Johannes 19:16-18
Wij hebben nu het doodvonnis, dat over onzen Heere Jezus werd uitgesproken, en de voltrekking er van spoedig daarna. Er had een machtige worsteling plaatsgehad in Pilatus tussen zijne overtuiging en zijn bederf, maar ten slotte is zijne overtuiging gezwicht, en behield zijn bederf de bovenhand, mensenvrees had groter macht over hem dan de vreze Gods.
I. Pilatus sprak het oordeel uit over Christus, en tekende de volmacht om het vonnis te voltrekken, vers 16. Wij kunnen hier zien:
1. Hoe Pilatus zondigde tegen zijn eigen geweten, wederom en nogmaals had hij Hem onschuldig verklaard, en toch eindigt hij met Hem als schuldig te veroordelen. Van dat Pilatus stadhouder was geworden, had hij het Joodse volk bij vele gelegenheden beledigd en verbitterd, want hij was een man van hoogmoedigen, onverzoenlijken aard, die in alles zijn eigen zin en wil doordreef. Hij had zich meester gemaakt van het Corban of de offergaven, en het aan waterwerken besteed. Hij had in Jeruzalem schilden gebracht met het beeld des keizers, hetgeen zeer tergend was voor de Joden, hij had vele mensenlevens opgeofferd om zijne besluiten hieromtrent door te zetten. Vrezende, dat hij hierom, en om nog andere onbeschoftheden en aanmatigingen aangeklaagd zou worden was hij er nu op uit de Joden te believen. Dit nu maakt de zaak nog veel erger. Indien hij van een plooibaren, meegaanden aard geweest ware, dan zou zijn zich laten medevoeren door zo sterk een stroom verschoonlijker geweest zijn, maar dat een man, die in andere dingen zo stijfhoofdig was en zo vastberaden, zich in zulk ene zaak liet overmeesteren, toont dat hij in werkelijkheid een slecht mens was, die het verkrachten van zijn geweten beter kon verdragen dan gedwarsboomd te worden in zijne luimen.
2. Hoe hij poogde de schuld op de Joden te werpen. Hij gaf Hem hun over, niet, zoals gewoonlijk, aan zijn eigen beambten, maar aan de vervolgers, de overpriesters en de ouderlingen, waarmee hij het onrecht voor zijn eigen geweten zocht te verontschuldigen, alsof hij de veroordeling slechts toeliet, maar Christus niet zelf ter dood bracht, dit slechts oogluikend toeliet.
3. Hoe Christus zonde voor ons werd gemaakt. Wij verdienden veroordeeld te worden, maar Christus is voor ons veroordeeld, opdat er voor ons gene verdoemenis zou zijn. God trad nu in het gericht met Zijn Zoon, opdat Hij niet in het gericht zou treden met Zijne dienstknechten.
II. Niet zodra was het vonnis geveld, of de vervolgers, hun doel bereikt hebbende, gingen met allen mogelijken spoed te werk om het te volvoeren, uit vrees, dat Pilatus nog tot andere gedachten komende, de opschorting er van zou bevelen (diegenen zijn vijanden van onze ziel, en wel de ergste van alle vijanden, die ons heen spoeden naar de zonde, en ons dan geen tijd laten, om hetgeen wij verkeerd gedaan hebben, ongedaan te maken), en ook, uit vrees, dat er een oproer zou komen onder het volk, en zij een groter aantal tegen hen zouden bevinden, dan zij met zoveel moeite en slim overleg voor hen hadden verkregen. Het zou goed zijn, indien wij even snel en vaardig handelden voor hetgeen goed is, en niet wachtten tot er zich meer moeilijkheden tegen voordoen.
1. Onmiddellijk hebben zij den gevangene haastig heengevoerd. De overpriesters vlogen gretig op de prooi aan, waarnaar zij zolang hadden uitgezien, nu zij in hun net is gekomen. Of wel, zij, dat is de krijgslieden, die bij de voltrekking van het vonnis tegenwoordig moesten zijn, namen Jezus en leidden Hem weg, niet naar de plaats, vanwaar Hij was gekomen, en vandaar naar de plaats der terechtstelling, zoals onder ons gebruikelijk is, maar terstond en regelrecht naar de strafplaats. De priesters en de soldaten hebben Hem tezamen weggeleid. Nu was de Zoon des mensen overgeleverd in de handen van mensen, van boze, onredelijke mensen. Volgens de wet van Mozes moesten de vervolgers de uitvoerders zijn der straf, Deuteronomium 17:7, en deze priesters waren trots op dit ambt. Zijn weggeleid worden veronderstelt geen tegenstand Zijnerzijds, maar de Schrift moest vervuld worden: Hij is als een schaap ter slachting geleid, Handelingen 8:32. Wij verdienden dat de Heere ons weg deed gaan met de werkers der ongerechtigheid, als misdadigers, die naar de strafplaats gevoerd worden, Psalm 135:5. Maar Hij is in onze plaats weggeleid, opdat wij zouden ontkomen.
2. Om Zijne ellende nog te verzwaren, verplichtten zij Hem, om zolang Hij kon, Zijn kruis te dragen, vers 17, overeenkomstig het gebruik onder de Romeinen, vandaar dat furcifer een scheldnaam onder hen was. Hun kruisen bleven niet op de plaats der terechtstelling staan, zoals onder ons de galgen, omdat de misdadigers aan het kruis genageld werden, terwijl het op den grond lag, en het daarna opgericht werd en in de aarde vastgesteld, om dan weer verwijderd te worden als de straf voltrokken was, gemeenlijk werd het dan met het lichaam begraven, zodat ieder, die gekruisigd werd, zijn eigen kruis had. Dat nu Christus Zijn kruis droeg, kan beschouwd worden:
a. Als deel uitmakende van Zijn lijden. Hij heeft in letterlijken zin het kruis verdragen. Het was een lang en dik stuk hout, dat voor zulk een gebruik nodig was, en sommigen denken, dat het niet toebereid of geschaafd was. Het gezegende lichaam van den Heere Jezus was teergevoelig en niet gewoon aan zulk een last, het was nu vermoeid en afgetobd, Zijne schouders waren nog pijnlijk van de geselslagen, elk stootje van het kruis vernieuwde en vermeerderde Zijne pijn, en kon allicht de doornen, waarmee Hij gekroond was, in Zijn hoofd doen dringen, maar dit alles heeft Hij geduldig verdragen, en het was nog slechts het begin der smart.
b. Als beantwoordende aan het type, dat Hem voorafging. Toen Izaak geofferd zou worden, droeg hij het hout, waarop hij gebonden en waarmee hij verbrand zou worden.
c. Als vol van de betekenis van geheel Zijne onderneming, de Vader heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen, Jesaja 53:6, of op Hem geladen, en Hij heeft onze zonden in Zijn lichaam gedragen op het hout, 1 Petrus 2:24. Op Mij zij de vloek, had Hij gezegd, want Hij is voor ons een vloek geworden, en daarom was het kruis op Hem.
d. Als zeer leerrijk voor ons. Hiermede heeft onze Meester al Zijne discipelen geleerd hun kruis op te nemen en Hem te volgen. Wat het kruis ook zij, dat Hij ons roept te dragen, laat ons gedenken, dat Hij het eerst het kruis gedragen heeft, en door het voor ons te dragen, neemt Hij ons kruis in grote mate van ons af, want aldus heeft Hij Zijn juk zacht en Zijn last licht gemaakt. Hij droeg dat eind van het kruis, waarop de vloek was, dat was het zware einde, en daarom zijn al de Zijnen instaat gesteld de verdrukking, die zij om Zijnentwil lijden, licht te noemen en zeer haast voorbijgaande.
3. Zij brachten Hem naar de strafplaats: Hij ging uit, niet tegen Zijn wil voortgesleept, maar vrijwillig lijdende. Hij ging uit van de stad, want Hij heeft buiten de poort geleden, Hebreeën 13:12. En om Zijn lijden des te smartelijker te maken, werd Hij naar de gewone strafplaats heengeleid als een, die in alle opzichten met de overtreders is geteld geweest, ene plaats, genaamd Golgotha, Hoofdschedelplaats, waar zij de schedels en gebeenten der doden heen wierpen, of waar de hoofden van onthoofde boosdoeners gelaten werden-ene plaats, die naar de ceremoniële wet onrein was, dáár heeft Christus voor ons geleden, omdat Hij zonde voor ons is gemaakt, opdat Hij ons geweten zou reinigen van dode werken en de besmetting er van. Als men kennis wil nemen van de overleveringen der ouden, dan zijn er twee, waarvan door vele oude schrijvers gewag wordt gemaakt omtrent deze plaats:
a. Dat Adam aldaar begraven is, en dat dit de plaats was van zijn hoofdschedel, en daarbij merken zij op, dat, waar de dood getriomfeerd heeft over den eersten Adam, daar heeft de tweede Adam over hem getriomfeerd. Voor deze overlevering worden door Gerhard Origenes, Cyprianus, Epiphanius, Augustinus, Hiëronymus en anderen aangehaald.
b. Dat dit de berg was in het land van Moria, waarop Abraham Izaak heeft geofferd, en de ram Izaak gelost heeft.
4. Aldaar hebben zij Hem gekruisigd, en met Hem twee anderen, vers 18. Merk op:
a. Welken dood Christus gestorven is, den dood aan het kruis, een bloedigen, pijnlijken, schandelijken dood, een gevloekten dood. Hij werd aan het kruis genageld, als een offer, gebonden aan het altaar, Zijn oor werd aan de deurpost doorboord, om Hem eeuwig te doen dienen. Hij werd, gelijk de koperen slang, verhoogd, Hij hing tussen den hemel en de aarde, omdat wij beiden onwaardig waren, en door beiden verlaten. Zijne handen werden uitgestrekt om ons tot zich te noden en ons te omhelzen. Hij hing gedurende enige uren aan het kruis, langzaam stervende in het volle bezit van Zijn verstand en Zijne spraak, opdat Hij zich werkelijk als offer zou overgeven,
b. In welk gezelschap Hij stierf: Twee anderen met Hem. Waarschijnlijk zouden dezen toen niet zijn terechtgesteld dan op verzoek van de overpriesters, om den smaad van onzen Heere Jezus nog te vergroten, hetgeen wel de reden kan wezen, waarom een der twee Hem lasterde, omdat hun dood door Hem nog verhaast werd. Hadden zij twee Zijner discipelen met Hem gekruisigd, het zou Hem ene eer geweest zijn, maar indien dezulken deelgenoten waren geweest in Zijn lijden, dan zou het den schijn hebben gehad, alsof zij met Hem medegewerkt hadden voor de genoegdoening. Daarom was het verordineerd, dat zij, die toen met Hem geleden hebben, de ergsten der zondaren zouden zijn, opdat Hij onzen smaad zou dragen, en opdat het zou blijken dat Zijner alleen de verdienste was. Dit heeft Hem ten zeerste aan de verachting des volks blootgesteld, want gewoonlijk oordelen zij de mensen naar den groten hoop, zonder zich met nauwkeurige onderscheidingen in te laten. Zij zullen dus oordelen, niet slechts dat Hij een kwaaddoener was, daar Hij met kwaaddoeners saamgevoegd was, maar dat Hij de ergste der drie was, omdat Hij in het midden was geplaatst. Maar aldus is de Schrift vervuld geworden: Hij is met de overtreders geteld geweest. Hij is niet aan het altaar gestorven onder de offers, Hij heeft Zijn bloed niet gemengd met dat der stieren en bokken, neen, Hij stierf onder misdadigers, en mengde Zijn bloed met dat van hen, die aan de openbare gerechtigheid werden geofferd. Laat ons nu voor een wijle stilstaan en met het oog des geloofs zien op Jezus. Is er ooit ene smart geweest, gelijk aan Zijne smart? Zie Hem, die met heerlijkheid bekleed is geweest, daar geheel van ontdaan, en bekleed met schande-Hem, die de lof der engelen was, een smaad geworden van mensen, Hem, die met eeuwige blijdschap en genot in den schoot des Vaders is geweest, is nu in het uiterste van pijn en doodsbenauwdheid. Zie Hem bloedende, worstelende, stervende, zie Hem, en heb Hem lief, en leef voor Hem, en bedenk wat wij Hem zullen vergelden.