Filemon 1-7
I. In de eerste twee verzen worden genoemd de persoon, die den brief schrijft, en de persoon, aan wie hij gericht is, met enige nadere aanduiding die min of meer de reden van het schrijven doet kennen.
1. Paulus schrijft als voornaamste, hij noemt zich een gevangene van Jezus Christus, dat is voor Jezus Christus. Op zich zelve is het geen troost en geen eer om een gevangene te zijn, maar zoals Paulus het was, voor het geloof en de verkondiging van het Evangelie, was het waarlijk heerlijkheid en zeer geschikt om Filemon te bewegen tot hetgeen hem door zo iemand gevraagd werd. Een verzoek van iemand, die lijdt voor Christus en Zijn Evangelie, zal zeker met tederheid beschouwd worden door een gelovige en door een dienaar van Christus, vooral wanneer het versterkt wordt door de hulp van Timotheus, een uitnemend man in de gemeente, die soms door Paulus zijn zoon in het geloof genoemd werd, maar nu, waarschijnlijk op meergevorderden leeftijd, zijn broeder. Wat kon aan twee zulke vragers geweigerd worden? Paulus gaat er niet licht over heen om een armen bekeerde te helpen, hij neemt alles te hulp wat hem van dienst kan zijn.
2. De personen, aan wie geschreven wordt, zijn Filemon en Appia, en met hen Archippus, en de gemeente, die te hunnen huize is. Filemon, de meester van Onesimus, was de voornaamste, aan wie de brief gericht werd, het hoofd van het gezin, die de macht en het gezag had om aan te nemen of te verwerpen. Onesimus was zijn eigendom, en daarom moest de zaak in de eerste plaats met hem behandeld worden.
Aan Filemon, den geliefde en onzen medearbeider. Hij was een goed man, en waarschijnlijk een dienaar, en om beide redenen een man, dien Paulus beminde. De goeden liefhebben is een eigenschap van een goed dienaar, Titus 1:8, en boven alles moeten zij liefhebben hen, die met hen arbeiden in het Evangelie en die daarin getrouw zijn. De algemene roeping der Christenen bindt hen, die Christenen zijn, aan elkaar, maar wanneer ze samengevoegd zijn door de bijzondere roeping van dienaren, zal de band nog veel inniger zijn! Paulus, op den hoogsten trap der bediening, noemt niet alleen Timotheus, een evangelist, zijn broeder, maar zelfs Filemon, een gewone dienaar, zijn geliefde medearbeider- een voorbeeld van nederigheid en neerbuiging, en van allergenegenste gevoelens zelfs in hen, die de hoogsten in de gemeente zijn, jegens anderen, die arbeiders zijn in dezelfde bepaalde hemelse roeping. Met Filemon wordt Appia genoemd, waarschijnlijk zijne echtgenote, en omdat ook zij belang heeft bij de zaken van het gezin richt Paulus zich ook tot haar. Ook zij was beledigd en ook haar was onrecht aangedaan door Onesimus, en daarom was het raadzaam ook haar te noemen in een brief van verzoening en waarin vergeving gevraagd werd. Rechtvaardigheid en voorzichtigheid leidden Paulus er toe haar opzettelijk te noemen, zij kon helpen om dit schrijven zijn doel te doen bereiken, Zij wordt genoemd voor Archippus, omdat zij bij de zaak meer betrokken was. Er bestaat innige vereniging tussen man en vrouw in huishoudelijke zaken, hun belangen zijn een, hun handelingen en neigingen behoren dus ook een te zijn. Zij zijn de voornaamste van de personen, aan wie de brief gericht is. De minder voorname zijn Archippus en de gemeente in Philemons huis. Archippus was dienaar van de gemeente te Colosse, vriend van Filemon en denkelijk zijn mededienaar. Paulus hield hem wellicht voor iemand, dien Filemon om raad zou vragen, en die hem behulpzaam zou zijn in het goede werk van verzoenen en vrede maken, en vond het daarom gewenst om zijn naam in het opschrift van den brief te melden, met de bijvoeging: onzen medestrijder. Hij had Filemon genoemd onzen (niet zijn) medearbeider. Dienaren moeten zich zelven beschouwen als arbeiders en krijgsknechten, moeten daarom moeite doen en ongemak verdragen, zij moeten op wacht staan en hun post betrekken, zij moeten elkaar beschouwen als medearbeiders en medestrijders, die elkaar moeten helpen, en elkanders harten en handen versterken in al het werk van hun heilige bediening. Zij moeten zorgen dat zij van geestelijke wapenen voorzien zijn en die goed kunnen gebruiken. Als arbeiders moeten zij het Woord bedienen, en de sacramenten en tuchtmiddelen, en waken over dè zielen, als degenen die rekenschap geven zullen. En als krijgsknechten moeten zij den strijd des Heeren strijden, zich niet verwarren in de dingen dezes levens, maar trachten te behagen aan Hem, die hen tot Zijne krijgsknechten geroepen heeft, 2 Timotheus 2:4. En de gemeente, die te uwen huize is, zijn gehele gezin, waarin de aanbidding Gods uitgeoefend werd, zodat hij, om zo te zeggen, een gemeente in zijn huis had.
A. Gezinnen, die over het algemeen tot de godvruchtigste en ordelijkste behoren, kunnen toch een ongodsdienstig en ondeugend lid bevatten. Dit verzwaarde de zonde van Onesimus, dat die gepleegd werd waar hij beter kon en moest geleerd hebben, waarschijnlijk had hij zijn wangedrag zeer bedekt gehouden en was het eerst door zijn vlucht kenbaar geworden. Alleen God kent de harten, totdat de daden hen blootleggen.
B. Deze ene slechte dienstknecht verhinderde niet dat Philemons gezin genoemd werd en geacht werd te zijn ene gemeente, ter wille van de godsdienstige verering en de orde, die daar gehouden werd, en dat moeten alle gezinnen zijn: kweekplaatsen van godsdienst, plaatsen waar God aangeroepen, Zijn Woord gelezen, Zijn sabbat gehouden wordt, en waar de leden onderwezen worden in de kennis van Hem en van hun plichten jegens Hem. Verzuim daarvan is de bron van onwetendheid en allerlei bederf. Slechte gezinnen zijn kweekplaatsen voor de hel, gelijk goede voor den hemel.
C. Meesters en andere leden van de gezinnen mogen niet menen, dat het genoeg is goed te zijn, een ieder voor zich zelven en op zijn eigen plaats, maar zij moeten dat ook jegens elkaar zijn. Philemons huisgezin was een gemeente en Paulus richt zijn brief aan hen allen, omdat zij allen bij de zaak van Onesimus belang hebben, opdat ook hun genegenheid, evenals die van Filemon, tot hem moge wederkeren, en opdat zij, ieder naar zijn vermogen, mogen medewerken dat de gewenste en gevraagde verzoening tot stand kome. Het is begeerlijk dat alle leden van een gezin elkaar wèlgezind zijn, om elkanders bijzonder welzijn en het algemeen goed en den zegen voor allen te bevorderen. Daarom heeft Paulus zijn brief zo algemeen geadresseerd, opdat allen gezind zouden worden den armen bekeerling weer te erkennen en aan te nemen, en zich welwillend jegens hem te gedragen. Daarop volgt:
II. De groet van den apostel. Genade zij ulieden en vrede van God, onzen Vader en den Heere Jezus Christus. Dit was het teken in elke brief, zo schreef de apostel. Hij wenst hartelijk het beste voor al zijne vrienden, hij wenst hun het beste van alle dingen, geen goud of zilver, of enig aards goed, in de eerste en voornaamste plaats, maar genade en vrede van God in Christus. Hij kan zelf hun die niet geven, maar hij bidt dat ze hun geschonken mogen worden. Genade, de vrije gunst en welwillendheid van God, de oorsprong en fontein van alle zegeningen, en vrede, alles goeds als de vrucht en uitwerking van die genade. Zij ulieden, dat is worde u geschonken, blijve met u, met het troostrijke gevoel daarvan voor uzelven. Van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. De Heilige Geest wordt hier ook bedoeld, ofschoon niet genoemd, want alle handelingen met de schepselen gaan uit van de gehele Drie-eenheid, van den Vader, die onze Vader is in Christus, de eerste in handeling en in wezen, en van Christus, Zijn gunst en genegenheid als God, en de vruchten daarvan, door Hem als Middelaar, de Godmens. Het is in den Geliefde, dat wij aangenomen zijn, en door Hem hebben wij vrede en alle goede dingen, die is, met den Vader en den Geest, voor alles te danken en te prijzen, en dien wij moeten aannemen niet alleen als Jezus en Christus, maar als onzen Heere. In 2 Corinthiërs 13:14 staat de apostolische zegen voluit: De genade van onzen Heere Jezus Christus en de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen. Amen! Geestelijke zegeningen moeten eerst en voornamelijk gezocht worden voor ons zelven en voor anderen. De gunst van God en de vrede met Hem, is in zich zelve het beste en begeerlijkste goed, en het is de oorzaak van al het overige, en hetgeen zoetheid legt in elke barmhartigheid en ons gelukkig maken kan zelfs bij het gemis van alle aardse goederen. Alhoewel de vijgenboom niet bloeien zal, en gene vrucht aan den wijnstok zal zijn, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen, dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal en dat er geen rund in de stallingen wezen zal, zo zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen, en ik zal mij verheugen in den God mijns heils, Habakuk 3:17, 18. Velen zeggen: wie zal ons het goede doen zien! Maar, als God over ons het licht Zijns aanschijns verheft, zal dat meer vreugde in ons hart geven dan alle wereldse goederen samen, Psalm 4:6, 7. En Numeri 6:27. De Heere verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede. Daarin is alle goeds, en alles komt tot ons uit deze ene fontein: God, den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest. Na deze begroeting door den apostel van Filemon en zijn gezin en vrienden -ten einde des te beter het doel van zijn schrijven te bereiken:
III. Vermeldt hij de bijzondere toegenegenheid, die hij voor hem gevoelt, door dankzegging en gebed voor hem, en de grote vreugde over de vele goede dingen, die hij van hem wist en hoorde, vers 4-7. Des apostels dank en gebed voor Filemon worden hier genoemd in hun voorwerp, omstandigheden en inhoud, en den weg waardoor veel van het goede, dat hij van Filemon vernam, hem ter oren kwam.
1. Hier is hetgeen, waarvoor Paulus dankzegt en bidt voor Filemon. Ik dank mijnen God, uwer altijd gedachtig zijnde in mijne gebeden enz. Merk op:
A. God is de bewerker van al het goede, dat in enig mens is of door hem gedaan wordt.
Uwe vrucht is uit Mij gevonden, Hosea 14:9. Hem komt derhalve daarvoor alle dank toe.
Wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de macht zouden verkregen hebben, om vrijwillig te geven, gelijk dit is? Want het is alles van U, 1 Kronieken 29:14, beide het offer en de wil om het te brengen. Daarom zegt hij, vers 13 :Nu dan, o onze God, wij danken U en loven den naam Uwer heerlijkheid.
B. Het is het voorrecht van alle Godvrezenden, dat zij in hun gebeden en dankzeggingen komen tot God als hun God: Onze God, wij danken U! zegt David. Ik dank mijnen God, schrijft Paulus.
C. Onze gebeden en dankzeggingen moeten Gode gebracht worden niet alleen voor ons zelven, maar ook voor anderen. Afzonderlijke gebeden moeten niet gebracht worden met een afzonderenden geest, wij mogen niet alleen aan onze eigen belangen denken, maar moeten ook anderen ons herinneren. Wij moeten vreugde en dankbaarheid gevoelen voor al het goede in hen, of door hen verricht, of hun geschonken-zover het ons bekend is-en het goede voor hen zoeken. Daarin ligt voor geen gering gedeelte de gemeenschap der heiligen. Paulus was gewoon in zijn afzonderlijke gebeden en dankzeggingen, dikwijls zijn vrienden met name te gedenken. Ik dank mijnen God, uwer altijd gedachtig zijnde in mijne gebeden, soms bij name, maar altijd hen in gedachten hebbende, en God weet wat wij bedoelen, al noemen wij het niet bij name. Dat is een middel om ons te oefenen in de liefde, en goed voor anderen te verkrijgen. Strijdt met mij in uwe gebeden tot God voor mij, zegt de apostel, en wat hij voor zich zelven begeerde, bracht hij zeker in praktijk voor anderen, en dat moeten wij allen doen. Bidt voor elkaar, Jakobus 5:16.
2. Bij welke gelegenheden deed Paulus dat? Altijd. Altijd uwer gedachtig zijnde, doorgaand, niet eens of twee keren per dag, maar gewoonlijk. Zo moeten wij Christelijke vrienden veel en dikwijls gedenken, wanneer hun toestand het vereist, en hen in onze gedachten en in onze harten aan God opdragen.
3. Hier is de zaak, waarvoor hij dankzegt en bidt met betrekking tot Filemon.
A. Zijn dankzeggingen.
a. Hij dankt God voor de liefde, welke hij gehoord had dat Filemon voor den Heere Jezus had. Hem moeten wij liefhebben boven alles als God, zoals Zijn goddelijke volmaaktheden waardig zijn, en in betrekking tot ons, als de Heere, onze Heere, onze Schepper, Verlosser en Zaligmaker, die ons heeft liefgehad en zich zelven voor ons overgaf. Paulus dankt God er voor dat hij gehoord heeft, dat Filemon dat kenmerk bezit en vertoont.
b. Evenzeer voor zijn geloof in Christus. Liefde tot Christus en geloof in Hem zijn Christelijke deugden van den eersten rang, er bestaat dus grote reden van dankzegging aan God, wanneer Hij iemand met deze gezegend heeft. Zo schrijft Paulus aan de Romeinen, 1:8 :Ik dank mijnen God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld. En met betrekking tot de Colossenzen, 1:3, 4: Wij danken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, alzo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben. Dit is een zaligmakende genade, en het beginsel zelf van Christelijk leven en alle goede werken.
c. Hij dankt God evenzeer voor Philemons liefde tot al de heiligen. Die twee moeten samengaan, want wie liefheeft degenen, die geboren heeft, die moet (en zal) ook liefhebben degenen, die geboren zijn. De apostel voegt dat bijeen in Colossenzen 1:3, 4: Wij danken God alzo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben, en van de liefde, die gij hebt tot al de heiligen. Zij, die het beeld van Christus dragen, zullen door alle Christenen bemind worden. Verschillende gevoelens en manieren in dingen van ondergeschikt belang zullen geen verschil maken in de genegenheid voor elkaar, ofschoon er verschil in den graad van liefde zal zijn naarmate de gelijkenis met Christus meer of minder gezien wordt. Maar uitwendige verschillen komen hier niet in aanmerking. Paulus noemt een armen bekeerden slaaf zijne ingewanden. Wij moeten, evenals God doet, alle heiligen liefhebben. Paulus dankt God niet alleen voor het goede, dat in de gemeenten was, maar ook voor het goede, dat in de enkele personen gevonden werd, en ofschoon dit hem alleen door mededeling van anderen bekend was. Alzo ik hoor uwe liefde en geloof, hetwelk gij hebt aan den Heere Jezus en jegens al de heiligen. Dat was waar hij naar vroeg ten opzichte van zijn vrienden, de oprechtheid, de toeneming en de vruchtbaarheid van hun genade, hun geloof in Christus en hun liefde jegens al de heiligen. Liefde jegens de heiligen, zo zij oprecht is, zal algemene en allen-omvattende liefde jegens al de heiligen zijn, maar geloof en liefde, ofschoon zij in het hart verborgen zijn, worden gekend aan hun vruchten. Daarom:
B. Voegt de apostel gebeden bij zijn dankzeggingen, opdat de vruchten van Philemons geloof en liefde meer en meer openbaar mochten worden, en opdat de mededeling daarvan anderen mocht brengen tot erkentenis van al het goede voor Christus Jezus, dat in hem en in zijn huis was, opdat hun licht mocht schijnen voor de mensen, en dezen, ziende hun goede werken, mochten opgewekt worden om hen na te volgen, en hun Vader, die in de hemelen is, te verheerlijken. Goede werken moeten verricht worden, niet uit ijdele eer, om gezien te worden, maar als ze gezien worden moet het zijn tot verheerlijking Gods en tot welzijn der mensen.
4. Hij voegt er de reden bij, zowel voor zijn dankzegging als voor zijn gebed. Want wij hebben grote vreugde en vertroosting over uwe liefde, dat de ingewanden der heiligen zijn verkwikt geworden door u, broeder, vers 7. Het goede, dat gij gedaan hebt en nog doet, is een overvloedige oorzaak van vreugde en vertroosting voor mij en voor anderen, die daarom begeren dat gij meer en meer moogt voortgaan en overvloedig worden in zulke vruchten tot Gods eer en tot aanbeveling van den godsdienst. De bediening van dezen dienst vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God, 2 Corinthiërs 9:12.