Lukas 21:1-4
Dit korte verhaal hebben wij tevoren in Markus gehad. Het wordt tweemaal meegedeeld om ons te leren:
1. Dat liefdadigheid jegens de armen een hoofdzaak is in den Godsdienst. Onze Heere Jezus heeft haar bij alle gelegenheden geprezen en aanbevolen. Hij had nu juist gesproken van de barbaarsheid der schriftgeleerden, die de arme weduwen opaten, Hoofdstuk 20, en dit is nu wellicht bedoeld als ene verzwaring er van, dat de arme weduwen de beste weldoensters waren van de publieke fondsen, waar de schriftgeleerden de beschikking over hadden.
2. Dat Jezus Christus Zijn oog op ons gevestigd heeft, en ziet wat wij aan de armen geven, en wat wij bijdragen tot werken van Godsvrucht en liefdadigheid. Hoewel Christus vervuld was van Zijne. prediking, zag Hij op om te zien welke gaven in de schatkist geworpen werden. Hij ziet of wij ruim en mild geven naar verhouding van hetgeen wij hebben, of dat wij er gierig en laag in zijn, ja Zijn oog dringt nog dieper door, Hij ziet of wij met barmhartigheid en gewilligheid geven, of aarzelend of met weerzin. Dit behoort ons bevreesd te maken van in onzen plicht hieromtrent tekort te komen. De mensen kunnen bedrogen worden door verontschuldigingen, die Christus weet ijdel en beuzelachtig te zijn. En dit behoort ons aan te moedigen, om er overvloedig in te wezen, zonder te begeren dat de mensen het zullen weten, het is genoeg dat Christus het weet, Hij ziet in het verborgen, en zal in het openbaar vergelden.
3. Dat Christus de liefdadigheid der armen op een bijzondere wijze ziet en aanneemt. Zij, die niets hebben om te geven, kunnen toch zeer veel doen ter ondersteuning der armen om hen te helpen, die zich zelven niet kunnen helpen, of voor hen te vragen, die voor zich zelven niet kunnen vragen. Maar hier was ene, die zelf arm was, en het weinige dat zij had in de schatkist wierp. Het waren slechts twee kleine penningen, die een oort maken, maar Christus vond het een liefdadigheid, groter en ruimer dan van al de anderen: Zij heeft meer dan allen ingeworpen. Christus laakt haar niet, zeggende dat het onvoorzichtig van haar was te geven, wat zij zelf nodig had, of ijdel, omdat zij met de rijken hare gaven in de schatkist wierp, neen, Hij looft hare milddadigheid en hare bereidwilligheid om het weinigje, dat zij had, af te staan tot heerlijkheid Gods, hetgeen voortkwam uit geloof aan en afhankelijkheid van Gods voorzienigheid, om voor haar te zorgen. Jehova-Jireh - De Heere zal het voorzien.
4. Dat wij voor alles wat een offerande Gods genoemd kan worden, eerbied moeten hebben, en er met blijmoedigheid, naar ons vermogen, ja zelfs boven ons vermogen, voor behoren bij te dragen. Die allen hebben geworpen tot de offeranden Gods. Wat gegeven wordt tot onderhoud van den eredienst en het Evangelie, voor de verspreiding en bevordering van den Godsdienst, de opvoeding der jeugd, de bevrijding van gevangenen, de ondersteuning van weduwen en vreemdelingen, en het onderhoud van arme gezinnen, wordt gegeven tot de offeranden Gods, en zal als zodanig worden aangenomen en vergolden.