Lukas 13:31-35
Hier is:
I. Een wenk aan Christus betreffende het gevaar, dat Hem dreigt van Herodes, nu Hij zich in Galilea, binnen het rechtsgebied van Herodes, bevond, vers 31. Enige Farizeeën (want van die sekte waren er in het gehele land) kwamen tot Christus, met ene betuiging van vriendschap en bezorgdheid voor Zijne veiligheid, zeggende: Ga weg, en vertrek van hier, want Herodes wil U doden, zoals hij Johannes gedood heeft. Sommigen denken dat deze Farizeeën hier volstrekt geen grond voor hadden, dat Herodes zich in dien zin niet had uitgelaten, maar dat zij die leugen hebben verzonnen, om Hem uit Galilea te verdrijven, waar Hij een groten en toenemenden invloed had, en Hem heen te drijven naar Judea, waar, zoals zij wisten, diegenen waren, die het werkelijk op Zijn leven toelegden. Daar Christus' antwoord echter direct aan Herodes gericht is, schijnt het dat de Farizeeën wèl grond hadden voor hetgeen zij zeiden, en dat Herodes verwoed was op Christus, en kwaad tegen Hem beraamde, wegens het eervolle getuigenis, dat Hij van Johannes de Doper had gegeven, en van de leer der bekering, die Johannes had gepredikt. Herodes wilde Christus wel gaarne kwijt zijn uit zijn gebied, en Hem niet durvende ter dood brengen, hoopte hij Hem door deze dreigende boodschap weg te schrikken.
II. Hoe Hij de woede van Herodes en ook die der Farizeeën heeft getart, Hij vreest noch den een, noch de anderen. Gaat heen, en zegt dien vos, vers 32. Door hem vos te noemen duidt Hij zijn waar karakter aan, want hij was listig als een vos, die bekend is voor zijne listen, zijn verraad en laagheid, en zijn rond loeren ver van zijn hol. En hoewel het een zwart, afzichtelijk karakter is, was het voor Christus toch niet onvoegzaam, om hem dit toe te schrijven, en voor Hem was het ook geen overtreden van die wet: Van den overste uws volks zult gij geen kwaad spreken, (Handelingen 23:5). Want Christus was een profeet, en profeten zijn altijd vrij in hun spreken, als zij vorsten en groten bestraffen. Ja Christus was meer dan een profeet, Hij was koning, Hij was de Koning der koningen, en de grootsten onder de kinderen der mensen zijn Hem verantwoording schuldig, en daarom was het voegzaam voor Hem om dien trotsen koning bij zijn waren naam te noemen, maar hieraan kunnen wij geen voorbeeld nemen. Gaat heen, en zegt dien vos, ja, en ook dezen vos (want zo is het in het oorspronkelijke têi aloopeki tautêi) "dien Farizeeër, wie hij ook zijn moge, die Mij dit in het oor fluistert, laat hem weten, dat Ik hem niet vrees, noch acht sla op zijne dreiging. Want:
1. "Ik weet dat Ik moet sterven, weldra moet sterven, Ik verwacht het en reken er op, den derden dag, dat is: zeer spoedig, Mijn ure is nabij". Het zal ons grotelijks helpen om boven de vrees des doods te zijn, en de vrees voor hen, die macht hebben om te doden, om ons met den dood gemeenzaam te maken, hem te verwachten, er aan te denken, er mede om te gaan, hem aan de deur te zien. "Indien Herodes Mij doodt, zal hij Mij niet verrassen of verschrikken.
2. "Ik weet dat de dood Mij niet slechts n iet schaden zal, maar dat hij tot Mijne verhoging leidt, en daarom zegt hem, dat Ik hem niet vrees, als Ik sterf, word Ik voleindigd. Dan zal Ik het moeilijkste van Mijn werk volbracht hebben, Ik zal Mijne taak voltooid hebben, teleioumai -Ik zal geheiligd zijn. Van Christus wordt gezegd dat Hij, toen Hij stierf, zich heeft geheiligd, Hij heeft zich met Zijn eigen bloed geheiligd tot Zijn priesterlijke bediening. 3. "Ik weet dat hij, noch iemand anders, Mij kan doden, voordat Ik Mijn werk volbracht heb. Gaat heen, en zegt hem dat Ik zijn onmachtige woede niet tel. Ik werp duivelen uit en maak gezond, heden en morgen, dat is: "Nu en nog een korten tijd, in weerwil van hem en van al zijn dreigementen. Ik moet reizen, Ik moet Mijn voorgenomen reis voortzetten, en hij heeft de macht niet het Mij te beletten. Ik moet nog het land doorgaan, predikende en genezende, heden, en morgen, en den volgenden dag." Het is goed voor ons om op den tijd, die nog voor ons is, te zien als op een korten tijd, twee of drie dagen is wellicht het uiterste, opdat wij opgewekt worden om het werk van den dag in zijn dag te doen. En het is met betrekking tot de macht en kwaadwilligheid onzer vijanden troostrijk voor ons, dat zij geen macht kunnen hebben om ons te doden zolang God nog een werk voor ons te doen heeft. De getuigen werden niet gedood, voordat zij hun getuigenis voleindigd hadden.
4. "Ik weet dat Herodes Mij geen kwaad kan doen, niet slechts omdat Mijn tijd nog niet is gekomen, maar omdat de bestemde plaats voor Mijn dood Jeruzalem is, dat niet binnen zijn rechtsgebied ligt. Het gebeurt niet dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem, dat is: elders dan te Jeruzalem. Als een ware profeet ter dood gebracht werd, werd hij vervolgd als een valse profeet. Nu heeft niemand het ondernomen profeten gerechtelijk te vervolgen en te oordelen, dan het grote sanhedrin, dat steeds te Jeruzalem zetelde, het was een zaak, waarvan de lagere gerechtshoven geen kennis namen, en dus, als een profeet gedood zal worden, moet het te Jeruzalem zijn.
III. Zijne klacht over Jeruzalem, en Zijn aankondiging des toorns over deze stad, vers 34, 35. Dit hebben wij gehad in Mattheus 23:37 -39. Wellicht is dit niet in Galilea gezegd, maar de evangelist, die de bedoeling niet had om het op de rechte plaats aan te halen, last het hier in bij gelegenheid, dat Christus zei dat Hij te Jeruzalem ter dood gebracht zal worden. De goddeloosheid van personen en plaatsen, die in hogere mate dan anderen belijden Godsdienstig te zijn en tot God in betrekking te staan, is zeer bijzonder tergend en grievend voor den Heere Jezus. Hoe aandoenlijk spreekt Hij over de zonde en het verderf dier heilige stad! Jeruzalem, Jeruzalem! Zij, die in zeer ruime mate genieten van de middelen der genade, maar er geen goeds uit verkrijgen voor hun ziel, worden dikwijls er tegen bevooroordeeld. Zij, die naar de profeten niet wilden horen noch hen welkom wilden heten, die hun door God werden gezonden, doodden hen en stenigden hen. Als der mensen bederf niet wordt overwonnen, dan wordt het geprikkeld. Jezus Christus heeft zich bereid getoond, vrijwillig bereid, om arme zielen, die tot Hem komen, te ontvangen, en onder Zijne zorg en hoede te houden, als zij zich tot Hem wenden om bescherming. Hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeen vergaderen, met zorg en tederheid, gelijkerwijs ene hen hare kiekens onder de vleugelen vergadert. De reden waarom zondaren niet door den Heere Jezus beschermd en verzorgd worden, zoals de kiekens door de hen, is dat zij het niet willen. Ik wilde, heb menigmaal gewild, maar gijlieden hebt niet gewild. Christus' gewilligheid verzwaart der zondaren onbereidwilligheid, en maakt dat hun bloed op hun hoofd komt. Het huis, dat Christus verlaat, wordt woest gelaten. De tempel, hoe rijk ook versierd en druk bezocht, wordt toch woest gelaten, als Christus hem verlaat. Hij laat hem over aan hen, zij hadden er een afgod van gemaakt, laat hen hem nu voor zich houden, Christus zal er niet meer komen. Christus onttrekt zich rechtvaardiglijk aan hen, die Hem van zich wegdrijven. Zij wilden door Hem niet vergaderd worden, en daarom zegt Hij: Gij zult Mij niet meer zien, gij zult Mij niet meer horen, zoals Mozes tot Farao zei, toen hij hem uit zijne tegenwoordigheid verdreef, Exodus 10:28, 29.. Het oordeel van den groten dag zal krachtig de ongelovigen overtuigen, die thans niet overtuigd willen worden. Dan zult gij zeggen Gezegend is Hij, die komt, dat is: Dan zoudt gij blijde wezen om u te bevinden onder hen, die dat zeggen. Waarom wilt gij niet zien, dat Ik de Messias ben voor het te laat is!"