14. Daarna, na de beide in
Vers 9,
12 meegedeelde verschijningen van Jezus, is Hij geopenbaard aan de elf, aan de apostelkring, daar zij aanzaten (
Lukas 24:33-
43.
Johannes 20:19-
23) en de deuren gesloten waren. Het was toen de avond van de paasdag. Hij trad onder hen en zei: Vrede zij u. En Hij verweet hen bij deze openbaring en degene die acht dagen daarna volgde (
Johannes 20:24, ), eerst op een verschonende manier, maar bij de laatste verschijning in Jeruzalem, waar Hij ze uitleidde naar Bethanië (
Lukas 24:44,
Handelingen 1:4,
1 Corinthiërs 15:7) met scherpere, meer verwijtende woorden, hun ongelovigheid en hardheid van de harten (
Hoofdstuk 8:17). Zij hadden het Hem onmogelijk gemaakt om de bedoeling van Zijn liefde, zoals die bij
Vers 13 is genoemd, dadelijk aan hen te volbrengen, zodat Zijn vrede eerst geen plaats bij hen vond (
Lukas 10:5, ), omdat zij degenen die Hem hadden gezien niet geloofd hadden, nadat Hij opgestaan was uit de dood.
"Men moet de twee stukken die hier zo kort mogelijk zijn samengevoegd, namelijk dat de Heere (in Vers 14) de discipelen bestraft over hun ongeloof en dat Hij hen (in Vers 15, ) beveelt wat zij moeten prediken, volgens de andere Evangelisten verdelen en onderscheiden. " Met deze woorden heeft Luther de juiste weg al ingeslagen, om de plaats juist te begrijpen en ze niet zo op te vatten als veel nieuwere uitleggers doen, alsof zij zeer verschillende elementen met elkaar vermengt. Maar nu is het delen en onderscheiden van de twee stukken volgens de andere Evangelisten geen makkelijke zaak, omdat geen enkele alle verschijningen van de Opgestane volledig vertelt en vooral bij Mattheus (28:5-10) en Lukas (24:36-49) een in elkaar vloeien van verscheidene verschijningen tot een enkele of zelfs een zo veel mogelijk samentrekken plaats vindt. Wij merken op dat het niet helemaal juist is wanneer Luther verder schrijft: "Dat Hij de discipelen bestraft, is niet lang na de opstanding gebeurd, namelijk van de eerste paasdag tot op de dag dat zij Hem allen hebben gezien (Johannes 20:19-29); zeker is toen Zijn bestraffen begonnen. Hij moest na de vredegroet, waarmee Hij in hun midden kwam, eerst de schrik waarmee Zijn verschijning hen had vervuld, van hun harten wegnemen; Hij moest, omdat zij meenden een geest te zien, hun Zijn handen en voeten tonen, ja, omdat zij nog niet geloofden, hen daardoor overtuigen dat Hij van hun voedsel nam en voor hun ogen at. In zoverre heeft Markus het juist om het bestraffen, waarvan hij spreekt, dadelijk aan die verschijning op de paasavond aan te knopen; maar dat hij verder gaat, dat hij met deze verschijning nog een tweede en derde, die onder gelijke omstandigheden en op dezelfde plaats gebeurd waren, tot een eenheid samenvat, dat zegt al de uitdrukking: "Hij verweet hen hun ongelovigheid, " enz. Deze uitdrukking is op zichzelf al te sterk voor de vriendelijke, tot de zwakheid van de discipelen zich neerbuigende manier waarop Jezus hen in Lukas 24:38, behandelt; men moet daar de geschiedenis met Thomas in Johannes 20:24, bijvoegen, om haar enigszins te rechtvaardigen en toch heeft die haar nog niet zo gerechtvaardigd, want ook tegenover Thomas gedraagt de Heere Zich als degene aan wie een geleerde tong is gegeven, zodat Hij weet wanneer hij spreken moet (Jesaja 50:4). Bovendien hoort bij dit verwijzen; wanneer het uitloopt op het thema: "O, dwazen en onverstandigen van hart om te geloven!" een uitlegger van de schriften, die van Hem spraken, zoals wij uit Lukas 24:27 leren en daarmee heeft de Herrezene Zich noch op de eerste paasdag, noch op de achtste dag daarna ingelaten; wel heeft Hij het gedaan bij de verschijning die in Lukas 24:44, onmiddellijk de hemelvaart voorafgaat en dat is die verschijning die voorviel na die aan Jakobus (1 Corinthiërs 15:7). De Opgestane verscheen aan Jakobus zoals bij Mattheus 28:20 uitgelegd is, als besluit van Zijn openbaringen in Galilea en deed hem daar de aanwijzing dat de discipelen nu al, nog voordat de tijd tot de feestreis naar Jeruzalem was gekomen, Galilea weer moesten verlaten en zich in Jeruzalem in hun gewoon lokaal (waarschijnlijk in de zaal van Nikodemus) moesten verenigen. Niets verhindert ons aan te nemen dat zij al op de Zondag vóór de hemelvaart en wel `s avonds daar weer samen waren en dat de Heere hen nu daar eveneens weer bezocht, als 4, 5 weken te voren; en juist deze gelijkmatigheid van de drie bezoeken op Zondag (9, 16 April en 14 Mei) gaf nu aan de beide Evangelisten Markus en Lukas het recht om hun bericht van het eerste bezoek met dat van het derde, zonder uitwendig aanwijzen van het onderscheid in tijd, in elkaar te laten vloeien. Daarentegen is inwendig het onderscheid in tijd duidelijk genoeg aangewezen; want in Lukas 24:44, bemerken wij wel, dat de Heere nu een einde maakt met Zijn openbaringen gedurende de 40 dagen en het voor ons liggende vers in zijn samenhang met het volgende, is helemaal niet te begrijpen wanneer wij bij de openbaring op de paasdag wilden blijven staan en niet ook die van de Zondag (Rogate) hierbij meenemen. Bij deze laatste openbaring was het helemaal op de juiste plaats dat de discipelen nu eigenlijk het verwijt moesten horen van hun ongeloof en de hardheid van hun harten, evenals ouders hun kinderen in de tijd van de jeugd niet hard bestraffen wegens hun dwaasheden, maar hen wel op rijpere leeftijd langzaam aan tot bewustzijn brengen, omdat zij dan pas kunnen rekenen op een juist begrip van hoe groot deze dwaasheden en welke getuigenissen van hardheid van de harten zij inderdaad geweest zijn, terwijl vroeger plicht was, te dragen en te verschonen, terecht te brengen en de vlammende vlaswiek niet uit te blussen. Dit verwijten aan de discipelen was nu te meer op het juiste ogenblik, omdat zij nu snel hun roeping zouden aanvaarden die Jezus hen had toevertrouwd en van welke vervulling Hij later nog eens wilde spreken (Vers 15, ). Hij had hun Zijn getuigen gezonden (Vers 10 v. en Vers 12 v. ), maar zij hadden hun getuigenis niet aangenomen. Hij laat echter Zijn getuigen niet verachten en verwerpen; wie deze onteert, die onteert Hem, want hoe meer getuigen er zijn, des te meer zijn zij slechts de kanalen, waardoor Zijn woord uitgaat en zijn heerlijkheid uitstraalt. " Hij bestraft zo Zijn uitverkoren getuigen, want bij hen kan Hij het allerminst voorbijzien; het gericht moet altijd beginnen met het huis van God (1 Petrus . 4:17); wanneer daarom (en dit zal de vrucht zijn die uit hun eigen, zo moeilijke ontwikkeling tot geloof voor hen zal volgen), de discipelen in hun roeping de ervaring zullen opdoen dat men hun getuigenis niet gelooft, ja met verharding van de harten zich tegen hun woord verzet, dan zullen zij niet kleinmoedig en verdrietig worden; zij moeten integendeel geduld hebben en bedenken dat zij vroeger zelf niet anders waren jegens de getuigen die de Heere hen had toegezonden. Zo stemt Vers 14 voortreffelijk met Vers 15 overeen, maar ook met Lukas 24:44-48 , met welke rede de Heere zonder twijfel het gesprek opende om daarna het berispen te laten volgen. Het woord in Lukas 24:49 hoort ons inziens niet meer tot de avondvergadering op Zondag Rogate, maar al tot de morgen van de hemelvaartsdag zelf.
(EVANGELIE OP HET FEEST VAN CHRISTUS' HEMELVAART)
Men zou verwachten dat op deze dag een tekst uit de Evangeliën zou bepaald zijn die ons de hemelvaart van Christus het duidelijkst bericht: het slot van Lukas Evangelie zou met deze verwachtingen overeenkomen. Het vaak bestreden slot van het Markus-evangelie is echter uitgekozen, want dit stelt de hemelvaart in het licht waarin de oude kerk steeds die wonderbare gebeurtenis beschouwde. Pas gaandeweg heeft die kerk de veertigste dag na de opstanding van de Heere uit de doden als de dag waarop de Opgestane tot Zijn Vader heenging, godsdienstig onderscheiden; de hele tijd tussen Pasen en Pinksteren was voor haar een hoge feesttijd, de hemelvaart van de Heere was haar niets op zichzelf, maar de brug tussen Pasen en Pinksteren, een noodzakelijk lid in die feestrij. Onze perikoop komt met die opvatting geheel overeen; zij sluit zich in haar eerste verzen tussen het paasfeest aan en strekt zich met haar laatste verzen uit tot de dag van Pinksteren en nog daarna.
Terwijl het Evangelie de helen tijd tussen Pasen en hemelvaart ineens samenvat, brengt het de hemelvaart in de juiste samenhang met de opstanding.
De zekerheid dat Jezus Christus, onze Heiland, in de heerlijkheid van de Vaders leeft - zij toont ons 1) de waarde en bestemming van het menselijk geslacht; zij waarborgt ons 2) de troost van de vergeving voor onze dagelijkse zonden; op haar berust 3) de levensgemeenschap met de Verlosser en 4) de kracht van de sacramenten die deze levensgemeenschap versterken en de mens het doel van zijn bestemming tegemoet voeren.
14. Daarna, na de beide in Vers 9, 12 meegedeelde verschijningen van Jezus, is Hij geopenbaard aan de elf, aan de apostelkring, daar zij aanzaten (Lukas 24:33-43. Johannes 20:19-23) en de deuren gesloten waren. Het was toen de avond van de paasdag. Hij trad onder hen en zei: Vrede zij u. En Hij verweet hen bij deze openbaring en degene die acht dagen daarna volgde (Johannes 20:24, ), eerst op een verschonende manier, maar bij de laatste verschijning in Jeruzalem, waar Hij ze uitleidde naar Bethanië (Lukas 24:44, Handelingen 1:4, 1 Corinthiërs 15:7) met scherpere, meer verwijtende woorden, hun ongelovigheid en hardheid van de harten (Hoofdstuk 8:17). Zij hadden het Hem onmogelijk gemaakt om de bedoeling van Zijn liefde, zoals die bij Vers 13 is genoemd, dadelijk aan hen te volbrengen, zodat Zijn vrede eerst geen plaats bij hen vond (Lukas 10:5, ), omdat zij degenen die Hem hadden gezien niet geloofd hadden, nadat Hij opgestaan was uit de dood.
"Men moet de twee stukken die hier zo kort mogelijk zijn samengevoegd, namelijk dat de Heere (in Vers 14) de discipelen bestraft over hun ongeloof en dat Hij hen (in Vers 15, ) beveelt wat zij moeten prediken, volgens de andere Evangelisten verdelen en onderscheiden. " Met deze woorden heeft Luther de juiste weg al ingeslagen, om de plaats juist te begrijpen en ze niet zo op te vatten als veel nieuwere uitleggers doen, alsof zij zeer verschillende elementen met elkaar vermengt. Maar nu is het delen en onderscheiden van de twee stukken volgens de andere Evangelisten geen makkelijke zaak, omdat geen enkele alle verschijningen van de Opgestane volledig vertelt en vooral bij Mattheus (28:5-10) en Lukas (24:36-49) een in elkaar vloeien van verscheidene verschijningen tot een enkele of zelfs een zo veel mogelijk samentrekken plaats vindt. Wij merken op dat het niet helemaal juist is wanneer Luther verder schrijft: "Dat Hij de discipelen bestraft, is niet lang na de opstanding gebeurd, namelijk van de eerste paasdag tot op de dag dat zij Hem allen hebben gezien (Johannes 20:19-29); zeker is toen Zijn bestraffen begonnen. Hij moest na de vredegroet, waarmee Hij in hun midden kwam, eerst de schrik waarmee Zijn verschijning hen had vervuld, van hun harten wegnemen; Hij moest, omdat zij meenden een geest te zien, hun Zijn handen en voeten tonen, ja, omdat zij nog niet geloofden, hen daardoor overtuigen dat Hij van hun voedsel nam en voor hun ogen at. In zoverre heeft Markus het juist om het bestraffen, waarvan hij spreekt, dadelijk aan die verschijning op de paasavond aan te knopen; maar dat hij verder gaat, dat hij met deze verschijning nog een tweede en derde, die onder gelijke omstandigheden en op dezelfde plaats gebeurd waren, tot een eenheid samenvat, dat zegt al de uitdrukking: "Hij verweet hen hun ongelovigheid, " enz. Deze uitdrukking is op zichzelf al te sterk voor de vriendelijke, tot de zwakheid van de discipelen zich neerbuigende manier waarop Jezus hen in Lukas 24:38, behandelt; men moet daar de geschiedenis met Thomas in Johannes 20:24, bijvoegen, om haar enigszins te rechtvaardigen en toch heeft die haar nog niet zo gerechtvaardigd, want ook tegenover Thomas gedraagt de Heere Zich als degene aan wie een geleerde tong is gegeven, zodat Hij weet wanneer hij spreken moet (Jesaja 50:4). Bovendien hoort bij dit verwijzen; wanneer het uitloopt op het thema: "O, dwazen en onverstandigen van hart om te geloven!" een uitlegger van de schriften, die van Hem spraken, zoals wij uit Lukas 24:27 leren en daarmee heeft de Herrezene Zich noch op de eerste paasdag, noch op de achtste dag daarna ingelaten; wel heeft Hij het gedaan bij de verschijning die in Lukas 24:44, onmiddellijk de hemelvaart voorafgaat en dat is die verschijning die voorviel na die aan Jakobus (1 Corinthiërs 15:7). De Opgestane verscheen aan Jakobus zoals bij Mattheus 28:20 uitgelegd is, als besluit van Zijn openbaringen in Galilea en deed hem daar de aanwijzing dat de discipelen nu al, nog voordat de tijd tot de feestreis naar Jeruzalem was gekomen, Galilea weer moesten verlaten en zich in Jeruzalem in hun gewoon lokaal (waarschijnlijk in de zaal van Nikodemus) moesten verenigen. Niets verhindert ons aan te nemen dat zij al op de Zondag vóór de hemelvaart en wel `s avonds daar weer samen waren en dat de Heere hen nu daar eveneens weer bezocht, als 4, 5 weken te voren; en juist deze gelijkmatigheid van de drie bezoeken op Zondag (9, 16 April en 14 Mei) gaf nu aan de beide Evangelisten Markus en Lukas het recht om hun bericht van het eerste bezoek met dat van het derde, zonder uitwendig aanwijzen van het onderscheid in tijd, in elkaar te laten vloeien. Daarentegen is inwendig het onderscheid in tijd duidelijk genoeg aangewezen; want in Lukas 24:44, bemerken wij wel, dat de Heere nu een einde maakt met Zijn openbaringen gedurende de 40 dagen en het voor ons liggende vers in zijn samenhang met het volgende, is helemaal niet te begrijpen wanneer wij bij de openbaring op de paasdag wilden blijven staan en niet ook die van de Zondag (Rogate) hierbij meenemen. Bij deze laatste openbaring was het helemaal op de juiste plaats dat de discipelen nu eigenlijk het verwijt moesten horen van hun ongeloof en de hardheid van hun harten, evenals ouders hun kinderen in de tijd van de jeugd niet hard bestraffen wegens hun dwaasheden, maar hen wel op rijpere leeftijd langzaam aan tot bewustzijn brengen, omdat zij dan pas kunnen rekenen op een juist begrip van hoe groot deze dwaasheden en welke getuigenissen van hardheid van de harten zij inderdaad geweest zijn, terwijl vroeger plicht was, te dragen en te verschonen, terecht te brengen en de vlammende vlaswiek niet uit te blussen. Dit verwijten aan de discipelen was nu te meer op het juiste ogenblik, omdat zij nu snel hun roeping zouden aanvaarden die Jezus hen had toevertrouwd en van welke vervulling Hij later nog eens wilde spreken (Vers 15, ). Hij had hun Zijn getuigen gezonden (Vers 10 v. en Vers 12 v. ), maar zij hadden hun getuigenis niet aangenomen. Hij laat echter Zijn getuigen niet verachten en verwerpen; wie deze onteert, die onteert Hem, want hoe meer getuigen er zijn, des te meer zijn zij slechts de kanalen, waardoor Zijn woord uitgaat en zijn heerlijkheid uitstraalt. " Hij bestraft zo Zijn uitverkoren getuigen, want bij hen kan Hij het allerminst voorbijzien; het gericht moet altijd beginnen met het huis van God (1 Petrus . 4:17); wanneer daarom (en dit zal de vrucht zijn die uit hun eigen, zo moeilijke ontwikkeling tot geloof voor hen zal volgen), de discipelen in hun roeping de ervaring zullen opdoen dat men hun getuigenis niet gelooft, ja met verharding van de harten zich tegen hun woord verzet, dan zullen zij niet kleinmoedig en verdrietig worden; zij moeten integendeel geduld hebben en bedenken dat zij vroeger zelf niet anders waren jegens de getuigen die de Heere hen had toegezonden. Zo stemt Vers 14 voortreffelijk met Vers 15 overeen, maar ook met Lukas 24:44-48 , met welke rede de Heere zonder twijfel het gesprek opende om daarna het berispen te laten volgen. Het woord in Lukas 24:49 hoort ons inziens niet meer tot de avondvergadering op Zondag Rogate, maar al tot de morgen van de hemelvaartsdag zelf.