1. Hetgeen, voordat het geopenbaard is (
Vers 2) a) van den beginne, van eeuwigheid (
Hoofdstuk 2:13,
14 Johannes 1:1.
2 Thessalonicenzen 2:13), was, hetgeen wij, apostelen (
Handelingen 10:39) gehoord hebben, toen het verschenen was (Johannes stelt hier Christus, de Zoon van God eerst bij wijze van een zaak voor, evenals Paulus in
2 Thessalonicenzen 2:6 v. hem, die het komen van de antichrist nog ophoudt, voorstelt met "wat hem weerhoudt", omdat hij de bedoelde persoon als een principe beschouwt); hetgeen wijgezien hebben met onze ogen (
Lukas 10:23 v. Hand. 4:20), hetgeen wij aanschouwd hebben b) en onze handen getast hebben (
Johannes 1:14;
20:27 van het woord van het leven, al wat wij gehoord, gezien, beschouwd en getast hebben van en aan Hem, die het woord is, dat in de beginne bij God en in wie het leven was (
Johannes 1:2 enz.), dat maken wij u bekend.
a) 2 Petrus 1:16 b) Johannes 20:27
Jezus van Nazareth, van wie de Doper getuigd had als van de eerdere en meerdere dan hij, die hij niet waardig was de schoenriem te ontbinden; Jezus, die tot hem gezegd had: Kom en zie! tot wie hij ook gekomen was, wiens stem en woorden zijn oren gehoord, wiens persoon en werken zijn ogen gezien hadden, op wie hij al de tijd, dat hij met Hem geweest was uitzoekend en nadenkend het oog van zijn ziel gericht had; Jezus, in wie hij "die gevonden had, van wie Mozes en de profeten geschreven hadden", Jezus, de Christus, de Zoon van het levende van God, die in woorden en werken, die in het midden van de diepste vernedering, die door Zijn opstanding uit de doden, de stralen van zijn verborgen Godsheerlijkheid voor hem had doen uitschitteren, die zich trapsgewijs en ten slotte volkomen aan hem geopenbaard had als de Eengeborene van de Vader, met de Vader één, in wie Hij de Vader gezien, in wie Hij zijn Heer en zijn God aangebeden heeft en die Hij nu kent als het Woord, dat in de beginne was, dat bij God, dat God was, het Woord van het leven, het leven zelf, het eeuwige leven, dat bij de Vader was en door welk leven van de Vader uitgaat. Ziedaa het voorwerp van het getuigenis van Johannes de evangelist en apostel, zowel in zijn Evangelie en in zijn brief. En hij, die daarom in deze Jezus niet gelooft als in hetgeen van de beginne was, het Woord des levens, het eeuwige leven, door Zijn openbaring in het vlees, hoorbaar, zichtbaar, aanschouwbaar, tastbaar geworden voor Zijn getuigen; die in Hem niet gelooft als in degene, die de apostel later met zoveel woorden de waarachtige God en het eeuwige leven noemt, die maakt de apostel Johannes of tot een leugenaar of tot een dweper; en deze hoon kan hij hem geenszins vergoeden door hem hoog te verheffen als de apostel van de liefde; want schoon hij ook dit is, in de eerste plaats heeft deze zoon van Zebedeüs de apostel willen zijn van het vlees geworden Woord, van de heerlijkheid van de eengeboren Zoon van de Vader, zoals Zich die te aanschouwen gaf in de Zoon des mensen. En hij, die de verkondiging van Johannes gehoord heeft; die zich door Johannes in hetgeen diens oren gehoord, diens ogen gezien hebben, in hetgeen hij aanschouwd en zijn handen getast hebben van het hem in de Zoon des mensen geopenbaarde Woord van het leven, dat Woord des levens heeft zien aantonen; die op grond van het getuigenis van Johannes van de eeuwige Godsnatuur van zijn Heiland overtuigd is, hoeft zich juist niet zozeer verlegen te maken, wanneer men hem het verwijt toevoegt, dat hij gelooft op gezag. Want welk gezag kan hem dwingen te twijfelen aan de deugdelijkheid van het besluit uit al wat hij gehoord, gezien, aanschouwd en getast heeft, opgemaakt door de discipel, tot wie deze Heiland gezegd heeft: "Kom en zie" en die Hem gezien heeft aan de bruiloftstafel te Kana en aan het graf van Lazarus, die met Hem geweest is op de berg van Zijn verheerlijking, die gestaan heeft onder Zijn kruis, die Zijn graf leeg, die Hem verrezen gevonden heeft, die Hem van de Olijfberg heeft nageoogd, waar een wolk Hem wegnam van zijn ogen en die door Hem met openbaringen van Zijn toekomst verwaardigd is geworden? Er kan geen redelijke twijfel zijn, of de verheven verkondiging van Johannes is op zijn innigste overtuiging gegrond en deze innige overtuiging berust op hetgeen hij gehoord, gezien, aanschouwd en beleefd heeft. Van de waarachtige Godsnatuur van zijn Meester blijkt hij zo stellig overtuigd als van Zijn waarachtige mensheid, van beiden zo zeker als van de liefde, waarmee hij door Hem ontvangen en overladen is; en die zijn hart van een wederliefde kloppen doet, die het nieuwe leven van zijn ziel is geworden. Waar de verkondiging van Johannes een zelfde liefde voor hetzelfde voorwerp heeft opgewekt, kan zij daar anders dan het hart van een zelfde aanbidding vervullen?
Het onderwerp van Johannes' prediking was Jezus Christus en Die gekruisigd. Hetgeen wij gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u. De prediking van Johannes de Doper was: "Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. " Dit zei hij op Jezus wijzende. Van de prediking van Filippus lezen wij (Handelingen 8:15): "Filippus kwam af in een stad van Samaria en predikte hun Christus. " En toen hij tot de Ethiopische moorman kwam, verkondigde hij hem Jezus. Paulus predikte: "Ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus en die gekruisigd. " Dit was het begin, het middelpunt en het einde van de prediking van Paulus. Dit was de prediking van Johannes: Alles te verkondigen, wat hij met zijn ogen gezien, met zijn oren gehoord en met zijn handen getast had van Immanuël dit was het hoofdpunt van zijn leven geworden dit de alfa en de omega van zijn prediking. Hij wist, dat Jezus was gelijk de albasten fles, vol onvervalste, zeer kostelijke nardus; en zijn hele prediking was daarop gericht, om de fles te verbreken en de kostelijke zalf voor de ogen van arme, bezwijkende zondaren uit te storten, opdat zij door de liefelijke reuk mochten worden aangetrokken. Hij wist, dat Jezus een bundeltje mirre was en zijn gehele leven besteedde hij om dit voor zondaren te openen, opdat zij door de verfrissende geuren mochten worden opgewekt. Hij wist, dat Jezus de balsem van Gilead was en zijn hele streven was daarheen gericht, om deze gezuiverde balsem onder het nog van de zieken van ziel te brengen, opdat zij genezen mochten worden. (R. M. M'CHEYNE).