Mattheus 17:1-13
Wij hebben hier de geschiedenis van Christus' gedaanteverandering. Hij had gezegd, dat de Zoon des mensen binnenkort in Zijn koninkrijk zou komen, met welke belofte alle drie evangelisten dit verhaal zorgvuldig in verband brengen: alsof Christus' verheerlijking op den berg bedoeld was als een voorbeeld en voorproef, als het ware, van het koninkrijk van Christus, en van het licht en de liefde, welke Hij Zijnen uitverkorenen toedraagt. Petrus spreekt hiervan, als van de kracht en toekomst van onzen Heere Jezus, 2 Petrus 1:16, omdat het een uitvloeisel was Zijner macht en ene aankondiging van Zijne komst, op die wijze zeer gevoeglijk ingeleid. Toen Christus hier was in Zijne vernedering, was Zijn toestand, hoewel in het algemeen een toestand van vernedering en verdrukking, toch soms verhelderd door enkele stralen Zijner heerlijkheid, opdat Hij zelf des te meer bemoedigd zou zijn onder Zijn lijden, en anderen des te minder geërgerd zouden worden. Zijne geboorte, Zijn doop, Zijne verzoeking en Zijn dood waren de merkwaardige voorbeelden van Zijne vernedering, en die allen gingen vergezeld van een kenmerkend en zeer treffend blijk van heerlijkheid en van de goedkeuring des hemels. Maar geheel Zijn openbaar dienstwerk een voortdurende vernedering zijnde, komt hier, in het midden er van, deze ontdekking van Zijne heerlijkheid. Gelijk Hij thans, nu Hij in den hemel is, Zijne neerbuigingen heeft, zo had Hij, toen Hij op aarde was, Zijne bevorderingen, Zijne opheffingen. Betreffende Christus' verheerlijking op den berg nu valt op te merken:
I. De omstandigheden er van, die hier opgetekend zijn, vers 1.
1. De tijd: zes dagen nadat Hij die plechtige samenspreking had met Zijne discipelen, Hoofdstuk 16:21. Lukas zegt: "Het geschiedde, omtrent acht dagen na deze woorden", zes gehele dagen daartussen liggende, en dit nu was de achtste dag, dus na ene week. Er wordt niets vermeld van hetgeen de Heere Jezus gedurende de zes dagen voor Zijne verheerlijking op den berg gezegd of gedaan heeft. Voor sommige zeer grote verschijnselen, werd er een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een half uur, Openbaring 8:1. Wanneer dus Christus eens niets schijnt te doen voor Zijne kerk, zo verwacht dat eerlang iets zeerbuitengewoons zal geschieden.
2. De plaats, het was op een hogen berg alleen. Christus koos een berg, a: Als een afgezonderde plaats. Hij ging alleen, want, hoewel ene stad op een berg nauwelijks verborgen kan blijven, twee of drie personen op den top van een hogen berg kunnen nauwelijks ontdekt worden, daarom waren hun bijzondere bidvertrekken gewoonlijk op bergen. Christus koos een afgelegen plek om er van gedaante te worden veranderd, omdat Zijn openlijke verschijning in heerlijkheid niet in overeenstemming was met Zijn tegenwoordigen toestand, en dus wilde Hij Zijne nederigheid tonen, en ons leren dat afzondering zeer bevorderlijk is aan onze gemeenschapsoefening met God. Zij, die gemeenschap willen onderhouden met den hemel, moeten zich dikwijls terugtrekken uit den omgang met, en de zaken van, deze wereld, en dan zullen zij bevinden, dat zij nooit minder alleen zijn, dan wanneer zij alleen zijn, want de Vader is met hen.
b. Als ene plaats, verheven boven de dingen hier beneden. Zij, die ene gemeenschap met God willen oefenen, die hen van gedaante verandert, moeten zich niet slechts terugtrekken, zij moeten ook opklimmen, hun harten opheffen, en zoeken de dingen, die boven zijn. De roepstem luidt: "Kom hier op." Openbaring 4:1. 3. De getuigen er van. Hij nam met zich Petrus, en Jakobus, en Johannes. Hij nam drie, een voldoend getal om te getuigen van wat zij zouden zien, want in den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. Christus maakt Zijne verschijningen wel zeker en ontwijfelbaar, maar niet te algemeen, niet al den volke, maar den getuigen, Handelingen 10:41, opdat zij zalig mogen zijn, die niet gezien en nochtans geloofd hebben. Hij nam deze drie, omdat zij de voornaamsten waren van al de discipelen, de eerste drie der helden van den Zone David's, waarschijnlijk hebben zij uitgemunt in gaven en genade. Zij waren Christus' gunstgenoten, uitgelezen van de anderen, om de getuigen te zijn van Zijne afzonderingen, en dit was om hen er toe voor te bereiden. Een blik op Christus' heerlijkheid, terwijl wij nog in deze wereld zijn, is een goede toebereiding voor ons lijden met Hem, gelijk dit weer een goede toebereiding is voor het zien Zijner heerlijkheid in de andere wereld. Paulus, die zeer veel moeite en benauwdheid had te verduren, heeft ook zeer vele openbaringen gehad.
Il. De wijze, waarop zij plaatshad, vers 2 :Hij werd voor hen van gedaante veranderd. De zelfstandigheid Zijns lichaams bleef onveranderd, maar in bijkomstige verschijnselen er van had een grote verandering plaats. Hij werd niet veranderd in een geest, maar Zijn lichaam, dat in zwakheid en oneer was verschenen, verscheen nu in kracht en heerlijkheid. Hij werd van gedaante veranderd, metamorphiothè, gemetamorphoseerd. De ongewijde dichters misleidden de wereld met ijdele en buitensporige verhalen van metamorphosis, inzonderheid de metamorphosis van hun goden, die zij voor hen verlaagden en verkleinden, even leugenachtig als bespottelijk. Sommigen zijn van mening dat Petrus hier het oog op had, toen hij de gedaanteverandering van Christus gaande vermelden, zei: Wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onzen Heere Jezus Christus, 2 Petrus 1:16. Christus was God en mens, maar, in de dagen Zijns vlezes heeft Hij de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen-morphên doulou, Filippenzen 2:7. Hij wierp een sluier over de heerlijkheid Zijner Godheid, maar nu, bij Zijne verandering van gedaante wierp Hij dien sluier af, en verscheen Hij en morphei theou -in de gestaltenis Gods, Filippenzen 2:6, en gaf Zijn discipelen een blik in Zijne heerlijkheid, waardoor het niet anders kon, of Zijne gedaante moest er door veranderd worden. De grote waarheid, die wij verkondigen, is, dat God licht is, 1 Johannes 5, in het licht woont, 1 Timotheus 6:16, zich bedekt met het licht, Psalm 104:2. Toen dus Christus in de gestaltenis Gods wilde verschijnen, verscheen Hij in licht, het heerlijkste van alle zichtbare dingen, de eerstgeborene der schepping, en het meest gelijkend op den eeuwigen Vader. Christus is het Licht, terwijl Hij in de wereld was, scheen Hij in de duisternis, en daarom heeft de wereld Hem niet gekend, Johannes 1:5, 10, maar te dier stonde heeft het Licht uit de duisternis geschenen. Deze gedaanteverandering bleek in twee dingen.
1. Zijn aangezicht blonk gelijk de zon. Het aangezicht is het voornaamste deel des lichaams, waaraan wij gekend worden, daarom is die schittering op Christus' aangezicht gelegd, dat aangezicht, hetwelk Hij later niet verborg voor smaadheden en speeksel. Het blonk gelijk de zon als zij uitgaat in hare kracht, zo helder, zo schitterend, want Hij is de Zon der gerechtigheid, het Licht der wereld. Het aangezicht van Mozes blonk slechts als de maan, met een ontleend, weerkaatst licht, maar Christus' aangezicht blonk gelijk de zon, met een innerlijk, eigen licht, dat des te treffender heerlijk was, omdat het plotseling, als het ware van achter een duistere wolk, uitbrak.
2. Zijne klederen werden wit, gelijk het licht. Geheel Zijn lichaam was anders geworden, evenals Zijn gelaat, zodat van alle kanten licht uitstraalde door Zijne klederen heen, waardoor zij wit en blinkend werden. Het blinken van Mozes' aangezicht was zo zwak, dat het gemakkelijk door een dunnen sluier verborgen kon worden, maar zo groot was de heerlijkheid van Christus' lichaam, dat Zijne klederen er ook door verlicht werden.
III. Zijne metgezellen in en bij die verheerlijking. Hij zal ten laatste komen met tienduizenden der heiligen, en als een voorproef hiervan werden thans van hen gezien Mozes en Elias, met Hem samensprekende, vers 3. Het waren verheerlijkte heiligen, opdat, als er drie waren, die getuigen op aarde, Petrus, Jakobus en Johannes, er ook iemand mocht zijn om te getuigen in den hemel. Zo was er hier dan een levendige gelijkenis van Christus' koninkrijk, hetwelk bestaat uit heiligen in den hemel en heiligen op aarde, en waartoe behoren de geesten der volmaakte rechtvaardigen. Wij zien hier dat zij, die ontslapen zijn in Christus, niet zijn omgekomen, maar dat zij bestaan in een afzonderlijken toestand, en te voorschijn zullen komen als het nodig is. Deze twee waren Mozes en Elias, uitnemende mannen in hun tijd. Beiden hadden, evenals Christus, veertig dagen en veertig nachten gevast, en andere wonderen gedaan, en beiden waren merkwaardig bij hun verlaten van de wereld, zowel als door hun leven in de wereld. Elia werd in een vurigen wagen naar den hemel gevoerd, en stierf niet. Het lichaam van Mozes is nooit gevonden, mogelijk was het voor bederf behoed, bewaard voor deze verschijning. De Joden hadden groten eerbied voor de nagedachtenis van Mozes en Elias, en daarom kwamen zij om van Hem te getuigen, en tijdingen nopens Hem te brengen naar de wereld hier boven. In hen hebben de wet en de profeten Christus geëerd, en getuigenis van Hem gegeven. Mozes en Elias verschenen aan de discipelen, zij zagen hen en hoorden hen spreken, en, hetzij door hun gesprek of door de mededeling van Christus, zij wisten dat het Mozes en Elia waren, de verheerlijkte heiligen zullen elkaar kennen in den hemel. Zij spraken met Christus. Christus is in gemeenschap met de zaligen, en zal geen vreemdeling zijn voor de leden van dat verheerlijkte gezelschap. Christus stond nu verzegeld te worden in Zijn profetisch ambt, en daarom waren deze twee grote profeten het geschiktst om Hem te vergezellen, al hun eer aan Hem overdragende, want in deze laatste dagen heeft God tot ons gesproken door den Zoon, Hebreeën 1:1.
IV. Het grote genot en de voldoening, die de discipelen smaakten door het gezicht van Christus' heerlijkheid. Als gewoonlijk, sprak Petrus voor de overigen: Heere! het is goed, dat wij hier zijn. Petrus geeft hier uitdrukking aan:
1. Het genot, dat zij smaakten in deze samenspreking. Heere, het is goed hier te zijn. Hoewel zij op een hogen berg waren, dien wij ons ruw en onaangenaam, woest en koud kunnen voorstellen, toch is het goed hier te zijn. Hij spreekt het gevoelen uit van zijne medediscipelen, het is goed, niet slechts voor mij, maar voor ons, dat wij hier zijn. Hij begeerde die gunst niet voor zich alleen, maar sluit hen volgaarne in bij zijn verlangen. Hij zegt dit tot Christus. Vrome, Godvruchtige aandoeningen der ziel willen zich gaarne voor den Heere Jezus uitstorten. Die ziel, die Christus liefheeft en gaarne bij Hem is, wil Hem dit ook gaarne zeggen. Heere, het is goed, dat wij hier zijn. Dit duidt een dankbaar erkennen aan van de vriendelijkheid, om hen tot deze gunst toe te laten. Gemeenschap met Christus is de zielsverlustiging der Christenen. Al de discipelen van den Heere Jezus achten dat het goed voor hen is, om met Hem op den heiligen berg te wezen. Het is goed hier te zijn, waar Christus ís, en waar Hij ons naar Zijne beschikking medeneemt, het is goed hier te zijn, alleen en afgezonderd met Christus, hier te zijn, waar wij de lieflijkheid van den Heere Jezus kunnen aanschouwen, Psalm 27:4. Het is kostelijk om Christus met Mozes en de profeten te horen beraadslagen, te zien hoe alle instellingen van de wet en al de voorzeggingen der profeten op Christus hebben gewezen, en in Hem zijn vervuld.
2. Hun begeerte, dat dit zou voortduren.
Laat ons hier drie tabernakelen maken. In dit, evenals in vele andere gezegden van Petrus, was een mengsel van zwakheid en goeden wil, meer ijver dan voorzichtigheid en bescheidenheid. Hier was ijver voor dit verkeren met hemelse dingen, een loffelijk welbehagen in het gezicht, dat zij hadden van Christus' heerlijkheid. Zij, die door het geloof de lieflijkheid des Heeren zien in Zijn huis, kunnen niet anders dan verlangen, om er al de dagen huns levens te mogen wonen. Het is goed om een nagel te hebben in Gods heilige plaats, Ezra 9:8, een voortdurend verblijf, tehuis te zijn in de heilige inzettingen, niet als een reiziger of vreemdeling, maar als iemand, die er behoort. Petrus dacht, dat deze berg een fraaie plek gronds was om op te bouwen, en hij wilde hier dus tabernakelen maken, gelijk Mozes in de woestijn een tabernakel had gemaakt voor de Shechina, of heerlijkheid Gods. Er bleek wel groten eerbied uit voor zijn Meester en Zijn hemelse gasten, met een prijzenswaardig vergeten van zich zelven en zijne medediscipelen, dat hij tabernakelen wilde voor Christus, Mozes en Elias, maar geen voor zich zelven. Hij zou tevreden zijn, om in zulk goed gezelschap onder den bloten hemel te blijven liggen, op den kouden grond, indien zijn Meester slechts had waar Hij het hoofd kon neerleggen, dan kwam het er voor hemzelf niet op aan, of hij dit had of niet had. Toch heeft hij in zijn ijver ook blijk gegeven van veel zwakheid en onwetendheid. Welke behoefte aan tabernakelen was er voor Mozes en Elias? Zij behoorden tot die zalige wereld, waar zij niet meer hongeren en de zon niet op hen zal vallen. Christus had kort tevoren Zijn eigen lijden voorzegd, en Zijn discipelen aangezegd, dat zij hetzelfde hadden te wachten. Petrus vergeet dit, of wil, om het te voorkomen, tabernakelen bouwen op den berg der verheerlijking, uit den weg van moeilijkheid, verdriet of gevaar. Nog altijd is het: Meester, spaar U! hem in de gedachte, schoon hij er nog zo kort tevoren om bestraft werd. Er is in vrome mensen een neiging om de kroon te verwachten zonder het kruis. Petrus wilde, gelijk die andere discipelen in Hoofdstuk 20:21, die kroon reeds aangrijpen als den behaalden prijs, hoewel hij den strijd nog niet had gestreden en den loop nog niet had voleindigd. Wij missen ons doel, als wij een hemel op aarde verwachten. Het betaamt gene vreemdelingen en pelgrims, (dat wij zelfs in de beste omstandigheden in deze wereld toch slechts zijn) om van bouwen te spreken, of een blijvende stad te verwachten. Toch is er ene verontschuldiging voor het ongepaste van Petrus' voorstel. Niet alleen wist hij niet wat hij zei, Lukas 9:33, maar hij onderwierp het voorstel aan de wijsheid van Christus: Zo Gij wilt, laat ons tabernakelen maken. Welke tabernakelen wij ons ook voorstellen in de wereld te maken, altijd moeten wij ons herinneren, dat wij Christus' toestemming hebben te vragen. Op hetgeen Petrus hier nu zei werd geen antwoord gegeven, het verdwijnen der heerlijkheid zal er weldra het antwoord op zijn. Zij, die zich op aarde grote dingen beloven, zullen, door de ervaring geleerd, het wel spoedig anders inzien.
V. Het heerlijk getuigenis door God den Vader aan onzen Heere Jezus gegeven, waarin Hij van God den Vader eer en heerlijkheid heeft ontvangen, 2 Petrus 1:17, toen zodanig ene stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd. Dit was als ene bekendmaking van de eretitels, of koninklijke naamvoering van een vorst, als hij bij zijne kroning in zijn staatsieklederen verschijnt. En ter vertroosting van het mensdom zij het bekend, dat de koninklijke titel en benaming van Christus ontleend is aan Zijn Middelaarschap. Aldus verscheen Hij in een visioen met een regenboog, het zegel des verbonds, rondom Zijn troon, Openbaring 4:3, want het is Zijne heerlijkheid onze Verlosser te zijn. Betreffende dit getuigenis uit den hemel aan Christus valt op te merken:
1. Hoe het kwam. Er was ene wolk. In het Oude Testament zien wij dikwijls, dat ene wolk het zichtbare teken was van Gods tegenwoordigheid. Op den berg Sinaï kwam Hij neer in ene wolk, Exodus 19:9, evenzo tot Mozes, Exodus 34:5, Numeri 11:25. In ene wolk nam Hij bezit van den tabernakel, en daarna evenzo van den tempel. Waar Christus was in Zijne heerlijkheid, daar was de tempel, en daar betoonde God zich tegenwoordig. Wij kennen het gewicht der wolken niet, maar dit weten wij, dat de gemeenschap tussen hemel en aarde er door onderhouden wordt. De dampen, die van de aarde opklimmen, worden wolken, en daaruit dalen de regens neer, daarom wordt gezegd, dat God van de wolken Zijn wagen maakt, dit heeft Hij hier gedaan, toen Hij op dezen berg neerkwam. Het was een luchtige, een heldere wolk, Onder de wet was het gewoonlijk een dikke, donkere wolk, die God tot teken stelde van Zijne tegenwoordigheid. In een zware wolk kwam Hij neer op den berg Sinaï, Exodus 19:16, en Hij heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen, 1 Koningen 8:12. Maar thans zijn wij niet gekomen tot den tastelijken berg, en donkerheid en duisternis, Hebreeën 12:18, maar tot den berg, die gekroond is met een luchtige, schitterende wolk. Beide de Oud- en de Nieuw-Testamentische bedeling hebben tekenen gehad van Gods tegenwoordigheid, maar de eerste was ene bedeling van verschrikking, en duisternis en dienstbaarheid, de laatste van licht, liefde en vrijheid. De wolk overschaduwde hen. Zij was bestemd om de kracht te breken of te temperen van dat grote licht, dat anders de discípelen overstelpt zou hebben, ondraaglijk voor hen zou geweest zijn, het was als de sluier, die Mozes' aangezicht bedekte als het blonk. Als God zich aan Zijn volk openbaart, gedenkt Hij wat maaksel zij zijn. Die wolk was voor hun ogen, wat gelijkenissen waren voor hun verstand, bestemd om door tastbare dingen geestelijke dingen tot hen te laten doordringen, naarmate zij instaat waren ze te dragen. Er kwam ene stem uit de wolk, en het was de stem Gods, die thans, evenals vanouds, sprak in ene wolkkolom, Psalm 99:7. Hier was geen donder, of bliksem, of stem als die ener bazuin, zoals toen de wet werd gegeven door Mozes, maar slechts ene stem, een zachte stem als het suizen ener zachte stilte, niet ingeleid door een sterken wind, of ene aardbeving, of vuur, zoals toen God tot Elia sprak, 1 Koningen 19:11, 12. Mozes en Elias waren dus getuigen, dat God in deze laatste dagen tot ons gesproken heeft door den Zoon, op een nadere wijze, dan Hij vroeger tot hen gesproken had. Deze stem kwam uit de hoogwaardige heerlijkheid, 2 Petrus 1:17, de heerlijkheid, die boven allen is, in vergelijking waarvan de aardse heerlijkheid gene heerlijkheid is. Hoewel die hoogwaardige heerlijkheid omwolkt was, toch kwam er ene stem uit, want het geloof is door het gehoor.
2. Wat dit getuigenis van den hemel was: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem. Hier is dus: De grote Evangelieverborgenheid geopenbaard: Deze is Mijn geliefde Zoon, in dewelke Ik Mijn welbehagen heb. Dat was hetzelfde als wat gesproken werd bij Zijn doop, Hoofdstuk 3:17, en het was de beste tijding, die ooit van den hemel tot de aarde is gekomen, sedert de mens heeft gezondigd. Het heeft dezelfde strekking als de grote leerstelling, 2 Corinthiërs 5:19, dat God was in Christus, de wereld met zich zelven verzoenende. Mozes en Elias waren grote mannen, gunstgenoten des hemels, toch waren zij slechts dienstknechten, en wel dienstknechten, in wie God niet altijd een welbehagen had, want Mozes heeft onbedachtelijk gesproken, en Elia was een man, onderhevig aan gelijke bewegingen als wij zijn, maar Christus is een Zoon, en in Hem heeft God altijd een welbehagen gehad. Mozes en Elias waren soms de instrumenten van verzoening tussen God en Israël, Mozes was een groot voorbidder, en Elias een groot hervormer, maar in Christus verzoent God de wereld, Zijne voorbede is overmogender dan die van Mozes, en Zijne reformatie grondiger en van meer uitwerking dan die van Elias. Die herhaling van de stem, welke uit den hemel kwam bij Zijn doop, was geen ijdele herhaling, maar, gelijk het dubbele van Farao's droom, was het om te tonen, dat de zaak vast besloten is. Wat God aldus eens, ja tweemalen gesproken heeft, daar zal Hij ongetwijfeld bij blijven, en Hij verwacht, dat wij daar op zullen letten, er nota van zullen nemen. Het werd gesproken bij Zijn doop, omdat Hij toen verzocht stond te worden en Zijn openlijk dienstwerk zou aanvangen. En nu werd het herhaald, omdat Hij in zou gaan tot Zijn lijden, dat van toen aan gedateerd moet worden, want thans, en niet vroeger, begon Hij dit lijden te voorzeggen, en terstond na Zijne verheerlijking op den berg werd gezegd, Lukas 9:51, dat de dagen Zijner opneming vervuld werden. Daarom werd dit dus nu herhaald, om Hem te wapenen tegen de verschrikking, en Zijne discipelen tegen de ergernis van het kruis. Als het lijden overvloedig begint te worden, dan worden ook overvloedige vertroostingen geschonken, 2 Corinthiërs 1:5. De grote Evangelieplicht, die geëist wordt en die de voorwaarde is, waarop wij Christus' zegeningen kunnen ontvangen. Hoort Hem. God heeft in niemand anders welbehagen dan in hen, die Christus horen. Wij moeten Hem horen en geloven als den groten Profeet en Leraar, Hem horen, door Hem geregeerd worden, als den groten Vorst en Wetgever. Hem horen en Hem gehoorzamen. Wie de gedachte, de bedoeling Gods wil kennen, moet horen naar Jezus Christus, want door Hem heeft God in deze laatste dagen tot ons gesproken. Deze stem van den hemel heeft al de woorden van Christus even gezaghebbend gemaakt, alsof zij aldus uit de wolken waren gesproken. God verwijst ons hier, als het ware, naar Christus, voor al de openbaringen van Zijn wil, en het wijst heen naar de voorzegging betreffende den Profeet, dien God verwekken zal, als Mozes, Deuteronomium 18:18. Hem zult gij horen. Christus verscheen nu in heerlijkheid, en hoe meer wij van Christus' heerlijkheid zien, hoe meer reden wij zullen zien om naar Hem te horen, maar de discipelen staarden op die heerlijkheid, die zij aan Hem zagen, en daarom wordt hun gezegd niet op Hem te zien, maar naar Hem te horen. Het gezicht op Zijne heerlijkheid werd hun spoedig benomen door de wolk, maar wat zij te doen hadden was: Hem te horen. Wij wandelen door geloof, hetwelk is door het gehoor, en niet door aanschouwen, 2 Corinthiërs 5:7. Mozes en Elias waren nu bij Hem, de wet en de profeten. Totnutoe was er gezegd: Dat zij die horen, Lukas 16:39. De discipelen waren bereid hen met Christus gelijk te stellen, toen zij tabernakelen wilden hebben voor hen, zowel als voor Hem. Zij hadden met Christus gesproken, en de discipelen waren waarschijnlijk zeer begerig te weten wat zij zeiden, en iets meer van hen te horen. Neen. zegt God, hoort Hem, en dat is genoeg, Hem, en niet Mozes en Elias, die tegenwoordig waren, en wier zwijgen ene instemming was met deze stem. Zij hadden er niets tegen in te brengen, welken invloed zij ook hadden in de wereld, als profeten, zij waren gewillig om het alles op Christus te zien overgebracht, opdat Hij in alles de eerste zou zijn. Laat het u niet verdrieten, dat Mozes en Elias slechts zo kort bij u verwijlen, hoort Christus, en dan zult gij hen niet nodig hebben.
VI. De vrees der discipelen op het horen dezer stem, en de bemoediging, die zij van Christus ontvingen.
1. De discipelen vielen op hun aangezicht en werden zeer bevreesd. Het sterke, grote licht, en de verrassing er van, zou een natuurlijken invloed op hen hebben kunnen oefenen om hen te doen ontstellen. Maar dit was niet alles. Van dat de mens gezondigd heeft, en Gods stem heeft gehoord in den hof, zijn buitengewone verschijningen van God altijd schrikwekkend geweest voor den mens, die, wetende dat hij geen reden heeft om iets goeds te verwachten, bevreesd was om iets onmiddellijk van God te horen. Zelfs dan, als uit het noorden schoon weer komt, is er toch bij God een vreeslijke majesteit, Job 37:22 1) Zie de schrikkelijke uitwerking van de stem des Heeren, Psalm 29:4. Het is goed voor ons, dat God tot ons spreekt door mensen gelijk wij zelf zijn, wier verschrikking ons niet bevreesd zal maken.
2. Vriendelijk en met grote tederheid heeft Jezus hen opgericht. De heerlijkheid en de verhogingen van onzen Heere Jezus verminderen de zorg niet, die Hij heeft voor Zijn volk, die met zwakheid omvangen zijn. Het is troostrijk te denken, dat Hij thans, in Zijn staat van heerlijkheid, medelijden heeft met, zich neerbuigt tot, den geringsten gelovige. Let hier op hetgeen Hij deed: Hij kwam bij hen, en raakte hen aan. Zijne nadering verbande de vrees, en toen zij bemerkten, dat Christus acht op hen sloeg, was er niets meer nodig om hen gerust te stellen. In een zelfde geval heeft Christus Zijne rechterhand gelegd op Johannes en op Daniël, Openbaring 1:17, Daniël 8:18. Christus' aanraking was dikwijls ter genezing, hier was zij ter versterking en verstroosting. Op hetgeen Hij zei: Staat op, en vreest niet. Hoewel de eerbiedige vreze in ons spreken met den hemel Christus welbehaaglijk is, is de vrees der verschrikking en ontroering dit toch niet, daar moet tegen gestreden worden. Staat op, zei Christus. Het is Christus, die door Zijn woord en de kracht, die er van uitgaat, de Godvruchtigen opheft uit hun neerslachtigheid, en hun vrees tot zwijgen brengt, niemand dan Christus kan dit. Staat op en vreest niet. Nodeloze vrees zou spoedig verdwijnen, als wij er niet aan wilden toegeven en er niet onder nederlagen, maar op zouden staan en doen wat wij kunnen. Wat zij gezien en gehoord hadden was hun eerder ene reden tot verheuging dan tot vrees, en toch hadden zij, naar het schijnt, deze waarschuwing nodig. Door de zwakheid van ons vlees gebeurt het dikwijls, dat wij bevreesd zijn door de dingen, die ons behoorden te bemoedigen. Nadat zij een uitdrukkelijk bevel van den hemel hadden ontvangen om Christus te horen, is het eerste woord, dat zij van Hem ontvangen: Vreest niet, hoort dit. Christus' werk in deze wereld was troost te schenken aan Godvruchtigen, opdat zij, verlost zijnde uit de handen hunner vijanden, God zouden dienen zonder vrees. Lukas 1:74, 75.
VII. Het verdwijnen van het visioen, vers 8. Zij richtten zich op, en hun ogen opheffende zagen zij niemand dan Jezus alleen. Mozes en Elias waren weggegaan, de stralen van Christus' heerlijkheid waren verdwenen, of weer omsluierd. Zij hadden gehoopt, dat dit de dag was van Christus' intrede in Zijn koninkrijk en Zijn openbare verschijning in dien uitwendigen glans en pracht, waarvan zij hadden gedroomd, maar zie hoe zij worden teleurgesteld. Het is niet verstandig om hoge verwachtingen te koesteren in deze wereld, want ook het kostelijkste, het meest waardeerbare van onze heerlijkheid en vreugde hier beneden verdwijnt, zelfs is dit ook zo met onze innige gemeenschapsoefening met God, het is geen voortgezette feestmaaltijd, geen aanhoudend feestmaal, maar een voorbijgaand onthaal. Als wij soms bevoorrecht worden met bijzondere openbaringen van Goddelijke genade, een voorsmaak ontvangen van de toekomende heerlijkheid, worden zij ons toch weldra weer ontnomen, twee hemelen te verwachten is te veel voor hen, die nooit een enkelen kunnen verdienen. Thans zagen zij niemand dan Jezus alleen. Christus zal bij ons blijven, als Mozes en Elias weggegaan zijn. Zullen de profeten in eeuwigheid leven? Zacheria 1:5, en wij aanschouwen de uitkomst der wandeling onzer voorgangers, maar "Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in alle eeuwigheid, Hebreeën 13:7, 8.
VIII. Het gesprek van Christus met Zijne discipelen, toen zij van den berg afkwamen, vers 9 -13.
Zij kwamen af van den berg. Wij moeten neerkomen van de heilige bergen, waar wij gemeenschap oefenen met God, en in die gemeenschap behagen vinden, en waarvan wij zeggen: Het is goed hier te zijn, zelfs dáár, waar wij geen blijvende stad hebben. Geloofd zij God, er is een berg van heerlijkheid en zielsgeneugte voor ons, waar wij nimmer zullen afkomen. Maar, let hier op, toen de discipelen afkwamen, kwam Jezus met hen af. Als wij na deelgenomen te hebben aan het Avondmaal, of na een goede Evangelieprediking te hebben gehoord, wederom terugkeren in de wereld, dan moet het onze zorg wezen, dat Christus met ons gaat, en dan zal het onze vertroosting zijn, dat Hij bij ons is. Terwijl zij afkwamen, spraken zij van Christus. Als wij van de Godsverering wederkeren, dan is het goed, dat wij elkaar onderhouden over het werk, dat wij gedaan hebben, of waaraan wij deelgenomen hebben. Die rede, die goed is tot nuttige stichting, is dan zeer bijzonder gepast, gelijk die, welke daarvan het tegenovergestelde is, in zulk een ogenblik erger is dan op andere tijden. Wij hebben hier den last, dien Christus aan de discipelen gaf, om dit gezicht vooralsnog zeer geheim te houden, vers 9, Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des mensen zal opgestaan zijn uit de doden. Indien zij het bekend gemaakt hadden, dan zou de geloofwaardigheid er van geschokt zijn door Zijn lijden, dat nu welhaast over Hem komen zou. Maar laat de bekendmaking er van uitgesteld worden tot na Zij ne opstanding, en dan zal dit en Zijn daarop volgende heerlijkheid een grote bevestiging er van zijn. Christus heeft ene methode gevolgd in de openbaringen van zich zelven: Hij wilde, dat Zijne werken tezamen gevoegd zouden zijn, met elkaar in verband gebracht, elkaar wederzijds verklarende en ophelderende, opdat zij in hun volle kracht en overtuigende blijkbaarheid zouden verschijnen. Alles is schoon op zijn tijd. Christus' opstanding was het eigenlijke begin van de Evangeliekerk en koninkrijk, waarvan al het voorafgaande slechts voorbereidend was en als ter inleiding dienende, en daarom moet dit, hoewel tevoren geschied zijnde, toch niet als bewijs aangevoerd worden voordat deze gebeurtenis plaatshad (en toen scheen er zeer nadrukkelijk op gewezen te zijn, 2 Petrus 1:16-18), toen de Godsdienst, dien het moest bevestigen, tot volle rijpheid en vastigheid was gekomen. Christus' tijd is de beste en geschiktste om zich te openbaren, en daarnaar hebben wij ons te schikken. Ene tegenwerping van de discipelen op iets, dat Christus gezegd had, vers 10, Wat zeggen dan de schriftgeleerden, dat Elias eerst moet komen? Indien Elias slechts zo kort hier verwijld heeft, en zo plotseling is weggegaan, en wij niets van hem moeten zeggen, waarom is ons dan uit de wet geleerd zijn openlijke verschijning te verwachten in de wereld onmiddellijk voor de oprichting van het koninkrijk van den Messias? Moet de komst van Elias een geheim zijn, daar toch iedereen naar hem uitziet? Of wel: Indien de opstanding van den Messias, en daarmee het begin van Zijn koninkrijk, nabij is, wat wordt er dan van die heerlijke inleiding er van, die wij verwachten in de komst van Elias? De schriftgeleerden, die de openlijke uitleggers der wet waren, zeiden dit volgens de Schrift, Maleachi 4:5 :Zie, Ik zend ulieden den profeet Elia. De discipelen spraken de gewone taal der Joden, die tot een gezegde van de schriftgeleerden maakten wat een gezegde was van de Schrift, terwijl wij van hetgeen de leraren tot ons zeggen in overeenstemming met het woord Gods, moeten zeggen: God spreekt het tot ons, niet de leraren, want wij moeten het niet ontvangen als der mensen woord, 1 Thessalonicenzen 2:13. Als de discipelen hetgeen Christus zei niet wisten overeen te brengen met hetgeen zij uit het Oude Testament hadden gehoord, dan verzochten zij Hem het hun te verklaren. Als wij verlegen zijn wegens moeilijkheden in de Schrift, dan moeten wij ons tot Christus wenden door het gebed om Zijn Geest, dat Hij ons verstand opene en ons in alle waarheid leide. Het uit den weg nemen dezer tegenwerping.
Bid en u zal gegeven worden, vraag om onderricht, en gij zult het ontvangen. Christus erkent de voorzegging, vers 11. Elias zal wel eerst komen, en alles weer oprichten, in zover hebt gij gelijk. Christus is niet gekomen om iets, wat het ook zij, dat in het Oude Testament voorzegd is, te veranderen of krachteloos te maken. Verdorven uitleggingen, die op dwaling gegrond zijn, kunnen genoegzaam veroordeeld en verworpen worden, zonder dat aan het gezag en de waardigheid van den gewijden tekst afbreuk of tekort wordt gedaan. Nieuw-Testamentische profetieën zijn waar en goed, en moeten aangenomen en geloofd worden, hoewel sommige heethoofden en dwazen ze misverstaan hebben en er verkeerde gevolgtrekkingen uit hebben afgeleid. Hij zal komen en alles weer oprichten, niet in den vorigen toestand herstellen (Johannes de Doper heeft dat niet gedaan) maar hij zal alles vervullen (zoals die woorden ook gelezen kunnen worden), alles wat van hem geschreven is, al de voorzeggingen betreffende de komst van Elias. Johannes de Doper is gekomen om alles weer op te richten in geestelijken zin, den vervallen Godsdienst te doen herleven, de harten der vaderen te bekeren tot de kinderen, hetgeen hetzelfde betekent als dit: hij zal alles weer oprichten. Johannes predikte bekering, en dat was ene wederoprichting van alle dingen. Hij verklaart dat de voorzegging vervuld is. De schriftgeleerden zeggen met waarheid, dat Elias komen zal, maar Ik zeg u, wat de schriftgeleerden niet konden zeggen, dat Elias gekomen is, vers 12. Gods beloften zijn dikwijls vervuld, en de mensen bespeuren het niet, maar vragen: Waar is de belofte? als die belofte reeds vervuld is. Elias is gekomen, en zij hebben hem niet gekend, zij wisten niet, dat hij de Elias was, de voorloper van den Messias. De schriftgeleerden hielden zich bezig met de Schrift te beoordelen, maar zij hebben door de tekenen der tijden de vervulling der Schrift niet begrepen. Het is gemakkelijker het woord Gods uit te leggen, dan het toe te passen en er een recht gebruik van te maken. Maar het is niet te verwonderen, dat de morgenster niet werd opgemerkt, als Hij, die de Zon zelf is, in de wereld was, en de wereld Hem niet gekend heeft. Omdat zij hem niet gekend hebben, hebben zij aan hem gedaan al wat zij hebben gewild. Indien zij hen gekend hadden, zij zouden Christus niet gekruist en Johannes niet onthoofd hebben, 1 Corinthiërs 2:8. Zij hebben Johannes bespot, hem vervolgd, en hem eindelijk ter dood gebracht, hetgeen het werk was van Herodes, maar hier aan het ganse geslacht van ongelovige Joden ten laste wordt gelegd, en inzonderheid aan de schriftgeleerden, die, hoewel zij niet zelven Johannes konden vervolgen, toch een welbehagen hadden in hetgeen Herodes deed. Hij voegt er bij: alzo zal ook de Zoon des mensen van hen lijden. Verwondert u er niet over, dat Elias mishandeld en gedood werd door hen, die voorgaven hem te verwachten, als de Messias zelf deze behandeling van hen zal ondervinden. Het lijden van Christus neemt het vreemde weg van alle andere lijden, Johannes 15:18, als zij hun handen gedoopt hadden in het bloed van Johannes de Doper, dan waren zij ook bereid om hetzelfde aan Christus te doen. Zoals de mensen met Christus' dienaren handelen, zo zullen zij ook met Hem handelen, en zij, die dronken zijn van het bloed der martelaren, blijven nog altijd om meer roepen, Handelingen 12:1-3. De voldoening der discipelen met Christus' antwoord op hun bezwaar, vers 13. Toen verstonden de discipelen, dat Hij hun van Johannes de Doper gesproken had. Hij noemde Johannes niet, maar gaf hun zulk ene beschrijving van hem, dat het hen deed gedenken aan hetgeen Hij hun vroeger van hem gezegd had. Deze is Elias. Dit is een nuttige manier van onderwijzen, het doet de leerlingen denken, en maakt hen, zo al niet tot hun eigen leermeesters, dan toch tot mensen, die zich zelven aan de dingen doen gedenken, en hun eigen opscherpers van het geheugen zijn, en aldus wordt wetenschap gemakkelijk voor hem, die verstaat. Als wij vlijtig gebruik maken van de middelen om kennis te verkrijgen, hoe verwonderlijk worden dan de nevelen verdreven en de vergissingen hersteld!