Mattheus 27:50-56
Eindelijk hebben wij hier het bericht van Christus' dood, en van verschillende merkwaardige voorvallen, die er mede vergezeld gingen. l. De wijze, waarop Hij den laatsten adem uitblies, vers 50, tussen de derde en de zesde ure, dat is: tussen negen en twaalf uur, naar onze wijze van dagindeling, was Hij aan het kruis genageld, en spoedig na de negende ure, dat is: tussen drie en vier uur in den namiddag, stierf Hij. Dat was de tijd van het avondoffer, en de tijd wanneer het paaslam geslacht werd, en Christus, ons Pascha, voor ons geofferd werd. In den avond der wereld heeft Hij zich Gode geofferd als een slachtoffer en een lieflijken reuk. Het was op dat tijdstip van den dag, dat de engel Gabriël de heerlijke voorzegging van den Messias aan Daniël gebracht heeft, Daniël 9, 21:24, enz. En sommigen denken, dat van den tijd, dat de engel dit gesproken heeft, tot op den tijd, dat Christus stierf, juist zeventig weken waren verlopen, dat is: op den dag af, juist vier honderd en negentig jaren, evenals het vertrek van Israël uit Egypte juist aan het einde van de vier honderd en dertig jaren heeft plaats gehad, Exodus 12:41. Er worden hier twee dingen opgemerkt betreffende de wijze, waarop Christus is gestorven.
1. Dat Hij riep met een grote stem, evenals tevoren, vers 46.
a. Dit nu was een teken, dat na al Zijne vermoeienis en pijn Zijn leven nog gezond in Hem was, en de natuur sterk. Het eerste, wat aan stervende mensen faalt, is de stem. Met hijgenden adem en stamelende tong kunnen nauwelijks enige afgebroken woorden gesproken worden, die slechts met moeite worden gehoord. Maar even voordat Christus den geest gaf, sprak Hij als een man in zijn volle kracht, om te tonen dat het leven Hem niet afgedwongen werd, maar vrijwillig door Hem werd overgegeven in de handen Zijns Vaders, als Zijn eigen daad. Hij, die de kracht had om aldus te roepen toen Hij stierf, zou zich van Zijne banden hebben kunnen ontdoen en de machten des doods hebben kunnen tarten, maar om te tonen, dat Hij door den eeuwigen Geest zich zelven geofferd heeft, daar Hij de priester was, zowel als het offer, riep Hij met een grote stem.
b. Het was veelbetekenend. Deze grote stem toont, dat Hij met onversaagden moed onze geestelijke vijanden aanviel, en met zulk een kloekmoedige vastberadenheid, dat Hij van ganser harte in de zaak is, stoutmoedig is in den strijd. Het was toen, dat Hij de overheden en machten heeft uitgetogen, en met deze grote stem riep Hij als het ware om de overwinning, als een, die machtig is te verlossen. Jesaja 63:1. Vergelijk hiermede Jesaja 42:13, 14, Nu boog Hij zich met al Zijne kracht, zoals Simson, toen hij zei: Mijne ziel sterve met de Filistijnen, Richteren 16:30. Zijn roepen met een grote stem, toen Hij stierf, betekent dat Zijn dood in de gehele wereld bekend gemaakt moest worden, daar de gehele mensheid er belang bij had, en er kennis van behoorde te nemen. Christus' grote stem was als het bazuingeschal bij de offers.
2. Dat Hij toen de geest gaf. Dit is de gewone omschrijving van sterven, om te tonen, dat de Zone Gods aan het kruis wezenlijk en waarlijk gestorven is door de heftigheid der pijnen. die Hij leed. Zijne ziel werd gescheiden van Zijn lichaam, en zo bleef Zijn lichaam toen dus waarlijk en wezenlijk dood. Het was zeker, dat Hij gestorven is, want het was nodig, dat Hij sterven zou, aldus was er geschreven, zowel in de gesloten rol des boeks der Goddelijke raadsbesluiten, als in de open brieven der Goddelijke voorzeggingen, en daarom betaamde het Hem aldus te lijden. De dood, de straf zijnde voor het verbreken van het eerste verbond (Gij zult gewis sterven), moest de Middelaar van het nieuwe verbond verzoening doen door den dood, want anders is er geen vergeving der zonde. Hij had op zich genomen om Zijne ziel te stellen tot een offer voor de zonde, en Hij heeft het gedaan, toen Hij den geest gaf en Zijn leven vrijwillig heeft afgelegd.
II. De wonderen, die Zijn dood vergezelden. Er zijn zoveel wonderen door Hem gewrocht in Zijn leven, dat wij wel kunnen verwachten, dat er wonderen zullen geschieden bij Zijn dood, want Zijn naam werd genoemd Wonderlijk. Indien Hij, gelijk Elia, weggenomen ware geworden in een vurigen wagen, dan zou dat op zichzelf reeds wonder genoeg zijn geweest, maar weggenomen zijnde door een schandelijk kruis, was het nodig, dat Zijne vernedering gepaard zou gaan met zeer opmerkelijke uitvloeiselen van de Goddelijke heerlijkheid.
1. En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën. Dit bericht wordt ingeleid met een: Ziet. Wendt u daarheen, en beziet dat grote gezicht, en zijt verbaasd. Op het ogenblik toen onze Heere Jezus stierf, op den tijd wanneer het avondoffer gebracht moest worden, en op een plechtigen vierdag, toen de priesters dienst deden in den tempel, en er dus zelven ooggetuigen van konden zijn, werd het voorhangsel van den tempel gescheurd door een onzichtbare macht, dat voorhangsel dat het heilige scheidde van het heilige der heiligen. Zij hadden Hem veroordeeld wegens het zeggen: Ik zal dezen tempel afbreken, dit opvattende in letterlijken zin, laat hen dan nu door dit blijk Zijner macht weten, dat Hij, zo het Hem had behaagd, naar Zijn woord had kunnen doen. In dit, evenals in andere van Christus' wonderen, was ene verborgenheid.
a. Het was in overeenstemming met den tempel van Christus' lichaam, dat nu gesloopt werd. Dit was de ware tempel, waarin de volheid der Godheid woonde. Toen Christus riep met een grote stem en den geest gaf, en alzo dien tempel ontbond, heeft de tempel van hout en steen, als het ware, een weerklank gegeven op dat roepen, en den slag beantwoord door zijn voorhangsel te scheuren. De dood is het scheuren van het voorhangsel des vlezes, dat tussen ons en het heilige der heiligen is, dat is de dood van Christus geweest, en dat is ook de dood van ware Christenen.
b. Het betekende de openbaring en blootlegging van de verborgenheden des Ouden Testaments. De voorhang van den tempel diende tot verberging, evenals het deksel op het aangezicht van Mozes, daarom werd hij de voorhang des deksels genoemd: want het was hoogst strafbaar voor een iegelijk, behalve den hogepriester, om de voorwerpen te zien, die in het heilige der heiligen waren, en zelfs deze mocht dit slechts eenmaal in het jaar, en dan in grote plechtigheid en omgeven door een wolk van rook, hetgeen alles het duistere betekende van die bedeling. 2 Corinthiërs 3:13. Maar nu, bij den dood van Christus werd dit alles blootgelegd, de verborgenheden werden ontsluierd, zodat de betekenis er van thans voor een iegelijk zeer duidelijk is geworden. Nu zien wij dat het verzoendeksel Christus, de grote Verzoening betekende, dat de kruik met manna betekende Christus, het Brood des levens. Aldus aanschouwen wij allen met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel (die een hulp is voor het zien, gelijk de voorhang een beletsel was voor het zien). Onze ogen zien de zaligheid.
c. Het betekende de vereniging van Jood en heiden door de wegneming van den middelmuur des afscheidsels, die er tussen hen was, welke bestond in de ceremoniële wet, waardoor de Joden onderscheiden werden van alle andere volken (als een besloten hof) en nabij God gebracht werden, terwijl de anderen op een afstand werden gehouden. In Zijn dood heeft Christus de ceremoniële wet opgeheven, het handschrift dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, uitgewist. Hij nam het uit den weg, nagelde het aan Zijn kruis, en verbrak alzo den middelmuur des afscheidsels, en door deze inzettingen teniet te doen, heeft Hij de vijandschap teniet gedaan, en de twee in zich zelven tot een nieuwen mens geschapen (zoals twee kamers tot een ruim en luchtig vertrek worden gemaakt door een scheidingsmuur weg te breken) vrede makende, Efeze 2:14-16. Christus stierf om alle scheiding-makende voorhangsels te scheuren, en al de Zijnen tot een te maken. Johannes 17:21.
d. Het betekende de inwijding en blootlegging van een versen en levenden weg tot God. Het voorhangsel hield het volk terug van te naderen tot het heilige der heiligen, waar de Shechina was. Maar het scheuren er van betekende, dat Christus door Zijn dood een weg geopend heeft tot God.
A. Voor zich zelven. Dit was de dag der grote verzoening, toen onze Heere Jezus, als de grote Hogepriester, niet door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed eenmaal ingegaan is in het heiligdom, ten teken waarvan het voorhangsel gescheurd werd, Hebreeën 9:7 enz. Zijn offer in het buitenste voorhof gebracht hebbende, werd het bloed er van thans op het verzoendeksel gesprengd binnen den voorhang. Daarom: Heft uwe hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, want de Koning der ere, de Priester der ere, zal ingaan. Nu heeft God Hem doen naderen, tot zich doen genaken, Jeremia 30:21. Hoewel Hij niet dan veertig dagen daarna persoonlijk opgevaren is tot de heilige plaats, niet met handen gemaakt, heeft Hij toch onmiddellijk het recht verkregen om in te gaan.
B. In Hem voor ons, zo wordt het door den apostel verklaard en toegepast, Hebreeën 10:19, 20. Wij hebben vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel. Hij stierf, opdat Hij ons tot God zou brengen, en te dien einde het voorhangsel van schuld en toorn te scheuren, dat tussen ons en Hem was, de cherubs en het vlammend zwaard weg te nemen, en den weg te openen naar den boom des levens. Door Christus hebben wij thans vrijen toegang tot den troon der genade, en hiernamaals tot den troon der heerlijkheid, Hebreeën 4:16, 6:20. Het scheuren van het voorhangsel betekende (gelijk het in een aloud kerklied zo uitnemend is uitgedrukt) dat: toen Christus aan het kruis den dood zijne macht had ontnomen, Hij voor ons den weg heeft gebaand om weer tot God te komen. Niets kan onzen toegang tot den hemel belemmeren, want het voorhangsel is gescheurd, er is ene deur geopend in den hemel. Openbaring 4:1.
2. De aarde beefde, niet slechts de berg Calvarië, waar Christus was gekruisigd, maar het gehele land en de omliggende landen. Deze aardbeving betekende twee dingen.
a. De ontzettende goddeloosheid van hen, die Christus gekruisigd hebben. Door te sidderen onder zulk een last heeft de aarde getuigenis afgelegd van de onschuld van Hem, die vervolgd werd, en tegen de goddeloosheid van hen, die Hem vervolgden. Nooit tevoren heeft de ganse schepping gezucht onder zulk een last als de gekruisigde Zoon van God en de schuldige ongelukkigen, die Hem gekruisigd hebben. De aarde beefde, alsof zij vreesde haren mond open te doen om het bloed van Christus te ontvangen, dat zoveel kostelijker en dierbaarder is dan het bloed van Abel, hetwelk zij ontvangen had, en er om gevloekt werd, Genesis 4:11, 12, en alsof zij gaarne haren mond zou opendoen om de rebellen te verzwelgen, die Hem ter dood hebben gebracht, zoals zij Dathan en Abiram verslonden heeft voor een veel kleinere misdaad. Als de profeet het grote misnoegen Gods wilde uitdrukken tegen de goddeloosheid der goddelozen, dan vraagt hij: Zou het land hierover niet beven? Amos 8:8. b. De glorierijke uitwerkselen van het kruis van Christus. Deze aardbeving betekende de ontzaglijke schok, ja de noodlottige slag, die aan het rijk des duivels werd toegebracht. Zo krachtig was de aanval, dien Christus thans op de helse machten heeft gericht, dat-evenals vanouds, toen Hij voorstoot van Seïr en daarhenen trad van de velden van Edom-de aarde beefde, Richteren 5:4, Psalm 68:8, 9. God schudt alle natiën, als de wens aller natiën is gekomen, en er is een "Nog eens", dat wellicht op deze schudding ziet, Haggai 2:7, 22.
3. De steenrotsen scheurden, het hardste en meest vaste gedeelte van de aarde heeft dezen machtigen schok gevoeld. Christus had gezegd dat, zo de kinderen ophielden van Hosanna te roepen, de stenen roepen zouden, en nu hebben zij dit ook werkelijk gedaan, de heerlijkheid uitroepende van den lijdenden Jezus, en zelven gevoeliger voor het onrecht, dat Hem aangedaan was, dan de verharde Joden geweest zijn, die weldra nog blijde zullen zijn om een kloof in de steenrotsen te vinden om er zich in te verbergen voor het aangezicht degene, die op den troon zit, Openbaring 6:16, Jesaja 2:21. Maar als Gods gramschap uitgestort is als vuur, dan worden de rotsstenen van Hem vermorzeld, Nahum 1:6. Jezus Christus is de Rotssteen, en het scheuren van deze rotsstenen, betekende het scheuren van dien Rotssteen.
a. Opdat wij in de spleten er van ons mogen verbergen, zoals Mozes in de kloof der steenrots van Horeb, en er evenals hij de heerlijkheid des Heeren mogen zien, Exodus 33:22. Van Christus' duive wordt gezegd, dat zij verborgen is in de kloven der steenrotsen, Hooglied 2:14, dat is, gelijk sommigen de toespeling maken, verborgen en beschut in de wonden van onzen Heere Jezus, den gescheurden Rotssteen.
b. Opdat uit die kloven stromen van levend water zullen vloeien en ons zullen volgen in deze woestijn, zoals die welke uit den rotssteen vloeide, dien Mozes sloeg, Exodus 17:6, en dien God kliefde, Psalm 78:15, en die steenrots was Christus, 1 Corinthiërs 10:4. Als wij de gedachtenis vieren van Christus' dood, dan moeten onze harde, rotsachtige harten gescheurd worden-het hart, en niet de klederen. Dat hart is harder dan een rotssteen, dat zich niet wil overgeven, dat niet smelt en vertederd wordt, als Jezus Christus voor de ogen geschilderd wordt, gekruist zijnde.
4. De graven werden geopend. Deze zaak wordt niet zo uitvoerig en in bijzonderheden verhaald als onze nieuwsgierigheid wel zou wensen, want de Schrift is niet bestemd om hieraan te voldoen. Het schijnt dat de aardbeving, die de rotsen scheurde, de graven geopend heeft, en dat vele lichamen van heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt. Voor de heiligen is de dood slechts de slaap van het lichaam, en het graf is het bed, waarop het slaapt. Zij ontwaakten door de kracht van den Heere Jezus, en, vers 53, zijn uit de graven uitgegaan, na Zijne opstanding, en kwamen in de heilige stad, en zijn velen verschenen. Hier nu:
a. Kunnen wij hieromtrent veel vragen doen, waarop geen antwoord gegeven kan worden, zoals: - Wie deze heiligen waren, die opgewekt werden. Sommigen denken de oude aartsvaders, die met zoveel zorg in het land Kanaän begraven waren, wellicht in het gelovig vooruitzicht van het voorrecht dezer vroegtijdige opstanding. Christus had onlangs de leerstelling der opstanding bewezen uit het voorbeeld der aartsvaders, Hoofdstuk 22:32, en hier was nu een spoedige bevestiging er van. Anderen denken, dat het latere heiligen waren, de zodanige, die Christus in het vlees hadden aanschouwd, maar voor Hem gestorven waren, zoals Zijn vader Jozef, Zacharias, Simeon, Johannes de Doper, en anderen, die bij hun leven aan de discipelen bekend waren, en dus des te bevoegder getuigen waren bij hen, aan wie zij verschenen. Zouden wij ook niet kunnen aannemen, dat het de martelaars waren, die in Oud-Testamentische tijden de waarheid Gods met hun bloed hadden bezegeld, en die nu aldus onderscheiden en verwaardigd werden? Christus wijst inzonderheid hen aan als Zijne voorlopers, Hoofdstuk 22:35. En wij bevinden, Openbaring 20:4, 5, dat zij, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus voor de overige doden zijn opgestaan. Die met Christus geleden hebben, zullen het eerst met Hem heersen. Het is onzeker of zij-gelijk sommigen denken-nu, bij den dood van Christus, opgestaan zijn ten leven en elders hebben vertoefd, maar na Zijne opstanding in de stad zijn gegaan, of wel, dat zij- gelijk anderen denken-door de aardbeving uit hun graven geworpen zijn, maar niet herleefd en opgestaan zijn dan na de opstanding van Christus, en dat dit kortheidshalve hier vermeld is met de opening der graven, hetgeen ons het waarschijnlijkst voorkomt. Sommigen denken, dat zij slechts opgestaan zijn, om van Christus' opstanding te getuigen bij hen, aan wie zij verschenen zijn, en hun getuigenis afgelegd hebbende, weer naar hun graven zijn teruggekeerd. Maar het is meer overeenkomstig de eer van Christus en de hun om te veronderstellen, hoewel wij het niet kunnen bewijzen, dat zij, evenals Christus, opgewekt zijn van de doden om niet meer te sterven, en daarom met Hem opgevaren zijn in de heerlijkheid. Over hen, die gedeeld hebben in Zijn eerste opstanding, heeft een tweede dood voorzeker gene macht gehad. Aan wie zij verschenen-niet aan het gehele volk, dit is zeker, maar aan velen - hetzij vijanden of vrienden. Op wat wijze zij verschenen, hoe dikwijls, wat zij gezegd en gedaan hebben, en hoe zij weer verdwenen, dat zijn verborgen dingen, die niet onzer zijn, wij moeten niet begeren wijs te zijn boven hetgeen geschreven is. Dat die zaak zo in het kort verhaald wordt, is een duidelijke wenk voor ons, om ter bevestiging van ons geloof onzen blik niet daarheen te richten. Wij hebben daarvoor het profetische woord, dat zeer vast is. Zie Lukas 16:31.
b. Doch wij kunnen er veel goede lessen aan ontlenen.
A. Dat zelfs zij, die geleefd hebben en gestorven zijn voor den dood en de opstanding van Christus er de vruchten van genoten hebben, even goed als zij, die daarna geleefd hebben, want Hij is gisteren dezelfde geweest als heden, en zal dit zijn tot in eeuwigheid, Hebreeën 13:8.
B. Dat Jezus Christus door te sterven den dood overwonnen, ontwapend en machteloos heeft gemaakt. Deze heiligen, die toen opstonden uit hun graf, waren de dadelijke overwinningstekenen van Christus' kruis over de machten des doods, die Hij in het openbaar tentoon heeft gesteld. Door den dood teniet gedaan hebbende degenen, die het geweld des doods had, heeft Hij aldus de gevangenis gevangen genomen, en gejuicht in de vervulling der Schrift: Ik zal ze van het geweld der hel (of van het graf) verlossen.
C. Dat, in de volheid des tijds, uit kracht van Christus' opstanding de lichamen van al de heiligen uit het graf zullen verrijzen. Dit was een onderpand van de algemene opstanding ten laatsten dage, wanneer allen, die in de graven zijn, de stem van den Zone Gods zullen horen. En wellicht is Jeruzalem daarom hier de heilige stad genoemd, omdat de heiligen bij de algemene opstanding het nieuwe Jeruzalem zullen binnengaan, hetwelk inderdaad en in waarheid zal zijn wat het andere slechts in naam en als type was, namelijk de heilige stad, Openbaring 21:2.
D. Dat alle heiligen door den invloed van Christus' dood, en in overeenkomst er mede, opstaan van den dood der zonde tot het leven der gerechtigheid. Zij zijn met Hem opgewekt tot een Goddelijk en geestelijk leven, zij gaan in de heilige stad, worden er burgers van, hebben er hun wandel en verschijnen aan velen als personen, die niet van deze wereld zijn.
III. De overtuiging van Zijne vijanden, die gebruikt werden voor Zijne terdoodbrenging, vers 54, welke overtuiging volgens sommigen aan niets minder dan aan een wonder moet toegeschreven worden. Let op,
1. De personen, die tot overtuiging kwamen, de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, een kapitein met zijne compagnie, die daar op wacht geplaatst waren. Het waren soldaten, wier beroep gewoonlijk de strekking heeft hen te verharden, en wier gemoed meestal minder toegankelijk is voor indrukken van vrees of van medelijden dan van anderen. Maar er is geen hart zo hard of zo koen en onbeschaamd, dat door Christus' macht niet verbroken en verootmoedigd kan worden.
b. Het waren Romeinen, heidenen, die de Schriften niet kenden, welke thans vervuld werden, toch waren zij alleen tot overtuiging gekomen. Een treurig voorteken van de verblinding, die over Israël komen zou, als het Evangelie aan de heidenen gezonden wordt om hun ogen te openen. Hier waren de heidenen vertederd, en de Joden verhard.
c. Het waren de vervolgers van Christus, die Hem nog zo-even gelasterd en gesmaad hadden, gelijk blijkt uit Lukas 23:36. Hoe spoedig kan God door de macht, die Hij heeft over het geweten der mensen, verandering brengen in hun taal, hun uitlatingen, de belijdenis van Zijne waarheden tot Zijn eigen eer doen komen uit den mond van hen, die slechts moord, dreiging en lastering hebben geblazen!
2. Het middel, waardoor zij tot overtuiging gekomen zijn. Zij bemerkten de aardbeving, die hen verschrikte, en zij zagen de andere dingen, die geschied waren. Deze waren bestemd om de eer van Christus onder Zijn lijden te handhaven, en bij deze soldaten tenminste werd het doel bereikt. De ontzaglijke verschijningen Gods in Zijne Voorzienigheid kunnen soms op wondere wijze medewerken tot overtuiging van zondaren, en om hen te doen ontwaken.
3. De uiting van deze overtuiging in twee dingen.
a. De schrik, waardoor zij bevangen werden, zij werden zeer bevreesd, bevreesd om in de duisternis te worden begraven, of door de aardbeving te worden verzwolgen. God kan de stoutmoedigsten Zijner tegenstanders gemakkelijk verschrikken, en hen doen weten, dat zij slechts mensen zijn. Schuld wekt vrees in den mens. Hij, die niet altijd vreest met ene vrees der voorzichtigheid als de ongerechtigheid de overhand heeft, kan niet anders dan zeer bevreesd zijn, als het oordeel is uitgegaan, terwijl er de zodanige zijn, die niet zullen vrezen, al veranderde de aarde hare plaats, P. 46:2, 3.
b. Het getuigenis, dat hun ontwrongen werd. Zij zeiden: Waarlijk, deze was Gods Zoon, een heerlijke belijdenis, Petrus werd er zalig om genoemd, Hoofdstuk 16:16, 17. Het was de grote zaak, die thans in geschil was, het punt, waarbij Hij en Zijne vijanden gebleven waren, Hoofdstuk 26:63, 64. Zijne discipelen geloofden het, maar hebben het toen niet durven belijden, tot onzen Zaligmaker zelf was de verzoeking gekomen om er aan te twijfelen, toen Hij zei: Waarom hebt Gij Mij verlaten? Nu Hij stierf aan het kruis, beschouwden de Joden dit als een duidelijk en afdoend bewijs, dat Hij de Zoon van God niet was, omdat Hij niet afkwam van het kruis. Toch leggen deze hoofdman over honderd en zijne soldaten vrijwillig deze belijdenis af van het Christelijk geloof: Waarlijk, deze was Gods Zoon. De besten Zijner discipelen konden nooit meer gezegd hebben, en op dit ogenblik hadden zij geen geloof of moed genoeg om ook maar zoveel te zeggen. God kan de eer ener waarheid nog handhaven, ook wanneer zij het meest vertreden en verguisd wordt, want groot is de waarheid, en zij zal zegevieren.
IV. De tegenwoordigheid Zijner vrienden, die getuigen waren van Zijn dood, vers 55, 56. Merk op:
1. Wie zij waren, vele vrouwen, die Jezus gevolgd waren van Galilea. Niet Zijne apostelen (doch elders vinden wij vermeld dat Johannes bij het kruis stond, Johannes 19:26,) hun hart ontzonk hun, zij durfden niet verschijnen, uit vrees van onder hetzelfde oordeel te komen. Maar hier was een gezelschap van vrouwen-onnozele vrouwen, zouden sommigen haar genoemd hebben, die kloekmoedig Christus bleven volgen, toen de overige discipelen Hem lafhartig hadden verlaten. Zelfs zij, die tot de zwakkere kunne behoren, worden dikwijls door Gods genade sterk gemaakt in het geloof, opdat Christus' kracht in zwakheid volbracht worde. Er zijn martelaressen geweest, vermaard wegens haar moed en vastberadenheid voor de zaak van Christus. Van deze vrouwen nu wordt gezegd:
a. dat zij Jezus gevolgd waren van Galilea, uit haar grote liefde voor Hem, en hare begeerte om Hem te horen prediken, want anders waren de mannen slechts verplicht om ter aanbidding op te gaan naar het feest. Daar zij Hem nu op zulk een lange reis van Galilea naar Jeruzalem gevolgd waren-het was een afstand van tachtig tot honderd mijlen, - besloten zij Hem nu niet te verlaten. Ons vroeger dienen van, en lijden voor Christus, moet ene reden voor ons zijn, om Hem tot het einde getrouwelijk te blijven volgen. Hebben wij Hem zo ver, en gedurende zo langen tijd gevolgd, zo veel voor Hem gedaan en ten koste gelegd, en zullen wij Hem dan thans verlaten? Galaten 3:3, 4.
b. Om Hem te dienen van hare goederen, voor Zijn levensonderhoud. Hoe gaarne zouden zij Hem thans gediend hebben, zo zij slechts tot Hem toegelaten werden! Dewijl haar dit echter ontzegd was, besloten zij Hem te volgen. Als wij weerhouden worden van te doen wat wij zouden willen, dan moeten wij toch doen wat wij kunnen in den dienst van Christus. Nu Hij in den hemel is en buiten het bereik van ons bedienen van Hem, is Hij toch niet buiten het bereik van ons gelovig zien op Hem.
c. Sommigen van haar worden met name genoemd, want God zal hen eren, die Christus eren. Wij hebben haar reeds verscheidene malen ontmoet, en het is haar tot lof, dat wij ze ontmoeten ten einde toe.
2. Wat zij deden. Zij aanschouwden van verre.
a. Zij stonden van verre. Of haar eigen vrees, dan wel de woede der vijanden haar op een afstand hield, is niet zeker, maar het was ene verzwaring van Christus' lijden, dat Zijne liefhebbers en vrienden stonden van tegenover Zijne plage, Psalm 38:12, Job 10:13. Wellicht hadden zij, als zij gewild hadden, naderbij kunnen komen, maar als Godvruchtigen in lijden zijn, moeten zij het niet vreemd vinden, indien sommigen van hun beste vrienden hen schuwen. Toen Paulus in dreigend gevaar was, is niemand bij hem geweest, 2 Timotheus 4:16. Als men ons dus vreemd aanziet, zo laat ons gedenken, dat onze Meester dit reeds voor ons ondervonden heeft.
b. Zij aanschouwden, en daarin betoonden zij belangstelling en vriendelijkheid voor Christus, toen zij verhinderd waren om Hem een anderen liefdedienst te bewijzen, hebben zij met ogen der liefde naar Hem gezien. Het was een smartelijk zien, zij zagen op Hem, die nu doorstoken was, en zij rouwklaagden en kermden over Hem. Wij kunnen ons voorstellen hoe het haar hart pijn deed, om Hem aldus te zien lijden, welke stromen van tranen uit hare ogen zijn gevloeid. Laat ons met het oog des geloofs Christus aanschouwen, en dien gekruisigd, en aangedaan worden door de grote liefde, waarmee Hij ons heeft liefgehad. Maar het was niet meer dan een zien, zij aanschouwden Hem, maar zij konden Hem niet helpen. Toen Christus in lijden was, waren de besten Zijner vrienden slechts toeschouwers, zelfs de engelenwacht stond er sidderend bij, want Hij heeft de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Hem, daarom heeft Zijn arm Hem heil beschikt.