Jesaja 1:1
Hier is:
1. De naam van de profeet Jesaja, of Jeshajahoe, want zo is hij in het Hebreeuws, die in het Nieuwe Testament Esaias gelezen wordt. De naam betekent het heil des Heeren, een geschikte naam voor een profeet, door wie God de kennis van de zaligheid geeft aan Zijn volk, inzonderheid voor deze profeet, die zoveel profeteert omtrent Jezus, de Zaligmaker, en de grote zaligheid, door Hem gewerkt. Hij wordt gezegd de zoon te zijn van Amoz, niet van Amos de profeet, in het Hebreeuws verschillen hun namen meer dan in onze taal maar, naar de Joden denken, van Amoz, de broeder, of zoon, van Amazia, koning van Juda, een overlevering, even onzeker als die regel welke zij geven, dat, als de vader van een profeet vermeld wordt, deze ook zelf een profeet was. De leerlingen en opvolgers van profeten worden dikwijls hun zonen genoemd, maar wij hebben er weinig of geen voorbeelden van dat hun zonen hun opvolgers waren.
2. De aard of hoedanigheid van de profetieën, het is een gezicht, daar zij hem in een gezicht was geopenbaard toen hij wakende en wakker was en de woorden Gods heeft gehoord en de gezichten van de Almachtige heeft gezien, zoals Bileam zegt, Numeri 24:4, hoewel het in het eerst misschien niet zo'n verheven, majestueus gezicht was als dat, hetwelk hij later gezien heeft, Hoofdstuk 6:1. De profeten werden zieners, of ziende mannen genoemd, en daarom worden hun profetieën zeer gepast gezichten genoemd, Het was hetgeen hij met zijn geestesoog zag, en door goddelijke openbaring even duidelijk voorzag, en waarvan hij even wel verzekerd en onderricht was, en waardoor hij even diep getroffen was geworden, als wanneer hij het met zijn lichamelijke ogen had gezien. Gods profeten zagen hetgeen waar zij van spraken, wisten wat zij zeiden, en zij eisen ons geloof voor niets anders, dan voor hetgeen zij zelf geloofden en waarvan zij ten volle verzekerd waren, Johannes 6:69,. 1 Johannes 1 :.
1. Zij konden niet anders dan spreken van hetgeen zij zagen, zij moesten het, omdat zij zagen hoe groot een belang allen, die om hen heen waren) er bij hadden, Handelingen 4-20, 2 Corinthiers 4:13.
3. Het onderwerp van de profetie, het was het gezicht, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem het land van de twee stammen, en de stad, die metropolis of hoofdstad was, en er is weinig in betreffende Efraïm, of de tien stammen, van wie zoveel is in de profetie van Hosea. Sommige hoofdstukken in dit boek hebben betrekking op Babel, Egypte, Tyrus en sommige naburige volken, maar het heeft Zijn titel naar hetgeen er het voornaamste onderwerp van is en daarom wordt gezegd dat het is over Juda en Jeruzalem, de andere volken, van wie gesproken wordt, waren zulke, waarmee het volk van de Joden zaken had. Tot hen brengt Jesaja zeer bijzonder:
a. Onderricht, want het is het voorrecht van Juda en Jeruzalem, dat hun de woorden Gods waren toevertrouwd.
b. Bestraffing en bedreiging, want indien in Juda, waar God bekend is, indien in Salem, waar Zijn naam groot is, ongerechtigheid wordt gevonden, dan zal er met hen, eerder dan met iemand anders, voor afgerekend worden.
c. Troost en bemoediging in zware tijden, want de kinderen van Zion moeten zich verheugen over hun Koning. 4. De datum van de profetie, hij profeteerde in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia.
Hieruit blijkt,
a. dat hij gedurende lange tijd heeft geprofeteerd, inzonderheid indien hij-zoals de Joden zeggen-ten laatste door Manasse werd ter dood gebracht, in stukken gezaagd zijnde, waarop, naar sommigen denken, de apostel doelt in Hebreeën 11:37. Van het jaar, toen koning Uzzia stierf, Hoofdstuk 6:1, tot aan Hizkia's ziekte en herstel, zijn zeven en veertig jaren verlopen, hoe lang daarvoor en daarna hij heeft geprofeteerd is niet zeker, sommigen rekenen zestig, anderen tachtig jaren in het geheel. Het was een eer voor hem en een geluk voor zijn volk, dat hij zolang geleefd heeft en aan zijn zegenrijke arbeid is gelaten, en wij moeten veronderstellen, beide dat hij jong is begonnen, en dat hij tot in hoge ouderdom is blijven arbeiden, want de profeten waren niet, zoals de priesters aan een zekere leeftijd gebonden voor het begin en het einde van hun dienst.
b. Dat hij door verschillende tijden is heengegaan. Jotham was een goed koning, en Hizkia nog een betere, die ongetwijfeld deze profeet hebben aangemoedigd, en met hem te rade zijn gegaan, hem hebben beschermd en hem tot hun raadsman aangesteld, maar tussen hen en toen Jesaja in de bloei van zijn tijd was, komt de regering van Achaz die zeer goddeloos was, toen werd hij ongetwijfeld aan het hof met zeer donkere en dreigende blikken aangezien, en waarschijnlijk was hij toen genoodzaakt zich te verbergen. Godvruchtige mensen en goede leraren moeten slechte tijden verwachten in deze wereld en er zich op voorbereiden. Toen is de godsdienst zozeer terneer geworpen geworden, dat de deuren van het huis des Heeren gesloten waren, en in iedere hoek van Jeruzalem afgodische altaren werden opgericht, en Jesaja er met al zijn goddelijke welsprekendheid en de boodschappen, die hij onmiddellijk van God zelf had te brengen, niets aan doen kon. De beste mensen, de beste leraren, kunnen het goed niet doen in de wereld, dat zij wensen te doen.