2 Petrus 2:1-4
De apostel Petrus, door den Heiligen Geest gedrongen om nog eens te schrijven aan hen onder de Joden, die tot het geloof in Christus gebracht waren, begint dezen tweeden brief met ene inleiding, waarin dezelfde personen worden beschreven en dezelfde zegeningen voor hen begeerd worden, als in de voorrede van den eersten brief, maar er zijn sommige toevoegingen of veranderingen, waarvan wij behoren kennis te nemen, en wel in alle drie de delen van de inleiding.
I. Wij hebben hier ene omschrijving van persoon, die den brief schreef, bij den naam Simon zowel als Petrus, en bij den titel dienstknecht zowel als apostel. Petrus, zo luidt de naam in beide brieven, en deze schijnt het meest gebruikt te zijn geweest, en wij mogen ook onderstellen dat die hem het meest behaagde, daar deze hem gegeven was door onzen Heere, op zijn belijdenis dat Jezus Christus de Zoon des levenden Gods is, en deze naam betekende en bevestigde dat deze waarheid de grondslag, de rotssteen, was waarop gebouwd moet worden. Maar de naam Simon, ofschoon overgeslagen in den vorigen brief, wordt in dezen genoemd, omdat het voortdurend verzwijgen van den naam, die hem bij zijne besnijdenis gegeven was, de Joodse gelovigen, die allen ijveraars voor de wet waren, naijverig op den apostel kon maken, alsof hij zijne besnijdenis ontkende en verachtte. Hij noemt zich zelven hier een dienstknecht (zowel als een apostel) van Jezus Christus, en daarin mag hij zich beroemen evenals David, Psalm 116:16.. De dienst van Christus is de weg tot de hoogste eer, Johannes 15:26. Christus zelf is de Koning der koningen, en de Heere der heren, en Hij maakt al Zijn dienstknechten koningen en priesters voor God, Openbaring 1:6. Welk een eer is het dienstknechten van dezen Meester te zijn! Hiervoor kunnen wij ons zonder te zondigen niet schamen. Er zich op te beroemen een dienstknecht van Christus te zijn, is betamelijk voor hen, wier roeping het is anderen te brengen tot of te doen blijven in den dienst van Christus.
II. Wij hebben verder een voorstelling van hen, aan wie de brief geschreven wordt. In den vorigen brief worden zij genoemd: uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader. En hier: degenen, die een even dierbaar geloof met ons verkregen hebben door onzen Heere Jezus Christus. Want het hier genoemde geloof is zeer verschillend van dat van den ketter, of van het geveinsde geloof van den huichelaar, of van het dode geloof van den vormelijken belijder, hoe rechtzinnig die laatste ook zijn moge. Het is het geloof van Gods uitverkorenen, Titus 1:1, gewrocht door den Geest Gods door werkdadige roeping. Mer k hier op:
1. Het ware zaligmakende geloof is een kostbare genade, en dat niet alleen omdat het zeer ongewoon, zeer schaars is, zelfs in de zichtbare kerk, omdat er een zeer klein aantal van ware gelovigen is onder een grote menigte van zichtbare belijders, Mattheus 22:14, maar het ware geloof is voortreffelijk en van zeer groot nut en voordeel voor hen, die het bezitten. De rechtvaardige leeft door het geloof, een waarachtig, goddelijk, geestelijk leven, het geloof verschaft allen nodigen bijstand en troost van dit heerlijke leven, het geloof gaat tot Christus en koopt wij n en melk, Jesaja 55:1, die het rechte voedsel voor den nieuwen mens zijn, het geloof koopt en brengt thuis het gedreven goud, de hemelse schatten die rijk maken: het geloof neemt en trekt aan de witte klederen, de koninklijke sierlijke klederen, Openbaring 3:28.
2. Het geloof is even dierbaar in den gewonen Christen als in den apostel, het geeft den een zowel als den ander dezelfde kostbare vrucht. Het geloof verenigt den zwakken gelovige met Christus even zeker als den sterken gelovige, en ieder oprecht gelovige wordt door zijn geloof gerechtvaardigd in de ogen Gods, en dat van alle zonden, Handelingen 13:39. Het geloof, in wie het zich ook openbaart, legt de hand op dezelfden dierbaren Zaligmaker, en beroept zich op dezelfde dierbare beloften.
3. Dit dierbaar geloof wordt verkregen van God. Het geloof is een gave Gods, gewrocht door den Geest, die Jezus Christus opwekte uit de doden.
4. De dierbaarheid van het geloof, zowel als ons verkrijgen er van, zijn door de rechtvaardigheid van Christus. De voldoenende, verdienende gerechtigheid en gehoorzaamheid van Christus geeft aan het geloof al zijn waarde en dierbaarheid, en Zijne gerechtigheid kan niet anders dan van oneindige waarde zijn voor hen, die haar door het geloof ontvangen. Want:
A. Deze Jezus Christus is God, Hij is onze God. Hij is waarachtig God, de Oneindige, Hij, die deze gerechtigheid gewrocht heeft, en daarom moet zij oneindige waarde hebben.
B. Hij is de Zaligmaker van allen, die geloven, en als zodanig bewees Hij deze verdienende gehoorzaamheid, en daarom is die zulk een grote zegen en zulk een voorrecht voor hen, omdat Hij als Borg en Zaligmaker deze gerechtigheid in hun plaats wrocht.
III. Wij hebben hier de apostolische zegenbede, waarin hij toewenst de vermenigvuldiging en toeneming van de goddelijke genade voor hen en de bevordering en groei van het werk der genade in hen, en dat de vrede met God en met hun eigen geweten (zonder genade kan er geen vrede zijn) in hen overvloedig moge zijn. Dit is dezelfde zegenbede als die in den vorigen brief, maar hij voegt er hier bij:
1. Een mededeling van de wijze en de middelen, waardoor genade en vrede worden vermenigvuldigd. Dat is door de kennis van God en van Jezus, onzen Heere. Deze kennis van en dit geloof in den enigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft, zijn het grote bewijs van geestelijk leven, anders kon zij niet de weg ten eeuwigen leven zijn, Johannes 17:3.
2. De grond, waarop de apostel vraagt en waarop de Christelijke hoop mag verwachten, den groei van genade. Hetgeen wij reeds ontvangen hebben moet ons vrijmoedigheid geven om meer te vragen, Hij, die het werk der genade begonnen heeft, zal het ook voleindigen. Merk op:
A. De fontein van alle geestelijke zegeningen is de goddelijke macht van Jezus Christus, die al Zijn Middelaarswerk nooit had kunnen volbrengen, indien Hij niet God was zowel als mens.
B. Alle dingen, die enige betrekking tot en enigen invloed op het geestelijk leven hebben, het leven en de kracht der godzaligheid, zijn van Jezus Christus, in wie al de volheid woont, en het is alleen van Hem, dat wij ontvangen genade voor genade, Johannes 1:16, zowel als al wat nodig is voor de bewaring, verbetering en volmaking van genade en vrede, welke, volgens sommige uitleggers in dit vers begrepen worden onder de benaming: al wat tot het leven en de godzaligheid behoort.
C. De kennis van God en het geloof in Hem zijn het kanaal, waardoor alle geestelijke steun en troost ons toegevoerd worden. Maar dan moeten wij God erkennen als de bewerker van onze daadwerkelijke roeping, want als zodanig wordt Hij hier beschreven: die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd. Het doel van God in de roeping der mensen is hen tot heerlijkheid en deugd te brengen, dat is vrede en genade, gelijk sommigen het opvatten, maar velen geven de voorkeur aan de woorden heerlijkheid en deugd, en hier zien wij ons de daadwerkelijke roeping dus voorgesteld als een werk van heerlijkheid en deugd, of de heerlijke kracht Gods, welke beschreven wordt in Efeze 1:19. Het is de heerlijkheid van Gods macht om zondaren te bekeren, dit is de macht en de heerlijkheid Gods, welke gezien worden in Zijn heiligdom, Psalm 63:3, deze macht en deugd moet geprezen worden door allen, die geroepen zijn uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, 1 Pet. 2:9.
D. In het vierde vers gaat de apostel er toe over om hun geloof en hoop aan te moedigen, in het uitzien naar een toenemen van genade en vrede, omdat dezelfde heerlijkheid en deugd in het werk gesteld en geopenbaard zijn in het geven der beloften van het Evangelie, die vervuld zijn in onze daadwerkelijke roeping.
a. De goede dingen, waarvan de beloften ons verzekering geven, zijn uitnemend groot. Vergeving van zonden is een van de hier bedoelde zegeningen, hoe groot die is, zullen allen gaarne toestemmen, die iets weten van de sterkte van Gods toorn, en dit is een van die beloofde gunsten, in de betoning waarvan de macht des Heeren groot is, Numeri 14:17. Het vergeven van zo talrijke en schandelijke zonden (waarvan elke op zich zelve Gods toorn en vloek voor eeuwig verdiend heeft), is een wonderbaar ding en wordt zo ook genoemd, Psalm 119:18..
b. De beloofde zegeningen van het Evangelie zijn zeer dierbaar: gelijk de grote belofte van het Oude Testament was het Zaad der vrouw, de Messias, Hebreeën 11:39, zo was de grote belofte van het Nieuwe Testament de Heilige Geest, Lukas 24:49, en hoe dierbaar behoort ons de levendmakende, verlichtende, heiligende Geest te zijn!
c. Zij, die de beloften van het Evangelie ontvangen, worden daarvoor der goddelijke natuur deelachtig. Zij worden vernieuwd in den geest huns gemoeds, naar het evenbeeld Gods, in kennis, rechtvaardigheid en heiligheid, hun harten worden aan God en Zijn dienst gewijd, zij bezitten een goddelijke gesteldheid der ziel, want wel is de wet de bediening des doods en de letter die doodt, maar de Geest maakt levend hen, die dood waren in zonden en misdaden.
d. Zij, in wie de Geest de goddelijke natuur werkt, worden verlost van de dienstbaarheid der verderfenis. Die door den Geest der genade vernieuwd zijn in den geest huns gemoeds, worden overgebracht in de vrijheid der kinderen Gods, want in de wereld heerst het verderf. Maar zij, die niet van den Vader doch van de wereld zijn, bevinden zich onder de macht der zonde, de wereld ligt in het boze, 1 Johannes 5:19. En de zonde heerst in de mensen van de wereld door de begeerlijkheid, hun begeerte gaat naar haar uit en daarom regeert zij over hen. De heerschappij, die de zonde over ons heeft, ontstaat uit het vermaak, dat wij in haar hebben.