen en te belijden, wat het ons ook moge kosten, ons Hem en Zijner woorden niet te schamen, maar zelfs in moeilijke tijden Christus gekruist te belijden, en kloekmoedig te strijden onder Zijne banier. Ik ben het. -Dat is de hoogheerlijke naam des gezegenden Gods, Exodus 3:14, en op de eer van dien naam wordt door den gezegenden Jezus met recht aanspraak gemaakt. d. Er wordt in een tussenzin bijzonder nota van genomen, dat Judas ook bij hen stond. Hij, die placht te staan bij hen, die Christus volgden, stond nu bij hen, die tegen Hem streden. Hierdoor wordt een afvallige aangeduid, hij is iemand, die van partij verandert, een overloper. Hij vergezelt zich met hen, met wie zijn hart altijd geweest is, en met wie zijn deel zal zijn in den dag des oordeels. Dit wordt vermeld: Ten eerste. Om de onbeschaamdheid van Judas aan te tonen. Met verbazing vraagt men zich af vanwaar hij de stoutheid had om zijn Meester onder de ogen te komen, en beschaamd noch schaamrood was. Satan' die in zijn hart was, had hem een hoerenvoorhoofd gegeven. Ten tweede. Om te tonen, dat de kracht, die het woord: Ik ben het, vergezelde, inzonderheid tegen Judas gericht was, om de aanvallers in verwarring te brengen. Het was een pijl, gericht op het geweten van den verrader, en die hem trof, want Christus' komst en Zijne stem zullen schrikkelijker zijn voor afvalligen en verraders, dan voor zondaren van een andere klasse.
2. Zie hoe Hij hen verschrikte en hen noodzaakte terug te wijken, vers 6. Zij gingen achterwaarts en, als van den bliksem getroffen, vielen zij ter aarde. Zij schenen niet voorover gevallen te zijn, alsof zij zich voor Hem verootmoedigden en zich aan Hem overgaven, maar achterwaarts, als volhardende tot het uiterste. Aldus werd Christus geopenbaard meer dan mens te zijn, zelfs toen men Hem vertrad, alsof Hij een worm was en geen man. Dat woord: Ik ben het, had de discipelen tot nieuwen moed opgewekt, Mattheus 14:27, maar hetzelfde woord velt Zijne vijanden neer. Hiermede heeft Hij duidelijk getoond:
a. Wat Hij hun had kunnen doen. Toen Hij hen ter aarde wierp, had Hij hen kunnen doden, toen Hij hen door Zijn woord neervelde, had Hij hen ter helle kunnen doen varen, zoals dit met Korach en zijn gezelschap geschied is, maar Hij wilde dit niet. a. Omdat de ure Zijns lijdens was gekomen, en Hij het niet wilde verschuiven. Hij wilde slechts tonen, dat Zijn leven Hem niet afgedwongen werd, maar dat Hij zelf het heeft afgelegd, gelijk Hij gezegd had. b. Omdat Hij een voorbeeld wilde geven van Zijn geduld en verdraagzaamheid ook tegenover de slechtste mensen, en van Zijn medelijdende liefde voor Zijne vijanden. Door hen neer te werpen en het daarbij te laten blijven, riep Hij hen tot bekering en gaf hun nog tijd tot bekering. Maar hun hart was verhard, en het was alles tevergeefs.
b. Wat Hij ten laatste doen zal met al Zijn onverzoenlijke vijanden, die zich niet willen bekeren om Hem heerlijkheid te geven. Zij zullen vluchten, zij zullen voor Hem ter aarde vallen. Nu was de Schrift vervuld, Psalm 20:9. En zij zal al meer en meer vervuld worden, door den Geest Zijns monds zal Hij den ongerechtige verdoen, 2 Thessalonicenzen 2:8, Openbaring 19:21. "Wat zal Hij doen, als Hij komen zal om te oordelen, nu Hij dit gedaan heeft, toen Hij kwam om geoordeeld te worden?" - Augustinus. IV. Zijne vijanden teruggedreven hebbende, schenkt Hij nu bescherming aan Zijne vrienden, en ook dat door Zijn woord, vers 7-9, waar wij kunnen opmerken:
1. Hoe Hij zich aan hun woede bleef blootstellen, vers 7. Zij zijn niet lang ter aarde blijven liggen, maar onder Goddelijke toelating stonden zij op, het is slechts in de andere wereld, dat Gods oordelen eeuwig zijn. Toen zij ter aarde waren gevallen, zou Christus- naar men kon denken, -hun hebben zien te ontkomen. Toen zij weer opgestaan waren, zou men denken dat zij nu van hun vervolging zouden afzien, maar wij bevinden:
a. Dat zij nog even gretig zijn om Hem te grijpen. Het is wel enigszins in verwarring en wanorde, dat zij tot zich zelven komen, zij kunnen niet begrijpen wat hen deerde, waarom zij niet staande konden blijven, maar zij zullen dit aan alles toeschrijven, behalve aan Christus' macht. Er zijn harten, die zo verhard zijn in de zonde, dat niets meer invloed ten goede op hen heeft.
b. Dat Hij nog even gewillig is om zich te laten grijpen. Toen zij voor Hem neergevallen waren, heeft Hij niet over hen gejuicht, maar, hen in verlegenheid ziende, doet Hij hun weer dezelfde vraag: Wie zoekt gij? En zij gaven Hem hetzelfde antwoord: Jezus den Nazarener. In Zijn herhalen van de vraag schijnt Hij nog dichter tot hun geweten te komen. Weet gij niet wie gij zoekt? Bemerkt gij niet, dat gij in dwaling zijt? Hebt gij er nog niet genoeg van gehad, en wilt gij nog eens een strijd met Mij wagen? Heeft ooit iemand zijn hart verhard tegen God en voorspoed gehad?" In hun herhalen van hetzelfde antwoord toonden zij te willen volharden in hun bozen weg. Zij noemen Hem nog Jezus den Nazarener met evenveel minachting als tevoren, en Judas is even hard en onbuigzaam als de anderen. Laat ons dus vrezen, opdat wij door enkele vermetele stappen op een zondigen weg, ons hart niet gaan verharden.
2. Hoe Hij Zijne discipelen tegen hun woede beveiligd heeft. Hij maakte gebruik van Zijn voordeel over hen ter bescherming van Zijne volgelingen. Hij toont Zijne kloekmoedigheid aangaande zich zelven: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben, en nu toont Hij Zijne zorg voor Zijne discipelen: Zo laat dezen heengaan. Hij spreekt dit als een bevel aan hen, veeleer dan als ene overeenkomst met hen, of een beding, want zij waren in Zijne macht, niet Hij in de hun. Hij geeft hun dus een bevel, als machthebbende.
Laat dezen heengaan. Wacht u van hen te molesteren. Het verzwaarde de zonde der discipelen van Hem te verlaten, inzonderheid de zonde van Petrus van Hem te verloochenen, dat Christus in dier voege voor hun veiligheid zorgde, terwijl zij noch het geloof, noch den moed hadden zich hierop te verlaten, maar op zo lafhartige en laaghartige wijze zelven voor hun veiligheid gingen zorgen. Toen Christus zei: Laat dezen heengaan, bedoelde Hij:
a. Zijne liefde en zorg voor Zijne discipelen te tonen. Toen Hij zelf zich aan het gevaar blootstelde, heeft Hij hen er van verontschuldigd, daar zij vooralsnog niet geschikt waren om te lijden, hun geloof was zwak en hun moed was gezonken, en het zou hun ziel in gevaar hebben gebracht, om hen nu reeds tot lijden te roepen. Nieuwe wijn moet niet in oude lederzakken gedaan worden. Daarenboven hadden zij ander werk te doen, zij moeten heengaan, want zij zullen in geheel de wereld moeten gaan om het Evangelie te prediken. Verderf hen niet, want er is een zegen in hen. Nu geeft Christus ons hierin: a. Een grote aanmoediging om Hem te volgen, want, hoewel Hij ons lijden toebedeeld heeft, weet Hij toch wat maaksel wij zijn, en zal Hij wijselijk den tijd van ons kruis kiezen, en het in evenredigheid doen zijn met onze kracht, en zal de Godzaligen uit de verzoeking verlossen, hen er uit verlossen of er hen in door helpen. b. Hij geeft ons een goed voorbeeld van liefde tot onze broederen en belangstellende zorg voor hun welvaren. Wij moeten niet op ons eigen gemak en veiligheid alleen bedacht zijn, maar aan die van anderen denken, zowel als aan de onze, en in sommige gevallen meer dan aan de onze. Er is een edelmoedige en heldhaftige liefde, die ons in staat stelt voor de broeders het leven te stellen, 1 Johannes 3:16.
b. Hij wilde een voorbeeld geven van Zijne onderneming als Middelaar. Toen Hij zich aanbood om te lijden en te sterven, was het opdat wij vrijuit zouden gaan. Hij was onze antipsuchos -een lijder in onze plaats, toen Hij zei: Zie Ik kom, heeft Hij ook gezegd: Laat dezen heengaan, zoals de ram, die in Isaak's plaats geofferd werd.
3. Hierin nu heeft Hij het woord bevestigd, dat Hij een weinig tevoren gesproken had, Hoofdstuk 17:12. Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan. Door inzonderheid hierin dit woord te vervullen, gaf Hij de verzekering, dat het ten volle, in zijn gehele uitgestrektheid, vervuld zal worden, niet slechts ten opzichte van hen, die thans met Hem waren, maar ook ten opzichte van allen, die door hun woord in Hem zullen geloven. Hoewel Christus' bewaring van hen inzonderheid bedoeld was van de bewaring hunner ziel voor zonde en afval, wordt het hier toch toegepast op de bewaring van hun natuurlijk leven, en dat wel zeer gepast, want zelfs het lichaam maakte een deel uit van hetgeen aan Christus' zorg en hoede was toevertrouwd, en Hij moest het dus bewaren, zowel als de ziel en den geest, 1 Thessalonicenzen 5:23, 2 Timotheus 4:17, 18. Christus zal het natuurlijke leven bewaren voor den dienst, waartoe het bestemd is, het is Hem gegeven om voor Hem gebruikt te worden, en Hij zal er den dienst niet van verliezen, maar zal er in verheerlijkt en groot gemaakt worden, hetzij door het leven, of door den dood. Het zal blijven leven, zolang er nog gebruik van gemaakt kan worden, Christus' getuigen zullen niet sterven, voor zij hun getuigenis hebben afgelegd. Maar dit is niet alles: deze bewaring der discipelen was, in de strekking er van, een geestelijke bewaring. Zij waren nu zo zwak in geloof en moed, dat zij, indien zij toen tot lijden geroepen waren, naar alle waarschijnlijkheid zich zelven en hun Meester tot schande geweest zouden zijn, en sommigen van hen, de zwakkeren tenminste, zouden verloren zijn gegaan, en daarom, opdat Hij geen hunner zou verliezen, heeft Hij hen niet aan gevaar willen blootstellen. De veiligheid en de bewaring der heiligen zijn zij verschuldigd, niet slechts aan de Goddelijke genade, die hun kracht evenredig maakt aan de beproeving, maar ook aan de Goddelijke voorzienigheid, die de beproeving afmeet naar hun kracht.
V. Voorzien hebbende in de veiligheid van Zijne discipelen, bestraft Hij de roekeloosheid van een hunner, en beteugelt de gewelddadige heftigheid van Zijne volgelingen, gelijk Hij de gewelddadigheid van Zijne vervolgers had teruggewezen, vers 10, 11, waar wij hebben:
1. Petrus' roekeloosheid. Hij had een zwaard. Het is niet waarschijnlijk, dat hij de gewoonte had van er een te dragen zoals mannen van aanzien dat gewoon zijn, maar zij bezaten met hun allen twee zwaarden, Lukas 22:38, en Petrus, aan wie een was toevertrouwd, trok het, want, indien ooit, dan was het nu de tijd, dacht hij, om er gebruik van te maken, en hij sloeg des hogepriesters dienstknecht, die waarschijnlijk een der ijverigste was. En waarschijnlijk bedoelende hem den schedel te klieven, miste hij zijn doel, en hieuw slechts zijn rechteroor af. Tot grotere gewisheid van de waarheid van het verhaal wordt de naam vermeld van dien dienstknecht, het was Malchus, of Malluch, Nehemia 10:4. a. Wij moeten hier den goeden wil van Petrus erkennen. Hij had een oprechten ijver voor zijn Meester, hoewel hij nu in dwaling was, daar zijn ijver hem verkeerd leidde. Hij had kort tevoren beloofd zijn leven voor Hem te stellen, en wilde nu zijn belofte gestand doen. Waarschijnlijk was hij verbitterd en verontwaardigd Judas aan het hoofd dier bende te zien, zijne laagheid prikkelde Petrus' vermetelheid, en het verwondert mij, dat hij, het zwaard trekkende, het niet tegen het hoofd des verraders gekeerd heeft.
b. Toch moeten wij erkennen, dat Petrus zich verkeerd heeft gedragen, en hoewel zijn goede bedoeling hem ter verontschuldiging kon strekken, kon zij hem toch niet rechtvaardigen. a. Hij had voor hetgeen hij deed geen volmacht van zijn Meester. Christus' krijgsknechten moeten het woord van bevel afwachten, maar het niet vooruitlopen. Eer zij zich blootstellen aan lijden, moeten zij wel toezien, niet alleen dat de zaak, waarvoor zij lijden, goed is, maar dat hun roeping tot dat lijden duidelijk is. b. Hij zondigde tegen den plicht van zijne plaats, en weerstond de bestaande machten, hetgeen nooit door Christus aangemoedigd of goedgekeurd werd, maar wèl door Hem werd verboden, Mattheus 5:39:dat gij den boze niet weerstaat.
c. Hij stelde zich tegen zijns Meesters lijden, en, in weerwil van de bestraffing, die hij reeds eenmaal daarvoor ontvangen had, gaat hij dit nu herhalen: Meester, wees U genadig, dat zal U geenszins geschieden, hoewel Christus hem gezegd had, dat Hij moest en wilde lijden, en dat Zijne ure nu gekomen was. Terwijl hij aldus voor Christus scheen te strijden, streed hij in werkelijkheid tegen Hem. d. Hij schond het verdrag, dat zijn Meester zo-even met den vijand was aangegaan. Toen Hij zei: Laat dezen heengaan, was Hij niet slechts overeengekomen voor hun veiligheid, maar had Hij ook met Zijn woord ingestaan voor hun goed gedrag, en dat zij zich stil en rustig zouden verwijderen, Petrus had dit gehoord maar wilde er zich toch niet door gebonden rekenen. Evenals wij ons schuldig kunnen maken aan zondige lafhartigheid, als wij geroepen zijn om voorwaarts te gaan, zo kunnen wij ons ook schuldig maken aan een zondige voortvarendheid, als wij tot wijken worden geroepen. e. Hij heeft dwaselijk zich zelven en zijne medediscipelen aan den toorn dezer verwoede menigte blootgesteld. Indien hij het hoofd van Malchus had afgehouwen in plaats van zijn oor, dan kunnen wij onderstellen, dat de soldaten zich op al de discipelen zouden geworpen en hen in stukken zouden gehouwen hebben, waarna zij dan Christus zouden voorgesteld hebben als niet beter dan Barabbas. Aldus hebben velen in hun ijver voor zelfbehoud er zich schuldig aan gemaakt zich zelven te verderven. f. Petrus heeft zich zo spoedig daarna lafhartig betoond (zijn Meester verloochenende), dat wij reden hebben te geloven, dat hij dit niet gedaan zou hebben, als hij niet gezien had, hoe zijn Meester hen ter aarde deed vallen, en hij hen dus gemakkelijk kon overmeesteren, maar toen hij zag, dat Hij zich desniettemin aan hen overgaf, ontzonk hem de moed. Maar de ware Christelijke held zal voor de zaak van Christus opkomen, niet slechts wanneer zij de bovenhand heeft, maar als zij in verval schijnt te geraken, hij zal zich aan de rechte zijde bevinden, ook als zij niet de winnende zijde is.
c. Wij moeten Gods besturende voorzienigheid erkennen, waardoor de hand geleid werd toen zij den slag toebracht (zodat er geen zwaarder letsel door toegebracht werd, dan dat hem het oor werd afgehouwen, hetgeen hem meer tekende dan verminkte), waardoor ook aan Christus de gelegenheid werd gegeven om Zijne macht en goedheid te tonen door de wonde te genezen, Lukas 22:51. Hetgeen dus tot versmaadheid van Christus scheen te zullen strekken, bleek tot Zijne eer uit te lopen, zelfs onder Zijne tegenstanders. 2. De bestraffing, die zijn Meester hem gaf.
Steek uw zwaard in de schede. Het is een zachte bestraffing, omdat het zijn ijver was, waardoor hij zich had laten vervoeren. Christus heeft de zaak niet verzwaard, hij gebood hem slechts het niet weer te doen. Velen denken, dat het verdriet of de benauwdheid, waarin zij zich bevinden, hen tot verontschuldiging zal dienen, als zij haastig en driftig zijn tegenover hen, die hen omringen, maar Christus heeft ons hier een voorbeeld gegeven van zachtmoedigheid onder lijden. Petrus moet zijn zwaard in de schede steken, want het was het zwaard des Geestes, dat hem toevertrouwd werd- krijgswapenen, die niet vleselijk zijn, maar krachtig. Toen Christus met een woord de aanvallers ter aarde wierp, toonde Hij aan Petrus hoe hij gewapend moest en zou zijn met een woord, dat levend en krachtig is en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en niet lang daarna heeft hij daarmee Ananias en Saffira dood aan zijne voeten gelegd.
3. De reden voor deze bestraffing: Den drinkbeker, dien Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken? Mattheus deelt ons een andere reden mede, die Christus gaf voor deze bestraffing, maar Johannes heeft deze opgetekend, die Mattheus had overgeslagen, waarin Christus ons:
a. Een volkomen bewijs geeft van Zijne onderworpenheid aan Zijns Vaders wil. Van alles wat Petrus verkeerd gedaan heeft, duidt Hij hem niets zo ten kwade, als zijne poging om Hem van lijden af te houden nu Zijne ure was gekomen. "Hoe, Petrus! wilt gij u stellen tussen den beker en Mijn mond? Ga weg, Satan". Als Christus besloten heeft te lijden en te sterven, dan is het verwaandheid van Petrus om er zich in woord en daad tegen te verzetten: "Zal Ik dien beker niet drinken?" Die wijze van uitdrukking geeft een vast, onwrikbaar besluit te kennen om geen ogenblik zelfs aan een tegenovergesteld denkbeeld plaats te geven. Hij was bereid en gewillig dien beker te drinken, hoewel het een bittere beker was, een mengsel van gal en alsem, een beker der zwijmeling, de droesem van den beker van des Heeren grimmigheid, Jesaja 51:12. Hij dronk hem, opdat Hij ons den beker des heils in handen zou kunnen geven, den beker der vertroosting, den beker der dankzegging, en Hij is gewillig om den bitteren beker te drinken, omdat Zijn Vader Hem dien had gegeven. Indien Zijn Vader het aldus wil, dan is het aldus het beste, laat het dus zo zijn.
b. Een voorbeeld voor ons van onderworpenheid aan Gods wil in alles wat ons betreft. Wij moeten Christus bescheid doen in den beker, dien Hij dronk, Mattheus 20:23, en tot die onderwerping moeten wij komen door bij ons zelven te zeggen: "Het is slechts een beker, vergelijkenderwijs gesproken iets zeer gerings, waarin die dan ook moge bestaan. Het is geen zee, geen Rode Zee, geen Dode Zee, want het is de hel niet, hij is licht en duurt slechts een ogenblik. Het is een beker, die ons gegeven is, lijden is een gave. Hij wordt ons gegeven door een Vader. die eens Vaders liefde heeft, en niet bedoelt ons leed te doen.
VI. Volkomen instemmende met Zijns Vaders wil en beschikking, geeft Hij zich kalm en rustig over als gevangene, niet omdat Hij niet had kunnen ontkomen, maar omdat Hij het niet wilde. Men zou gedacht hebben, dat Zijne genezing van Malchus' oor hen zachter gestemd moest hebben, maar zij konden door niets bewogen worden. "Hun gevloekte toorn kon noch door de grootheid van het wonder, noch door het vriendelijke, liefdevolle der gunst tot bedaren worden gebracht", zegt Anselmus. Merk hier op: 1. Hoe zij Hem grepen. "Zij namen Jezus gezamenlijk". Slechts enkelen hunner konden de handen aan Hem slaan, maar allen worden er verantwoordelijk voor gesteld, want allen werkten er toe mede. Bij het plegen van verraad zijn allen, die er aan deelnemen, gelijkelijk schuldig. Nu was de Schrift vervuld: Vele varren hebben Mij omsingeld, Psalm 22:13.
Zij hadden Mij omringd als bijen, Psalm 118:11.
De adem onzer neuzen, de Gezalfde des Heeren, is gevangen in hun groeven, Klaagliederen 4:20. Zij waren zo dikwijls teleurgesteld in hun pogingen om Hem te grijpen, dat zij, naar wij kunnen denken, nu zij Hem hebben, zich met des te meer heftigheid op Hem wierpen.
2. Hoe zij zich van Hem verzekerden: zij bonden Hem. Van deze bijzonderheid van Zijn lijden wordt alleen door dezen evangelist nota genomen, namelijk dat Hij, zodra zij zich van Hem meester hadden gemaakt, gebonden werd. De overlevering zegt: "Zij bonden Hem met zo grote wreedheid, dat Hem het bloed uit de vingertoppen droop, en Zijne handen op Zijn rug gebonden hebbende, deden zij Hem een ijzeren keten om den hals, en sleepten Hem daaraan voort. Zie Gerhard Harm, Cap. 5.
a. Dit toont den haat en de boosaardigheid Zijner vervolgers. Zij bonden Hem. a. Ten einde Hem te kwellen, pijn te veroorzaken, zoals de Filistijnen Simson hebben gebonden om hem te plagen. b. Om Hem te onteren en schande aan te doen, slaven werden gebonden, en zo werd ook Christus, hoewel vrij geboren, gebonden.
c. Ten einde Zijne ontvluchting te voorkomen, daar Judas hun gezegd had Hem te grijpen, Hem vast te houden. Let op hun dwaasheid, dat zij zich verbeeldden de macht te kunnen binden, die zich hun even tevoren zo almachtig had bewezen. d. Zij bonden Hem als iemand, die alrede veroordeeld was, want zij waren besloten Hem tot den dood toe te vervolgen, en dat Hij moest sterven, zoals een dwaas sterft, dat is: als een kwaaddoener, met gebonden handen, 2 Samuël 3:33, 34. Christus had het geweten Zijner vervolgers gebonden door de kracht van Zijn woord, hetgeen hen verbitterde, en om zich nu hierover te wreken, deden zij Hem deze banden aan.
b. In dat gebonden worden van Christus lag een grote betekenis, hierin, gelijk in andere dingen, was ene verborgenheid. a. Eer zij Hem bonden, had Hij zich zelven door Zijne onderneming gebonden aan het werk en het ambt van Middelaar. Hij was reeds aan de hoornen van het altaar gebonden met de koorden van Zijn eigen liefde tot den mens en van Zijne gehoorzaamheid aan Zijn Vader, want anders zouden hun banden Hem niet hebben kunnen houden. b. Wij waren gebonden met de banden onzer zonde, Spreuken 5:22, het juk onzer overtredingen was ons aangebonden. Klaagliederen 1:14. Schuld is een boei der ziel, die ons bindt en voor den rechterstoel Gods daagt, het bederf is een boei der ziel, waardoor wij gebonden zijn onder de macht van Satan. Christus, zonde voor ons gemaakt zijnde, om ons van die banden te bevrijden, heeft er zich aan onderworpen om onzentwille gebonden te worden, want anders zouden wij aan handen en voeten gebonden met eeuwige banden onder de duisternis bewaard zijn gebleven. Aan Zijne banden zijn wij onze vrijheid verschuldigd, Zijne gevangenschap was onze loslating, aldus maakt de Zoon ons vrij.
c. De typen en profetieën van het Oude Testament zijn hierin vervuld geworden. Izaak werd gebonden om geofferd te worden, Jozef was gebonden, zijn persoon kwam in de ijzers, ten einde hem uit te voeren uit de gevangenis om te heersen. Psalm 105:18 en verder. Simson werd gebonden, opdat hij bij zijn dood meer Filistijnen zou doden dan in zijn leven. En van den Messias werd geprofeteerd als een gevangene, Jesaja 53:8 1). d. Christus werd gebonden om ons te binden aan gehoorzaamheid en plicht. Zijne banden voor ons zijn banden op ons, waardoor wij voor altijd gehouden en verplicht zijn Hem lief te hebben en te dienen. Paulus' groet aan Zijne vrienden is Christus' groet aan ons allen: Gedenkt mijner banden, Colossenzen 4:18, gedenkt ze als gebonden tegen alle zonde en aan elke plicht". e. Christus' banden voor ons waren bestemd om onze banden voor Hem licht te maken, indien wij te eniger tijd geroepen worden om aldus voor Hem te lijden, om ze te heiligen en lieflijk te maken en te eren. Dezen hebben Paulus en Silas in staat gesteld te zingen toen hun voeten in den stok waren, en Ignatius om zijne banden voor Christus geestelijke paarlen te noemen. Epist. ad Ephes.